Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE4517

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2002
Datum publicatie
24-06-2002
Zaaknummer
AWB 02/1318 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Mediawet 71, geldigheid: 2002-06-20
Mediawet 82, geldigheid: 2002-06-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

In het geding met reg.nr. AWB 02/1318 WET

tussen:

1. de vennootschap naar Luxemburgs recht “CLT-UFA S.A.” en

2. de vennootschap naar Luxemburgs recht “RTL/de Holland Media Groep S.A.” (HMG),

beide gevestigd te Luxemburg, eiseressen,

vertegenwoordigd door mr. E.J. Dommering, advocaat te Amsterdam, G. Lommel, werkzaam bij CLT-UFA en mr. W.M.M. de Vries, werkzaam bij HMG .

en

het Commissariaat voor de Media, gevestigd te Hilversum, verweerder,

vertegenwoordigd door mr. G.H.L. Weesing en mr. B.J. Drijber, advocaten respectievelijk te Hilversum en te Den Haag, en mr. M.B.H. Betzel, beleidsmedewerker bij verweerder.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

Scandinavian Broadcasting Systems SBS6 B.V., gevestigd te Hilversum,

vertegenwoordigd door A. Kramer en M. Smit, beiden werkzaam bij SBS6.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 20 maart 2002 een beroepschrift van eiseressen ontvangen gericht tegen verweerders besluit van 5 februari 2002.

Bij beslissing van 2 mei 2002 heeft de rechtbank het verzoek ex artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat eiseressen bij de indiening van het beroep ten aanzien van stukken met bedrijfsvertrouwelijke gegevens hebben gedaan, gehonoreerd en bepaald dat ten aanzien van deze stukken gewichtige redenen aanwezig zijn die beperking van de kennisneming rechtvaardigen. Partijen hebben de rechtbank desgevraagd op grond van het vijfde lid van artikel 8:29 van de Awb toestemming verleend mede op basis van deze stukken uitspraak te doen.

Op 13 mei 2002 is namens verweerder een verweerschrift ingezonden.

SBS6 B.V., die op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, heeft van de haar geboden mogelijkheid een memorie in te dienen geen gebruik gemaakt.

Het beroep is behandeld ter zitting van 30 mei 2002, alwaar partijen bij gemachtigden zijn verschenen. Na de behandeling ter zitting is het onderzoek gesloten.

2. MOTIVERING

In 1989 is CLT-UFA, dat is gevestigd in Luxemburg en dat tevens aldaar kantoor houdt, met een Luxemburgse concessie begonnen met het uitzenden van een televisieprogramma op de Nederlandse markt onder de naam RTL-Véronique. In 1990 is de programmanaam gewijzigd in RTL4. Vervolgens heeft CLT-UFA een tweede op Nederland gericht programma geïntroduceerd, te weten RTL5. In 1995 is CLT-UFA binnen haar dochteronderneming RTL4 S.A. een samenwerking aangegaan met het toenmalige Veronica, hetgeen heeft geresulteerd in de oprichting van HMG. HMG is gevestigd in Luxemburg en houdt (mede) kantoor in Hilversum.

Voor de programma’s RTL4 en RTL5 zijn laatstelijk op 26 april 1995 aan CLT-UFA door de Luxemburgse autoriteiten concessies verleend, die geldig zijn tot 31 december 2010.

Bij besluit van 20 november 1997 heeft verweerder beslist dat HMG voor de programma’s RTL4 en RTL5 als de verantwoordelijke omroeporganisatie geldt, dat zij onder Nederlands toezicht valt en dat verweerder het verzorgen door HMG van deze programma’s – en het uitzenden daarvan door kabelexploitanten – onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde tijd zal gedogen. Daarbij is overwogen dat onderzoek van de feitelijke situatie met betrekking tot de programma’s en toetsing van die situatie aan de criteria van artikel 1, tweede en derde lid, van de Richtlijn 97/36/EG uitwijst dat HMG dient te worden aangemerkt als de omroeporganisatie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, en dat HMG de in artikel 2, derde lid, van deze richtlijn bedoelde programmeringsbesluiten in Hilversum neemt. Voorts is overwogen dat HMG op grond van artikel 2, derde lid, onder a, dan wel onder b, wordt geacht te zijn gevestigd in Nederland.

Verweerder heeft voorts vastgesteld dat HMG als commerciële omroep in de zin van de Mediawet niet beschikt over de ingevolge artikel 71a van de Mediawet vereiste toestemming voor het verzorgen van de commerciële programma’s RTL4 en RTL5, alsmede dat het uitzenden van deze programma’s in strijd is met het bepaalde in artikel 82h van de Mediawet. Verweerder heeft HMG in de gelegenheid gesteld de vereiste vergunning alsnog aan te vragen.

Bij besluit van 31 maart 1998 heeft verweerder de door eiseressen tegen dit besluit ingebrachte bezwaren ongegrond verklaard en zijn primaire besluit gehandhaafd. Tegen deze ongegrondverklaring is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

In haar uitspraak van 7 september 2000 in het geding tussen partijen met registratienummer AWB 98/3461 WET heeft de rechtbank de vraag of verweerder de bezwaren terecht en op goede gronden heeft afgewezen bevestigend beantwoord. De rechtbank heeft daarbij (onder meer) overwogen dat verweerder terecht heeft aangenomen dat HMG de redactionele verantwoordelijkheid voor de samenstelling van de schema’s voor de programma's van RTL 4 en RTL5 heeft, dat de hiervoor relevant geachte functies feitelijk in Hilversum worden uitgeoefend, waaruit kan worden afgeleid dat de programmeringsbesluiten in Hilversum worden genomen, terwijl voorts een aanzienlijk deel van het bij de omroepactiviteiten betrokken personeel in Hilversum werkzaam is.

Tegen deze uitspraak is door eiseressen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de ABRS).

De ABRS heeft bij uitspraak van 10 april 2001 de rechtbank, onder verwijzing naar de door haar gebezigde overwegingen, gevolgd – voor zover hier van belang – in het oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat HMG, gelet op artikel 2, derde lid, onder a, althans onder b, eerste volzin, van de toepasselijke richtlijn, onder het toezicht van verweerder zou moeten vallen. De uitspraak van de rechtbank is niettemin vernietigd omdat de rechtbank heeft miskend dat het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand was gekomen.

Daartoe is overwogen dat uit de considerans van Richtlijn 97/36/EG blijkt dat uitgangspunt is dat slechts één lidstaat bevoegd kan zijn tot het uitoefenen van toezicht en dat de standpuntbepaling van verweerder kan leiden tot problemen in relatie tot het door Luxemburg uitgeoefende toezicht. Daarbij is opgemerkt dat van verweerder ten minste zou mogen worden verwacht dat de kwestie van het dubbele toezicht uitdrukkelijk en onder verwijzing naar de mogelijke gevolgen als apart agendapunt, voorzien van een schriftelijke uiteenzetting, onder de aandacht van de leden van het contactcomité als bedoeld in artikel 23bis van de Richtlijn 97/36/EG zou worden gebracht.

De ABRS heeft bij haar uitspraak daarom, doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, voorts het inleidende beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 maart 1998 vernietigd en verweerder opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

Verweerder heeft, gehoor gevend aan deze opdracht, bij het thans bestreden besluit van 5 februari 2002 opnieuw op het bezwaar van eiseressen beslist. Laatstgenoemden zijn daarbij een aantal malen in de gelegenheid gesteld hun visie naar voren te brengen. Laatstelijk voorafgaand aan het bestreden besluit hebben eiseressen verweerder bij brief van 25 januari 2002 bericht over hun visie op de bestaande situatie. Verweerder heeft het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard en zijn primaire besluit van 20 november 1997 gehandhaafd met verschuiving van de einddata van de gedoogsituatie.

Met betrekking tot het nieuwe besluit op bezwaar overweegt de rechtbank als volgt.

Eiseressen hebben zich primair op het standpunt gesteld dat het besluit op bezwaar in strijd is met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:11 van de Awb, omdat er slechts een beperkte heroverweging zou hebben plaatsgevonden, namelijk op basis van de feiten die zich hebben voorgedaan na de behandeling ter zitting bij de ABRS. Er had volgens hen op zijn minst een onderzoek moeten plaatsvinden naar de recente situatie in Luxemburg. Daarnaast zijn eiseressen van oordeel dat het gehele feitencomplex door het tijdsverloop is achterhaald. In dit verband hebben zij gesteld dat verweerder ten onrechte geheel voorbij is gegaan aan de stellingen in de brief van 25 januari 2002.

De rechtbank is van oordeel dat het primaire standpunt van eiseressen feitelijke grondslag mist. Zoals uit het bestreden besluit genoegzaam naar voren komt is met de stellingen die naar voren zijn gebracht tijdens de hoorzitting op 13 december 2001 en in de brief van 25 januari 2002 (voldoende) rekening gehouden. Het primaire standpunt van eiseressen mist derhalve feitelijke grondslag.

Het feitencomplex en de daaruit getrokken conclusies zijn bovendien naar het oordeel van de rechtbank ten opzichte van de situatie ten tijde van het besluit van 31 maart 1998 niet zodanig gewijzigd dat de uitgangspunten die in de uitspraak van de ABRS van 10 april 2001 zijn neergelegd, ter discussie zouden moeten worden gesteld. Verweerder mocht die uitgangspunten bij zijn besluitvorming dan ook gebruiken.

Eiseressen hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat verweerder heeft miskend dat hij een eigen verplichting heeft waar het gaat om de toepassing van het gemeenschapsrecht.

De uitleg die verweerder geeft aan de uitspraak van de ABRS, waar die laatste zich uitlaat over de agendering van het dubbele toezicht voor een vergadering van het contactcomité, is in de visie van eiseressen onjuist, zeker nu de ABRS geen rechtsmacht kan uitoefenen over de Luxemburgse overheid.

Bovendien zou volgens eiseressen aan de overwegingen in de uitspraak van de ABRS met betrekking tot de agendering van het probleem van het dubbele toezicht bij het contactcomité niet een louter procedurele betekenis moeten worden gegeven.

Ook in deze standpunten kan de rechtbank eiseressen niet volgen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, mede gezien verweerders beperkte mogelijkheden om in de vergadering van het contactcomité een resultaat af te dwingen, de uitspraak van de ABRS verweerder niet tot meer dwingt dan tot een inspanningsverplichting. Aan die verplichting heeft verweerder voldaan. Met verweerder is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat een verdergaande betekenis dan een procedurele aan het oordeel van de ABRS op dit punt niet kan worden toegekend. Dat het niet mogelijk is gebleken in het contactcomité tot overeenstemming te komen, kan verweerder niet worden verweten. Bij de voorbereiding van het bestreden besluit is de benodigde zorgvuldigheid thans dan ook voldoende in acht genomen.

Eiseressen hebben voorts nog gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en artikel 234 van het EG-Verdrag, nu verweerder heeft miskend dat hij wel degelijk, gelet op de genoemde artikelen, de weg had moeten openen naar de Europese rechter. Dat dit niet is gebeurd klemt te meer omdat verweerder een onjuiste uitleg geeft van communautaire begrippen als “omroeporganisatie”, “hoofdkantoor”, “programmeringsbesluit” en “aanzienlijk deel van het bij de televisieomroepactiviteiten betrokken personen”.

Eiseressen hebben, zowel bij de ABRS als thans bij de rechtbank, erop aangedrongen dat aan het Hof van Justitie voor de Europese gemeenschap vragen zouden worden gesteld over de uitleg van (onder meer) de hiervoor aangegeven begrippen en over het probleem van het dubbele toezicht.

Met eiseressen is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het kader van de toepassing van de Europese regelgeving een eigen verantwoordelijkheid heeft. Anders dan eiseressen is de rechtbank van oordeel dat deze eigen verantwoordelijkheid niet zover strekt dat – zo verweerder daartoe al aanleiding zou hebben gevonden – hij bij die toepassing kan afwijken van de inhoudelijke beoordeling die door de ABRS in het geschil tussen partijen reeds is gegeven en waarbij bedoelde begrippen aan de orde zijn. De wens van eiseressen om met toepassing van het bepaalde in artikel 234 van het EG-Verdrag prejudiciële vragen over de onderhavige kwestie te stellen en beantwoord te krijgen, is, gelet ook op de onbevredigende uitkomsten van de bespreking van de litigieuze kwestie in het contactcomité, op zichzelf begrijpelijk. De rechtbank ziet evenwel binnen het door de ABRS in haar uitspraak van 10 april 2001 – met name in de rechtsoverwegingen 2.6.1 tot en met 2.6.4 en 2.7.3 – geschetste kader, waarbinnen de beslissing op bezwaar is genomen, geen ruimte daartoe over te gaan.

De grieven van eiseressen die zien op de uitleg van de in deze kwestie van belang zijnde begrippen, behoeven, gelet op het hiervoor overwogene, geen verdere bespreking.

Vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van eiseressen ongegrond dient te worden verklaard.

Er wordt geen aanleiding gevonden te bepalen dat het door eiseressen betaalde griffierecht moet worden vergoed. Evenmin is er een grond aanwezig gebruik te maken van de bevoegdheid tot veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiseres.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. A.W.P. Letschert, voorzitter, mrs. R.W.L. Koopmans

en E.C. Ruinaard, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.T. van der Leek, griffier

en openbaar gemaakt op: 20 juni 2002

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na de datum van toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Coll.:

D: B