Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE5816

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
KG 02/1330 OdC
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

OdC/AD

vonnis 18 juli 2002

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

VONNIS

i n d e z a a k m e t r o l n u m m e r KG 02/1330 OdC v a n:

het CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA), gevestigd te

Rijswijk,

e i s e r e s bij dagvaarding van 25 juni 2002,

procureur mr. L.P. Broekveldt,

advocaat mr. A.M. de Koning te 's-Gravenhage,

t e g e n :

[gedaagde], verblijvende in het AZC te Amsterdam, locatie Osdorp te Amsterdam,

g e d a a g d e ,

procureur mr. B.J.H. Crans,

advocaat mr. S.E. de Jong te Assen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter terechtzitting van 15 juli 2002 heeft eiseres, verder te noemen het COA, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagde, verder te noemen [gedaagde], heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening.

Na verder debat hebben partijen stukken overgelegd voor vonniswijzing.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. Het COA draagt zorg voor de (centrale) opvang van asielzoekers. Deze opvang omvat onder meer de in artikel 5 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (hierna: Rva) nader beschreven voorzieningen zoals onderdak, een wekelijkse financiële toelage en een verzekering tegen ziektekosten.

b. [gedaagde] is asielzoeker en stelt afkomstig te zijn uit Somalië. Hij verblijft thans in het asielzoekerscentrum, locatie Osdorp te Amsterdam (hierna AZC).

c. [gedaagde] heeft op 4 maart 1999 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij besluit van 19 november 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie afwijzend beslist op deze aanvraag. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar, is bij besluit van 1 augustus 2000 ongegrond verklaard. [gedaagde] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage en hij heeft de president van die rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 20 december 2001 is het beroep ongegrond verklaard en is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Daarmee is sprake van een onherroepelijke negatieve beslissing op de asielaanvraag van [gedaagde].

d. [gedaagde] heeft op 17 oktober 2000 met het COA een gesprek gehad waarin onder meer over zijn terugkeer en de beëindiging van de opvangvoorzieningen is gesproken.

e. [gedaagde] heeft op 28 maart 2002 een aanvraag ingediend voor een vergunning tot verblijf wegens medische behandeling. Op deze aanvraag is nog niet beslist.

f. [gedaagde] is door de vreemdelingenpolitie gevorderd te verschijnen op 1 mei 2002 voor een gesprek over de voor hem geldende vertrektermijn, maar hij is op die datum niet verschenen. De finale vertrektermijn is voor hem geëindigd op 28 mei 2002.

g. [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de finale vertrektermijn.

h. Bij brief van 29 mei 2002 aan de dienst vreemdelingenpolitie te Amsterdam, waarvan een afschrift aan de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) is gezonden, heeft (de raadsvrouwe van) [gedaagde] gesteld dat uitzetting om medische redenen achterwege dient te blijven. Daarbij is een beroep gedaan op artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw). De IND en de vreemdelingenpolitie hebben (nog) niet op deze brief gereageerd.

2. Het COA vordert thans -kort gezegd- [gedaagde] te veroordelen het AZC te ontruimen en ontruimd te houden, met machtiging van het COA om het vonnis ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm.

3. Het COA heeft daartoe gesteld dat [gedaagde] zonder recht of titel in het AZC verblijft. Aangezien er na 11 februari 2000 een beslissing zijn bezwaarschrift is genomen, is het stappenplan 2000 van toepassing. De finale vertrektermijn eindigde voor [gedaagde] op 28 mei 2002 en met ingang van die datum heeft hij dan ook geen aanspraak meer op voorzieningen als bedoeld in de Rva. Het COA wijst er op dat de gestelde humanitaire omstandigheden de ontruiming niet in de weg staan. Er is immers alleen grond om de opvang te continueren indien de IND in die humanitaire omstandigheden aanleiding ziet om uitstel van vertrek te verlenen, hetgeen hier niet het geval is. Het COA heeft spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming, aangezien zij de ruimte die [gedaagde] thans gebruikt ter beschikking wil stellen aan andere asielzoekers die daar ingevolge de Rva wel recht op hebben.

4. [gedaagde] heeft ter afwering van de vordering het volgende -samengevat- aangevoerd. Op hem is niet het stappenplan 2000 maar het stappenplan 1999 van toepassing. In zijn geval is immers voor 10 februari 2000 een beslissing in eerste aanleg genomen en daarmee is reeds voldaan aan de eerste voorwaarde op grond waarvan toepasselijkheid van het stappenplan 2000 wordt uitgesloten. Daaraan kan de omstandigheid dat de beslissing op bezwaar na 10 februari 2000 is genomen niet meer afdoen. [gedaagde] verwijst in dit verband naar artikel III van het Rva 1997 van 27 maart 2001 (Staatscourant 29 maart 2001). Op grond van het stappenplan 1999 dient het COA een beëindigingsbeslissing te nemen en daarbij de humanitaire omstandigheden mee te wegen. Dit heeft zij in dit geval niet gedaan. Ook is op grond van het stappenplan 1999 slechts vereist dat de vreemdeling meewerkt aan zijn terugkeer en dat heeft [gedaagde] ook gedaan. Zo heeft hij zelf contact gezocht met het IOM maar gezien de problematiek rond de verkrijging van reisdocumenten voor terugkeer naar Somalië, is terugkeer voor hem niet mogelijk. Volgens [gedaagde] dient er, ook in het geval het stappenplan 2000 van toepassing is, een beslissing te worden genomen over de beëindiging van de opvang waarbij de humanitaire omstandigheden moeten worden meegewogen. [gedaagde] heeft een psychiatrische stoornis met psychoses. Hij moet regelmatig onder toezicht zijn medicijnen innemen. Thans kan door de aanwezige structuur in het AZC medische hulp worden geboden maar dit is duidelijk niet het geval als hij uit de opvang wordt verwijderd.

Beoordeling van het geschil

5. Op grond van het hier toepasselijke artikel 8, eerste lid sub c, Rva (Staatscourant 2000, 250) eindigt de opvang als bedoeld in artikel 5 Rva, van rechtswege na ommekomst van een finale vertrektermijn van 28 dagen, nadat op de (eerste) asielaanvraag onherroepelijk niet inwilligend is beschikt danwel nadat de asielzoeker rechtmatig verwijderbaar is.

6. De wijze waarop aan artikel 8, eerste lid sub c, Rva uitvoering moet worden gegeven, is verder uitgewerkt in het Stappenplan 2000, dat de feitelijke gang van zaken omschrijft die wordt gevolgd tot het moment dat in de diverse stadia van de toelatingsprocedure de finale vertrektermijn gaat lopen en de opvang van rechtswege is beëindigd.

7. [gedaagde] heeft gesteld dat het stappenplan 2000 in zijn geval niet van toepassing is en heeft hierbij verwezen naar artikel III van het besluit tot wijziging van de Rva 1997 van 27 maart 2001. Dit artikel ziet echter op een bepaalde situatie zoals die zich kan voordoen bij de toepasselijkheid van het stappenplan 2000 en die ertoe leidt dat de verstrekkingen, in afwijking van artikel 8 Rva, reeds eindigen op de dag waarop de asielzoeker Nederland ingevolge de mededeling van de korpschef dient te verlaten. Deze situatie doet zich hier niet voor. De voorzieningenrechter zal het beroep van [gedaagde] dan ook opvatten als een beroep op artikel II van de wijziging van de Rva 1997 van 6 december 1999 (Staatscourant 1999, 237, in werking getreden op 11 februari 2000). Bij artikel II van het besluit van 6 december 1999 is bepaald dat het stappenplan 2000 niet van toepassing is op een vreemdeling ten aanzien van wie vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit:

a. een beslissing op de asielaanvraag is genomen,

b. een beslissing op het ingediende bezwaar tegen de niet inwilligende beschikking op de asielaanvraag is genomen of

c. (…)

Een interpretatie van dit artikel in de door [gedaagde] voorgestane zin zou lid b zinledig maken, terwijl deze interpretatie bovendien geen steun vindt in de door de Staatssecretaris van Justitie op het nieuwe terugkeerbeleid gegeven toelichting. Daarin wordt immers vermeld dat het nieuwe beleid van toepassing is op vreemdelingen die op of na de datum van publicatie van het herziene stappenplan nog geen beslissing in eerste aanleg hebben ontvangen, daaronder begrepen nog geen beslissing intrekking verblijfsstatus, en/of vreemdelingen die nog geen beslissing op bezwaar hebben ontvangen. Aangezien de beslissing op bezwaar van [gedaagde] dateert van 1 augustus 2000 -en derhalve van na 11 februari 2000- is het stappenplan 2000 wel op hem van toepassing.

8. Vast staat dat sprake is van een onherroepelijke niet inwilligende beschikking op het asielverzoek van [gedaagde]. Voorts is gebleken dat het stappenplan 2000 correct is nagevolgd en dat [gedaagde] geen gehoor heeft gegeven aan de finale vertrektermijn die eindigde op 28 mei 2002. Aangezien de opvang op grond van artikel 8, eerste lid sub c, Rva van rechtswege na ommekomst van deze finale vertrektermijn is geëindigd, verblijft [gedaagde] thans zonder recht of titel in het AZC.

9. De stelling van [gedaagde], dat ook onder het stappenplan 2000 een beslissing dient te worden genomen over de beëindiging van de opvang in welke beslissing humanitaire omstandigheden dienen te worden meegewogen, wordt niet onderschreven. In het kader van de uitvoering van artikel 8, eerste lid sub c, Rva heeft de Staatssecretaris van Justitie ingevolge zijn Nadere Instructie Uitvoering Rva van 4 februari 2000 (Staatscourant 2000, 25) immers besloten dat het COA met het wegvallen van het meewerkcriterium geen beoordelingsruimte en een daaraan gekoppelde beslissingsbevoegdheid (meer) heeft. Een aparte beëindigingsbeschikking door het COA blijft daarmee achterwege. Eventuele omstandigheden van humanitair zeer schrijnende aard, worden in het kader van het toelatings- en vertrekbeleid door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) meegewogen. Uitsluitend indien door de IND uitstel van vertrek wordt verleend, worden de opvangvoorzieningen gecontinueerd. Nu vast staat dat de IND aan [gedaagde] geen uitstel van vertrek heeft verleend en daarover ook geen administratiefrechtelijke procedure loopt, laat staan een voorlopige voorziening aan de bestuursrechter is gevraagd, is er alleen al daarom geen grond voor continuering van de opvang.

10. Niettemin kunnen zeer schrijnende omstandigheden van humanitaire aard zich verzetten tegen toewijzing van de gevorderde ontruiming of nopen tot het stellen van voorwaarden aan het bevel tot ontruiming. Zulke klemmende omstandigheden van humanitaire aard zijn in dit geval niet aannemelijk geworden. De omstandigheid dat [gedaagde] medicijnen gebruikt die hij -naar gesteld- in een gestructureerde omgeving dient in te nemen, is in dit verband onvoldoende.

11. Op grond van het voorgaande alsmede gelet op het -voldoende aannemelijk gemaakte- aanwezige spoedeisend belang van het CAO om [gedaagde] daadwerkelijk uit het AZC te verwijderen, zal de vordering tot ontruiming worden toegewezen. Na te noemen ontruimingstermijn wordt daarbij redelijk geacht.

12. [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

BESLISSING IN KORT GEDING

De voorzieningenrechter:

1. Veroordeelt [gedaagde] om binnen acht dagen na de betekening van dit vonnis het AZC Amsterdam, locatie Osdorp, te Amsterdam met al de zijnen en het zijne te ontruimen en ontruimd te houden, met machtiging van het COA om, zo [gedaagde] mocht nalaten aan deze veroordeling te voldoen, de nakoming daarvan af te dwingen met behulp van de sterke arm.

2. Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van het COA begroot op € 270,56 aan verschotten, waaronder € 193,= wegens vastrecht en op € 703,= aan salaris procureur.

3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

4. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Gewezen door mr. R. Orobio de Castro, vice-president van de rechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 18 juli 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.: