Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE4434

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2002
Datum publicatie
20-06-2002
Zaaknummer
KG 02/1133 en KG 02/1168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

SR/IW

vonnis 20 juni 2002

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

VONNIS

i n d e z a k e n m e t r o l n u m m e r s KG 02/1133 en KG 02/1168 SR v a n:

[eiser], wonende te [woonplaats],

e i s e r bij dagvaardingen van 31 mei 2002,

procureur - in het geding tegen gedaagden sub 1, 2 en 3 rolnummer 02/1133 -

mr A. Moszkowicz,

procureur - in het geding tegen gedaagde sub 4 rolnummer 02/1168 -

mr F. van der Meij,

t e g e n :

1. de besloten vennootschap PARTY PUBLISHING B.V.,

gevestigd te Diemen,

procureur mr J.G. Teu lings,

2. de naamloze vennootschap N.V. HOLDINGMAATSCHAPPIJ DE TELEGRAAF, gevestigd te Amsterdam,

procureur mr R.S. Le Poole,

3. de besloten vennootschap SANOMA UITGEVERS B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

procureur mr E.M. Polak,

4. de besloten vennootschap AUDAX PUBLISHING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

procureur mr J.A. Schaap,

g e d a a g d e n.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter terechtzitting van 5 juni 2002 zijn de zaken met rolnummers KG 02/1133 en KG 02/1168 gevoegd behandeld. Eiser heeft ter zitting gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaardingen. Gedaagden hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening.

Na verder debat hebben partijen stukken overgelegd voor vonniswijzing.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. Eiser - verder te noemen [eiser] - is als presentator en anderszins bekend van diverse televisieprogramma's.

b. Gedaagde sub 1 - verder te noemen Party - is uitgeefster van het weekblad Party, gedaagde sub 3 - verder te noemen Sanoma - van het weekblad Story en gedaagde sub 4 - verder te noemen Audax - van het weekblad Weekend. Gedaagde sub 2 -verder te noemen Telegraaf Holding - is het concern waarvan de uitgever van het weekblad Privé - de besloten vennootschap De Telegraaf Tijdschriften Groep B.V., verder te noemen Telegraaf Tijdschriften - deel uit maakt. Party, Sanoma en Audax worden hierna gezamenlijk de entertainmentbladen genoemd.

c. Op grotendeels de gehele voorpagina van het weekblad Party nummer 20, jaargang 2002 (14 mei 2002) is met opvallende letters en het predikaat "exclusief" de volgende tekst afgedrukt vergezeld van een foto van [eiser] en een foto van M.v.R. - verder te noemen [betrokkene] - met haar zoon:

HAAR EMOTIONELE VERHAAL

'R. DIT IS JE ZOON!'

In bovengenoemde editie van haar weekblad heeft Party een artikel opgenomen ten grote van zes pagina's met onder meer de volgende koppen:

EXCLUSIEF HET AANGRIJPENDE VERHAAL VAN M:

'R., DIT IS JE ZOON!'

Bij het artikel heeft Party een foto van [eiser] en diverse foto's van [betrokkene] en haar zoon afgedrukt.

De inleidende alinea van het artikel luidt als volgt:

Party heeft het artikel gebaseerd op een interview dat één van haar verslaggevers met [betrokkene] heeft gehad. Het verhaal van [betrokkene] heeft zij in het artikel in citaatvorm weergegeven. Ten aanzien van de aanleiding tot het interview met [betrokkene] heeft Party in het artikel het volgende citaat van [betrokkene] opgenomen:

"…Eigenlijk wilde ik het uitstellen totdat hij naar de kleuterschool zou gaan, maar iemand heeft mij verraden. Ik weet ook wie en daar ben ik echt heel boos om. Ruzie in de familie van mijn vriendin [M.P.] is de oorzaak dat mijn geheim nu is verklapt. Er ontstaat nu een enorm mediacircus en dat heb ik nooit gewild. Maar ik vertel liever de waarheid aan jullie, dan dat die 'tipgever' het verhaal, dat zij niet eens volledig weet aan de klok gaat hangen…"

In het artikel heeft Party vermeld dat zij tijdens het interview met [betrokkene], op instigatie van [betrokkene], gesproken heeft met een zekere mevrouw [D.V.] (die volgens v.R. een collega is van de verloskundige die haar heeft bijgestaan tijdens haar zwangerschap). Met betrekking tot dit telefoongesprek zijn door Party de volgende citaten in het artikel opgenomen:

"…Mevrouw [D.V.] beaamt dat ze getuige was van het gesprek tussen M. en R. "Ik herkende zijn stem direct. Hij beloofde haar en [de zoon] op te zoeken…"

én

"…Het eerste wat ik zei toen ik [de zoon] zag, was:'Het is precies R'..."

In het artikel is ook de vriendin van [betrokkene], mevrouw [M.P.], aan het woord gelaten:

"…M's vriendin [M[M.P.] zegt getuige te zijn geweest van een telefoontje dat R. en M. kort voor Pasen zouden hebben gevoerd. M.P.:"We waren op weg naar de ballenbak en opeens hing hij bij Marita aan de lijn. Ik hoorde direct aan zijn stem dat hij het was. M. vertelde hem dat [de zoon] vragen begon te stellen. R. beloofde hem op te komen zoeken. Hij zei ook dat hij [de zoon], die sprekend op hem lijkt, op tweede paasdag zou bellen. Maar die afspraak is hij nooit nagekomen…"

d. Op de voorpagina van het weekblad Story nummer 20, jaargang 2002 (14 mei 2002), is vergezeld van een foto van [eiser] en een foto van [betrokkene] en haar zoon over de volle breedte aan de onderzijde van de pagina met opvallende letters de volgende tekst afgedrukt:

Vermeende minnares beweert

'R., dit is je zoon!'

Best bewaarde showbizz-geheim onthuld

In bovengenoemde editie van haar weekblad heeft Sanoma een artikel opgenomen ten grote van vier pagina's (pagina 4 tot en met 7) met de volgende koppen:

Vermeende ex-minnares M. beweert dat RTL-presentator de vader van haar kind is

'Ik heb een ZOON van R. [eiser]!'

'[de zoon] kent zijn vader alleen van de televisie…'

Bij het artikel heeft Sanoma een foto van [eiser], een foto van [eiser] en zijn echtgenote, een foto van de zonen van [eiser] en diverse foto's van [betrokkene] en haar zoon afgedrukt.

De inleidende alinea van het artikel luidt als volgt:

Het artikel is gebaseerd op een interview dat één van de verslaggevers van Sanoma heeft gehad met [betrokkene]. Sanoma heeft het verhaal van [betrokkene] in de publicatie in citaatvorm weergegeven. In het artikel is door Sanoma vermeld dat zij [eiser] heeft benaderd: "…Uiteraard vroeg STORY commentaar aan R. [eiser]. De tv-presentator windt er geen doekjes om:'Deze vrouw is duidelijk ziek. Het verhaal dat ik een zoon bij deze juffrouw zou hebben is een leugen! Klinkklare nonsens!"

In het artikel heeft Sanoma eveneens vermeld dat zij de ex-partner van [betrokkene] de heer [R.] - verder te noemen [R.] - heeft benaderd, maar dat hij onbereikbaar was voor commentaar.

e. Op de voorpagina van het weekblad Weekend nummer 20, jaargang 2002 (15 mei 2002), is vergezeld van een foto van [eiser] en een foto van [betrokkene] en haar zoon in de rechteronderzijde van de pagina met opvallende letters de volgende

tekst afgedrukt:

M. (35): R. IS DE VADER VAN MIJN KIND

Leidde hij 11 jaar een dubbelleven?

In bovengenoemde editie van haar weekblad heeft Audax een artikel opgenomen ten grote van drie pagina's (pagina 50 tot en met 52) met de volgende koppen:

Heeft R. [eiser] kind bij minnares?

M. (35):'Dit is mijn zoontje B.'

'B. wordt 20 juni 4 jaar en hij heeft zijn vader nog nooit gezien'

M. eist DNA-test!

Audax heeft bij het artikel diverse foto's afgedrukt waaronder twee foto's van [eiser], [betrokkene] en [R.] en twee foto's van [betrokkene] en haar zoon.

De inleidende alinea van het artikel luidt als volgt:

Het artikel is gebaseerd op een interview dat één van de verslaggevers van Audax heeft gehad met [betrokkene]. Audax heeft het verhaal van [betrokkene] weergegeven in citaatvorm. In het artikel heeft zij vermeld dat [eiser] door haar is benaderd en zijn reactie is als volgt weergegeven:"…Via de persdienst van RTL4 laat R. [eiser], gevraagd naar een reactie, weten: 'Het verhaal van die mevrouw is totále onzin!…'

f. Op de voorpagina van het weekblad Story nummer 21, jaargang 2002 (21 mei 2002), is over de volle breedte aan de onderzijde, met opvallende letters, de volgende tekst afgedrukt:

Moeder van R's vermeende kind woedend

'.EISER IS ABSOLUUT ZIJN VADER'

Sanoma heeft in bovengenoemde editie van haar weekblad een artikel opgenomen ten grote van een halve pagina (pagina 10), met dezelfde koppen. Bij het artikel is door Sanoma een foto van [betrokkene] en haar zoon opgenomen. Het artikel is gebaseerd op een tweede interview met [betrokkene] en is wederom in citaatvorm weergegeven. In het artikel heeft Sanoma de reactie van [eiser] op het verhaal van [betrokkene] als volgt weergegeven:

"Het kan toch niet zo zijn dat iedereen dit soort dingen mag uitkramen! Ik heb die vrouw nog nooit ontmoet!"

g. Op de voorpagina van het weekblad Weekend nummer 22, jaargang 2002 (22/29 mei 2002), is over de vrijwel volle lengte aan de rechterzijde van de pagina, met opvallende letters de volgende tekst afgedrukt:

SCHOKKEND GERUCHT

Heeft R. nóg 'n kind bij een andere vrouw?

In bovengenoemde editie van haar weekblad heeft Audax een artikel opgenomen ten grote van tweeënhalve pagina (pagina 8 tot en met 10) met onder andere de volgende koppen:

Dit is de vrouw die R. [eiser] zegt niet te kennen…

M.: 'IK BEN GEMUILKORFD!'

Bij het artikel heeft Audax drie foto's waarop [eiser], [betrokkene] en [R.] tezamen staan afgebeeld, één foto van [eiser] en zijn echtgenote, één foto van [betrokkene] en één foto van [betrokkene] en haar zoon opgenomen.

De inleidende alinea van het artikel luidt:

Het artikel is gebaseerd op een tweede interview met [betrokkene] en is wederom in citaatvorm weergegeven.

Bij het artikel is in een apart kader de volgende tekst afgedrukt:

2. [eiser] vordert - kort samengevat - dat gedaagden worden veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie in de eerst volgende editie van hun weekblad, dat Audax eveneens wordt veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie op de voorpagina van de eerstvolgende editie van haar weekblad, alsmede dat Party, Telegraaf Holding, Sanoma en Audex worden veroordeeld zich te onthouden van enige publicatie betreffende [eiser] terzake van het in het geding zijnde onderwerp, op straffe van een dwangsom. Tenslotte vordert [eiser] dat gedaagden worden veroordeeld tot het voldoen van een voorschot op immateriële schadevergoeding, alsmede dat Audax wordt veroordeeld tot het voldoen van een voorschot op materiële schadevergoeding.

3. [eiser] stelt daartoe dat de in de publicaties vermelde feiten, die erop neerkomen dat hij de biologische vader is van het kind van [betrokkene] genoemd [de zoon], in strijd zijn met de waarheid, dat hij dit reeds vanaf het begin van de geruchtenstroom uitdrukkelijk aan de entertainmentbladen bekend heeft gemaakt en dat de publicaties zijn eer en goede naam, zijn reputatie en dientengevolge zijn werk schaden en hem en zijn familie schade berokkenen. Het ligt op de weg van de entertainmentbladen om aan te tonen dat de in het stuk gedane mededelingen feitelijk juist zijn. Uit de bestreden publicaties blijkt echter dat de mededelingen kennelijk niet op waarheid zijn onderzocht; in de artikelen valt geen andere (onafhankelijk) bron te ontdekken dan [betrokkene] en blijkt ook van geen ander serieus te nemen bewijs voor het verhaal. Bovendien blijkt uit de verschillende publicaties dat het verhaal van [betrokkene] tegenstrijdigheden bevat en volstrekt ongeloofwaardig is. De entertainmentbladen hebben evenwel, gelet op de formulering en de layout, opzettelijk de indruk gewekt dat het verhaal van [betrokkene] op waarheid berust. De entertainmentbladen hadden, gelet op het precaire en intieme karakter van de beweringen van [betrokkene] waarop de publicaties zijn gebaseerd, een afweging moeten maken tussen het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] en de rechten die de entertainmentbladen kunnen ontlenen aan de vrijheid van meningsuiting, of meer speciaal de daarvan afgeleide vrijheid van nieuwsgaring. Nu niet is gebleken dat de publicaties deugdelijk gestaafd zijn met feiten en/ of informatie afkomstig van een betrouwbare bron en uit niets blijkt dat de entertainmentbladen een zorgvuldige belangenafweging hebben gemaakt, stelt [eiser] zich op het standpunt dat de entertainmentbladen met de bestreden berichtgeving onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld.

4. Telegraaf Holding betwist de vorderding van [eiser] en voert primair als verweer aan dat [eiser] in het geding jegens haar niet ontvankelijk is nu niet zij, maar Telegraaf Tijdschriften de uitgever is van het weekblad Privé. Subsidiair voert Telegraaf Holding hetzelfde verweer als de entertainmentbladen.

5. De entertainmentbladen hebben de vordering van [eiser] gemotiveerd betwist en hebben zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat zij met betrekking tot de bestreden publicaties gehandeld hebben volgens de normen van journalistieke zorgvuldigheid. De bestreden publicaties zijn allen gebaseerd op één of twee interview(s) met [betrokkene]. De mededelingen van [betrokkene], die consistent waren, zijn in citaatvorm weergegeven, zodat duidelijk is dat deze van haar afkomstig zijn. [betrokkene] is als voornaamste bron van het verhaal verantwoordelijk voor de mededelingen die in de publicatie zijn gedaan en de entertainmentbladen zijn vrij om deze mededelingen te publiceren. Wel hebben de entertainmentbladen ingevolge de journalistieke normen de plicht een verhaal te onderzoeken alvorens zij tot publicatie overgaan. Dit hebben de entertainmentbladen ook gedaan. Zij hebben het verhaal van [betrokkene] geverifieerd bij derden - zijnde de moeder, een collega van de verloskundige ene mevrouw [D.V.] en een vriendin van [betrokkene] - en hebben vervolgens [eiser] uitdrukkelijk gevraagd commentaar te leveren op de publicatie. Het was moeilijk om [eiser] te bereiken en zijn commentaar was kort, maar wat hij of zijn woordvoerder heeft gezegd is gepubliceerd. Daarmee hebben de entertainmentbladen aan de onderzoeksplicht en het beginsel van hoor en wederhoor voldaan. Overigens heeft [eiser] ten onrechte verklaard [betrokkene] niet te kennen getuige foto's waarop zij samen staan afgebeeld. De entertainmentbladen betwisten dat het verhaal van [betrokkene], zoals dat is weergegeven in de verschillende publicaties, tegenstrijdigheden bevat en mede als gevolg daarvan ongeloofwaardig zou zijn. Door de entertainmentbladen wordt niet betwist dat de publicatie de persoonlijke levenssfeer van [eiser] raakt. De mate van het zijn van public figure bepaalt echter de mate waarin een inbreuk op de privacy moet worden geduld, terwijl het belang is erkend voor de entertainmentbladen om dit soort verhalen te publiceren. [eiser] is bovendien eerder bij publicaties in de entertainmentbladen betrokken geweest en heeft ten aanzien van een aantal van deze publicaties zelfs zijn medewerking verleend. Voorts voeren de entertainmentbladen aan dat de gevorderde rectificatie, gelet op de inhoud, überhaupt niet toewijsbaar is. [eiser] vordert dat de entertainmentbladen in de rectificatie dienen op te nemen dat zij hebben nagelaten de juistheid van de beweringen van [betrokkene] te onderzoeken, terwijl de entertainmentbladen van oordeel zijn dat zij dit juist wel hebben gedaan. Voorts vordert [eiser] dat in de rectificatie opgenomen wordt dat door hem wordt ontkend dat hij ooit een relatie heeft gehad met [betrokkene] en dat hij nimmer heeft geweigerd om aan een DNA-test mee te werken. De entertainmentbladen behoeven zich ten aanzien hiervan niet te rectificeren aangezien zij in de publicaties nooit het tegendeel hebben beweerd. Tot slot vordert [eiser] dat de entertainmentbladen door middel van de rectificatie spijt dienen te betuigen voor de door hen uitgebrachte publicaties. Spijt is echter een emotie die niet door middel van een rechterlijk bevel opgelegd kan worden. Ten aanzien van het gevorderde publicatieverbod merken de entertainmentbladen op dat dit niet toewijsbaar is nu dit veel te ver strekt en een ontoelaatbare beperking van de vrijheid van meningsuiting met zich mee zal brengen. Tot slot voeren de entertainmentbladen aan dat ook het gevorderde voorschot op immateriële en - in het geding jegens Audax - materiële schade-vergoeding niet toegewezen kan worden nu daartoe het spoedeisende belang ontbreekt, [eiser] deze vordering onvoldoende met feiten heeft gestaafd en niet aannemelijk is dat in een bodemprocedure schadevergoeding zal worden toegekend.

Beoordeling van het geschil

6. Vooropgesteld wordt dat [eiser] het verweer van Telegraaf Holding, dat [eiser] in het geding jegens haar niet ontvankelijk is omdat zij niet de uitgever van het weekblad Privé is, niet heeft weersproken. Dit verweer slaagt derhalve en de vordering jegens Telegraaf Holding wordt afgewezen.

7. Bij de beoordeling van het onderhavige geschil dient het belang van [eiser] bij de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en zijn belang om niet op onrechtmatige wijze door publicaties te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen te worden afgewogen tegen de commerciële belangen van de entertainmentbladen en het belang van de entertainmentbladen bij persvrijheid en vrijheid van meningsuiting.

8. In onderhavig geschil gaat het om de publicatie van een verhaal dat sterk kan afdoen aan de reputatie (eer en goede naam) van [eiser] en bovendien, gelet op het precaire en intieme karakter, ook zijn gezinsleven grote schade kan berokkenen. De publicaties zijn gebaseerd op een interview dat de verslaggevers van de entertainmentbladen hebben gehad met [betrokkene]. De aanleiding tot de interviews is een tip van een kennis van [betrokkene] die op de redacties van alle entertainmentbladen is binnengekomen. Een aantal entertainmentbladen zijn naar aanleiding van "het uitlekken van het verhaal" volgens eigen zeggen door [betrokkene] zelf uitgenodigd, de overige entertainmentbladen hebben haar "overvallen" met de informatie van de tipgever. Het verhaal van [betrokkene] is in iedere publicatie in citaatvorm weergegeven. In tegenstelling tot hetgeen door de entertainmentbladen is aangevoerd lopen de publicaties en de uitingen van [betrokkene] hierin niet volledig parallel. De entertainmentbladen hebben aangevoerd dat zij het verhaal van [betrokkene] bij derden hebben geverifieerd. De personen - de moeder, een vriendin, en een collega van de verloskundige - die het verhaal van [betrokkene] volgens de entertainmentbladen hebben bevestigd zijn echter niet aan te merken als onafhankelijke derden. De moeder en de vriendin waren veelal aanwezig bij de interviews en door de entertainmentbladen is niet aangevoerd dat zij op enig moment afzonderlijk in afwezigheid van [betrokkene] om een reactie zijn gevraagd, terwijl de door [betrokkene] opgegeven collega van haar verloskundige tijdens het interview is gebeld op een door [betrokkene] opgegeven telefoonnummer. Bovendien hebben alle drie de geraadpleegde personen - zoals blijkt uit de publicaties - op instigatie van [betrokkene] slechts onderdelen van het verhaal van [betrokkene] bevestigd en is door de entertainmentbladen onvoldoende aangetoond dat de geraadpleegde personen zelfstandig bepaalde informatie hebben verstrekt waarmee zij het verhaal van [betrokkene] bevestigden. Van enig zelfstandig onderzoek onafhankelijk van [betrokkene] door de entertainmentbladen is niet gebleken. Op grond van het voorgaande moet de conclusie zijn dat het verhaal van [betrokkene] door de entertainmentbladen onvoldoende op waarheidsgehalte is onderzocht. Het enkele feit dat [eiser] en [betrokkene] samen op een foto (van een uitreiking) staan afgebeeld maakt die conclusie niet anders. De stelling van de entertainmentbladen dat zij geen andere mogelijkheid hadden om het verhaal te checken dan een DNA-test, doet hieraan evenmin af. Zolang het voor de entertainmentbladen niet mogelijk is om een verhaal, dat gekenmerkt wordt door verstrekkende gevolgen voor de betrokkene(n), op waarheid te onderzoeken, dienen de entertainmentbladen zich te onthou-den van publicatie daarvan.

9. Het verweer van de entertainmentbladen dat zij slechts functioneren als medium c.q. verspreider van een boodschap en dat uit de citaatvorm waarin de bestreden publicaties zijn weergegeven duidelijk blijkt dat de gewraakte mededelingen citaten van [betrokkene] betreffen zonder dat de entertainmentbladen ten aanzien van dit verhaal een waardeoordeel geven, kan niet slagen. Weliswaar is het in beginsel aan een ieder toegestaan zijn mening kenbaar te maken en is het aan de pers toegestaan die mening te publiceren, doch in het onderhavige geding betreft het niet slechts de publicatie van een mening, maar een feitelijke stelling dat [eiser] de biologische vader is van de zoon van [betrokkene] genaamd [de zoon]. De entertainmentbladen hebben [betrokkene] in hun publicaties haar verhaal laten vertellen, zonder zich daarvan voldoende te distantiëren en hebben de publicaties op een zodanige wijze op de voorpagina aangekondigd, geredigeerd en ingekleed dat de lezer wel de indruk moet krijgen dat sprake is van vaststaande feiten in plaats van een onbevestigde en zelfs door [eiser] tegengesproken bewering van [betrokkene], waarvan geenszins is gebleken dat deze berust op een deugdelijke verificatie aan de hand van feiten of verklaringen van (onafhankelijke) bronnen.

10. Het verweer van de entertainmentbladen dat het beginsel van hoor en wederhoor door hen is toegepast, dat [eiser] om een reactie is gevraagd en dat hij, danwel zijn woordvoerder, slechts gereageerd heeft met de woorden: "dit is klinkklare onzin", doet niet af aan het feit dat de entertainmentbladen het verhaal van [betrokkene] zorgvuldig hadden moeten onderzoeken alvorens het te publiceren. Juist het feit dat het verhaal van [betrokkene] door [eiser], naar eigen zeggen van de entertainmentbladen, de enige die naast [betrokkene] iets zou kunnen verklaren over de relatie die [betrokkene] met [eiser] zou hebben gehad en het kind dat daaruit zou zijn geboren, is ontkend, gebiedt de entertainmentbladen om nog zorgvuldiger te werk te gaan en naar feiten te zoeken die het verhaal van [betrokkene] kunnen ondersteunen. Dit is met name in onderhavig geding van belang nu het verhaal van [betrokkene] zulke verstrekkende gevolgen heeft voor [eiser], zijn echtgenote en zijn kinderen, die door het aanhalen van hun namen en het plaatsten van hun foto's in de publicaties door de entertainmentbladen nadrukke-lijk bij de publicatie betrokken zijn.

11. Ook het feit dat de entertainmentbladen de ontkennende reactie van [eiser] hebben gepubliceerd doet niet af aan de door de entertainmentbladen gewekte indruk dat het verhaal van [betrokkene] berust op de waarheid. Overigens kan [eiser] niet tegengeworpen worden, zoals de entertainmentbladen hebben gedaan, dat hij niet uitvoeriger op de stellingname van [betrokkene] heeft gereageerd. Zijn reactie daarop is duidelijk en van hem kan in redelijkheid niet verwacht worden dat hij een eenzijdige stellingname weerlegt.

12. De omstandigheid dat [eiser] een public figure is, dat zijn privé-leven dientengevolge vaker het onderwerp is geweest van publicaties en hij in het verleden zijn medewerking heeft verleend aan eerdere publicaties in de entertainmentbladen doet aan het voorgaande niet af. Die omstandigheden kunnen weliswaar meebrengen dat [eiser] met betrekking tot zijn privé-leven een zekere mate van inbreuk moet dulden, maar geeft de entertainmentbladen geen vrijbrief om artikelen te publiceren die gebaseerd zijn op onvoldoende aannemelijk gemaakte feiten, met name niet als die betrekking hebben op onderwerpen, die in zeer sterke mate betrek-king hebben op de privé-sfeer van [eiser] en daarom zorgvuldige behandeling vergen. In onderhavige geval is daaraan niet voldaan. Voorts is niet gesteld of gebleken dat in dit geval sprake is van een (zodanig groot) publiek belang dat deze wijze van publiceren gerechtvaardigd is.

13. Op grond van het voorgaande dient voorshands te worden geoordeeld dat de entertainmentbladen onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld. Deze omstandigheid rechtvaardigt - mede gelet op het schadebeperkende karakter hiervan - een rectificatie als na te melden. Daarin zijn onderdelen van de gevorderde rectificatie komen te vervallen omdat de entertainmentbladen terecht hebben betoogd dat voor de toewijzing van deze onderdelen geen rechtsgrond bestaat of deze na betwisting door de entertainmentbladen onvoldoende zijn toegelicht. De gevorderde dwangsom is eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat deze zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden. De vordering van [eiser] om Audax te veroordelen op de voorpagina van haar weekblad een rectificatie te plaatsen, wordt afgewezen nu door [eiser] onvoldoende is aangetoond dat hij naast een rectificatie in het weekblad belang heeft bij een rectificatie op de voorpagina van het weekblad.

14. In de gegeven omstandigheden is er eveneens aanleiding om aan [eiser] een immateriële schadevergoeding toe te kennen nu aannemelijk is geworden dat [eiser] door de publicaties in zijn persoonlijke levenssfeer is aangetast waardoor hij immateriële schade heeft geleden. [eiser] heeft voorts belang bij een snelle genoegdoening. Toewijzing van een geldbedrag in kort geding is in de onderhavige zaak een geschikt middel tot schadebeperking. Bovendien is voldoende aannemelijk dat gegeven de ernst van de aantasting in een bodemprocedure minimaal het door de voorzieningenrechter in dit vonnis bepaalde bedrag zal worden toegekend. In het midden kan blijven hoe [eiser] deze schadevergoeding zou kunnen besteden. Onder deze omstandigheden is het spoedeisend belang bij toewijzing van dit bedrag als voorschot op de immateriële schadevergoeding gegeven. De vordering tot toewijzing van een voorschot op de materiële schadevergoeding tegen Audax wordt afgewezen nu [eiser] bij betwisting door Audax onvoldoende heeft gesteld waaruit deze schade bestaat en op welke wijze deze schade het gevolg is van de bestreden publicaties.

15. Voor een veroordeling van de entertainmentbladen zich te onthouden van iedere verdere publicatie over onderhavig onderwerp op straffe van een dwangsom is geen plaats, aangezien een dergelij-ke - in wezen preventief - publicatieverbod in de gegeven omstandigheden te zeer ingrijpt in de persvrijheid van de entertainmentbladen. Deze vordering wordt derhalve afgewezen. Wel wordt bepaald dat op de bladzijde waarop de rectificatie dient te worden afgedrukt geen berichtgeving en/ of commentaar ten aanzien van het onderhavige onderwerp zal mogen worden gepubliceerd.

16. [eiser] wordt op grond van rechtsoverweging 6. veroordeeld in de kosten van Telegraaf Holding, terwijl de entertainmentbladen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van [eiser].

BESLISSING IN KORT GEDING

De voorzieningenrechter:

In het geding jegens Telegraaf Holding

1. Weigert de gevraagde voorziening.

2. Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van Telegraaf Holding begroot op € 193,= wegens vastrecht en op € 703,= aan salaris procureur.

3. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling.

In het geding jegens de entertainmentbladen

1. Veroordeelt Party om in het eerste nummer van haar weekblad dat verschijnt in de week na de week waarin dit vonnis wordt betekend, op pagina 3, zonder verdere berichtgeving en/of commentaar ten aanzien van het in deze procedure bedoelde onderwerp op dezelfde pagina, integraal en met dezelfde lettergrootte in een kader de volgende tekst te plaatsen:

"RECTIFICATIE ARTIKEL EISER

In Party nummer 20 hebben wij een artikel geplaatst over een vermeende relatie tussen R. [eiser] en M. v. R. en het kind dat daaruit geboren zou zijn, onder de kop: "EXCLUSIEF HET AANGRIJPENDE VERHAAL VAN M.: 'R., DIT IS JE ZOON!'. Dit artikel is op de voorpagina aangekondigd met de tekst: HAAR EMOTIONELE VERHAAL:'R. DIT IS JE ZOON!'. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 20 juni 2002 geoordeeld dat wij door deze publicatie onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld, en heeft ons bevolen deze tekst te plaatsen. De voorzieningenrechter heeft daarbij geoordeeld dat wij het verhaal van M. v. R. hebben gepubliceerd zonder de beweringen daarin voldoende op juistheid te onderzoeken.

De hoofdredactie van Party",

op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per editie dat niet wordt voldaan aan het ten deze te wijzen vonnis, direct na betekening hiervan met een maximum van € 250.000,--.

2. Veroordeelt Sanoma om in het eerste nummer van haar weekblad dat verschijnt in de week na de week waarin dit vonnis wordt betekend, op pagina 3, zonder verdere berichtgeving en/of commentaar ten aanzien van het in deze procedure bedoelde onderwerp op dezelfde pagina, integraal en met dezelfde lettergrootte in een kader de volgende tekst te plaatsen:

"RECTIFICATIE ARTIKEL EISER

In Story nummer 20 hebben wij een artikel geplaatst over een vermeende relatie tussen R [eiser] en MvR en het kind dat daaruit geboren zou zijn, onder de koppen: Vermeende ex-minnares M. beweert dat RTL-presentator de vader van haar kind is; 'Ik heb een ZOON van R [eiser]!'; '[de zoon] kent zijn vader alleen van de televisie…'. In Story nummer 21 hebben wij eveneens een artikel geplaatst over een vermeende relatie tussen R [eiser] en M v R en het kind dat daaruit geboren zou zijn, onder de koppen: Moeder van R's vermeende kind woedend: 'EISER IS ABSOLUUT ZIJN VADER'. Het artikel in Story nummer 20 is op de voorpagina aangekondigd met de tekst: Vermeende minnares beweert: 'R., dit is je zoon!'; Best bewaarde showbizz-geheim onthuld. Het artikel in Story nummer 21 is op de voorpagina aangekondigd met de tekst: Moeder van R's vermeende kind woedend: 'EISER IS ABSOLUUT ZIJN VADER'. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 20 juni 2002 geoordeeld dat wij door deze publicaties onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld, en heeft ons bevolen deze tekst te plaatsen. De voorzieningenrechter heeft daarbij geoordeeld dat wij het verhaal van MvR hebben gepubliceerd zonder de beweringen daarin voldoende op juistheid te onderzoeken.

De hoofdredactie van Story",

op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per editie dat niet wordt voldaan aan het ten deze te wijzen vonnis, direct na betekening hiervan met een maximum van

€ 250.000,--.

3. Veroordeelt Audax om in het eerste nummer van haar weekblad dat verschijnt in de week na de week waarin dit vonnis wordt betekend, op pagina 3, zonder verdere berichtgeving en/of commentaar ten aanzien van het in deze procedure bedoelde onderwerp op dezelfde pagina, integraal en met dezelfde lettergrootte in een kader de volgende tekst te plaatsen:

"RECTIFICATIE ARTIKEL EISER

In Weekend nummer 20 hebben wij een artikel geplaatst over een vermeende relatie tussen R [eiser] en MvR en het kind dat daaruit geboren zou zijn, onder de koppen: Heeft R [eiser] kind bij minnares?; M (35):'Dit is mijn zoontje B'; 'B wordt 20 juni 4 jaar en hij heeft zijn vader nog nooit gezien'; M eist DNA-test!. In Weekend nummer 22 hebben wij eveneens een artikel geplaatst over een vermeende relatie tussen R [eiser] en MvR en het kind dat daaruit geboren zou zijn, onder de koppen: Dit is de vrouw die R [eiser] zegt niet te kennen…; M: 'IK BEN GEMUILKORFD!'. Het artikel in Weekend nummer 20 is op de voorpagina aangekondigd met de tekst: M (35): EISER IS DE VADER VAN MIJN KIND; Leidde hij 11 jaar een dubbelleven?. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 20 juni 2002 geoordeeld dat wij door deze publicaties onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld, en heeft ons bevolen deze tekst te plaatsen. De voorzieningenrechter heeft daarbij geoordeeld dat wij het verhaal van Mv R hebben gepubliceerd zonder de beweringen daarin voldoende op juistheid te onderzoeken.

De hoofdredactie van Weekend",

op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per editie dat niet wordt voldaan aan het ten deze te wijzen vonnis, direct na betekening hiervan met een maximum van

€ 250.000,--.

4. Veroordeelt de entertainmentbladen ieder voor zich tot betaling van een voorschot op immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 10.000,-- (zegge tienduizend euro).

5. Veroordeelt Party en Sanoma hoofdelijk in de kosten van het geding jegens haar, tot heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 348,12 aan verschotten, waaronder

€ 193,= wegens vastrecht, en op € 703,= aan salaris procureur.

Veroordeelt Audax in de kosten van het geding jegens haar, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 270,56, waaronder € 193,= wegens vastrecht, en op € 703,= aan salaris procureur.

6. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

7. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Gewezen door mr. Sj.A. Rullmann, vice-president van de rechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 20 juni 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.: