Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE3435

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-05-2002
Datum publicatie
30-05-2002
Zaaknummer
13/127279-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/127279-01

Datum uitspraak: 30 mei 2002

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, 8e meervoudige kamer C, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te Amsterdam op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 mei 2002.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

--------------

3. Waardering van het bewijs.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 22 oktober 2001 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] geslagen en die [slachtoffer] viermaal met een mes in het lichaam (links in de flank en rechts in de borst en onder de rechterribbenboog) gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat haar cliënt op het moment dat hij tijdens de worsteling het onderspit delfde en klem kwam te zitten tussen een motor en een auto onder invloed van een zodanige gemoedsbeweging verkeerde, dat hij niet in staat was zijn wil in vrijheid te bepalen, zodat hem zijn handelen niet kan worden toegerekend. Tengevolge hiervan beroept

haar cliënt zich dan ook op psychische overmacht.

De rechtbank overweegt te dien aanzien het volgende.

Niet aannemelijk is geworden dat verdachte door psychische overmacht, te weten een drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon bieden, is gedwongen tot het begaan van dit feit. In het door de psycholoog drs. A.D. Wallace over verdachte opgemaakt Pro Justitia rapport van 25 januari 2002 wordt onder meer over verdachte geconcludeerd:

"Onder extreem beladen omstandigheden, en met name in concreto wanneer familieleden, in het bijzonder zijn moeder, beledigd, aangevallen en, althans naar zijn mening, mishandeld worden, is hij geneigd tot ogenschijnlijk daadkrachtig doch hoofdzakelijk emotioneel overreageren". Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat verdachte ten tijde van het plegen van het telastegelegde blootstond aan een drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. Ook overigens is een dergelijke drang niet aannemelijk geworden.

Zelfs indien de rechtbank zou aanvaarden dat van een dergelijke onweerstaanbare drang sprake is geweest, dan rechtvaardigen de feiten en omstandigheden van dit geval niet dat een beroep op psychische overmacht gehonoreerd wordt. Die feiten en omstandigheden zijn de volgende:

a) verdachte heeft zich bewust bewapend met diverse wapens, te weten een stuk steigerpijp

en twee messen;

b) verdachte heeft een vriend te hulp geroepen en heeft hem, nadat hij was gearriveerd, een

aluminium waterpas gegeven;

c) aldus bewapend is verdachte samen met zijn vriend naar de woning van het slachtoffer,

[slachtoffer], toegegaan om verhaal te halen;

d) verdachte heeft [slachtoffer] vervolgens naar beneden geroepen teneinde met die [slachtoffer] te

gaan vechten;

e) [slachtoffer] was niet gewapend.

Aan deze opeenvolgende welbewuste keuzes doet een later, tijdens het gevecht, bij verdachte ontstane heftige gemoedsbeweging niet af. Verdachte heeft zich immers willens en wetens blootgesteld aan de invloed van een drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand zou kunnen bieden.

De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf en maatregel.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte is na een ruzie over een parkeerplaats -waarbij door het slachtoffer gescholden zou zijn op de familie van verdachte- voorzien van meerdere wapens, waaronder twee messen tezamen met een in de haast opgetrommelde vriend, naar de woning van het slachtoffer gegaan om verhaal te halen en heeft het slachtoffer op straat laten komen om met hem te gaan vechten. Daarbij heeft verdachte toen hij kennelijk aan de verliezende hand was het slachtoffer meerdere malen met een mes in het lichaam gestoken, waardoor het slachtoffer is overleden.

Verdachte heeft door zijn handelen een mens het leven ontnomen en diens nabestaanden onherstelbaar verlies doen lijden. Naast het verdriet dat de dierbaren van het slachtoffer te verwerken krijgen leidt het gedrag van verdachte ertoe dat bij anderen gevoelens van onveiligheid ontstaan c.q. al bestaande gevoelens van onveiligheid worden versterkt waardoor men zich in zijn bewegingsvrijheid beperkt voelt.

De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur van de vrijheidsbenemende straf ook het rapport van de psycholoog drs. A.D. Wallace van 25 januari 2002 omtrent verdachte laten meewegen. De rapporteur komt tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van het telastegelegde licht verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht. De rechtbank neemt deze conclusie over.

Aangezien de rechtbank anders dan de officier van justitie niet bewezen acht dat verdachte het slachtoffer heeft gedood met kalm beraad en rustig overleg- komt zij wel tot een aanzienlijk lagere straf dan geëist.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Ter zitting is gebleken dat zij de kosten lijkbezorging heeft betaald zodat vast is komen te staan dat zij als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 13.338,25 (dertienduizend driehonderd achtendertig euro en vijfentwintig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente van € 273,70 (tweehonderdendrieenzeventig euro en zeventig eurocent) zoals hieronder omschreven:

1. Wettelijke rente over € 11.410,10 vanaf 16 mei 2002;

2. Wettelijke rente over € 1.928,15 vanaf heden tot aan de dag van algehele voldoening;

Hierbij overweegt de rechtbank dat nu uit de overgelegde offerte van de kosten van het plaatsen van een gedenkteken blijkt dat dit waarschijnlijk € 1.928,15 zal gaan kosten en verdachte zich bereid heeft verklaard de kosten van lijkbezorging te voldoen, dit deel van die kosten dient op € 1.928,15 vastgesteld te worden.

De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Ten aanzien van de vordering van de kosten van rechtsbijstand overweegt de rechtbank dat deze kosten geen rechtstreekse schade behelzen welke in het kader van artikel 51a Sv kunnen worden toegewezen, zodat deze vordering in dat kader niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Op grond van het aangevoerde en gelet op het bepaalde in artikel 592a Sv bepaalt de rechtbank dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt, welke kosten op grond van het liquidatie-tarief van de rechtbank in civiele zaken wordt gewaardeerd op € 780,--. Tevens wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing:

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES JAREN.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij] wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 13.611,95 (dertienduizendenzeshonderdenelf euro en vijfennegentig eurocent).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij] voornoemd, voornoemd bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 780,-.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het [benadeelde partij], te betalen de som van € 13.611,95 (dertienduizendenzeshonderdenelf euro en vijfennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 105 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, zoals aangegeven op de onder de punten 4, 5, 6, 7, 11, 12 en 13 aan dit vonnis als bijlage aangehechte kopie van de beslaglijst.

Gelast de teruggave aan het OLVG ziekenhuis van de inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, zoals aangegeven op de onder de punten 8, 9 en 10 aan dit vonnis als bijlage aangehechte kopie van de beslaglijst.