Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE4130

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2002
Datum publicatie
14-06-2002
Zaaknummer
AWB 02/1602 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

In het geding met reg.nr. AWB 02/1602 BESLU

van

[verzoeker],

verzoekster,

wonende te Amsterdam,

tegen

het dagelijks bestuur van stadsdeel Amsterdam-Centrum,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A. Fidom.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter heeft op 8 april 2002 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met verzoeksters beroep van 1 mei 2002, gericht tegen het besluit van verweerder van 26 april 2002.

Ingevolge artikel 81 jo. 28 van de Verordening op de Stadsdelen in samenhang met het delegatiebesluit van de stadsdeelraad van Amsterdam d.d. 11 april 2002 treedt het dagelijks bestuur van stadsdeel Amsterdam-Centrum in deze procedure in de plaats van het College van Burgemeesters en Wethouders van de gemeente Amsterdam. In deze procedure wordt onder verweerder tevens verstaan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 17 mei 2002.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

Het verzoekschrift strekt tot schorsing van verweerders (primaire) besluit van 21 december 2001. Nu door verweerder echter op 26 april 2002 op het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar is beslist en gelet op de inhoud van het verzoekschrift en voorts op hetgeen ter zitting is besproken, wordt het verzoek geacht betrekking te hebben op het besluit van 26 april 2002 (het bestreden besluit).

Bij het besluit van 21 december 2001 (het zogenaamde verkeersbesluit) heeft verweerder besloten een tramverbinding te realiseren in de Sarphatistraat en Czaar Peterstraat en de maatregelen uit te voeren overeenkomstig het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam van 4 juli 2001 (het zogenaamde profielbesluit).

Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoeksters bezwaar tegen het verkeersbesluit ongegrond verklaard en het verkeersbesluit gehandhaafd met dien verstande dat verweerder aan de motivering van het verkeersbesluit toevoegt dat naar het oordeel van verweerder de te verwachten overlast en hinder niet dermate zwaarwegend zijn dat op grond daarvan moet worden afgezien van de aanleg van de trambaan volgens het gekozen profiel.

Uit de preambule en de inhoud van het met het bestreden besluit gehandhaafde verkeersbesluit blijkt dat het verkeersbesluit zijn grondslag - onder meer - vindt in het bovengenoemde profielbesluit en daarmee een rechtstreeks verband heeft.

De rechter stelt voorts vast dat het profielbesluit bij wijze van voorlopige voorziening op 31 mei 2002 door de voorzieningenrechter is geschorst tot de dag van bekendmaking van het opnieuw op bezwaar tegen het profielbesluit te nemen besluit.

Nu de werking van de aan het bestreden besluit onderliggende profielbesluit is geschorst, ontbeert het bestreden besluit een geldige grondslag.

Gelet op voorgaande overwegingen ziet de rechter aanleiding het bestreden besluit te schorsen tot aan de dag van de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar tegen het (geschorste) profielbesluit.

Op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient het door verzoekster gestorte griffierecht te worden vergoed.

De rechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten, nu niet is gebleken van kosten van door een derde beroepsmatig verrichte rechtsbijstand en ook overigens niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot aan de dag van de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar tegen het (geschorste) besluit van de gemeenteraad van Amsterdam d.d. 4 juli 2001;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het gestorte griffierecht ad € 109,- aan verzoekster vergoedt.

Gewezen door mr. A.W.P. Letschert, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van M. van Velzen, griffier,

en openbaar gemaakt op:

de griffier, de voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Coll:

D: