Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE3364

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-05-2002
Datum publicatie
29-05-2002
Zaaknummer
13/126032-96
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2003:AH8558
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende overvallen in vereniging; 10 jaar gev. straf. Hoger beroep: AH8558

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/126032-96

Datum uitspraak: 29 mei 2002

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer "Geldnet", in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te Woerden op 25 november 1967,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [adres]

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 en 4 december 2001, 18 januari 2002, 4 februari 2002, 4 april 2002 en 14 en 15 mei 2002.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

Ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende.

De feiten zoals telastegelegd onder 1. en 2. zijn gepleegd in april 1996. Verdachte is hiervoor op 12 november 1996 aangehouden en in verzekering gesteld. De voorlopige hechtenis van verdachte werd met ingang van 3 februari 1997 opgeheven. Op het moment dat zich nieuwe, voor verdachte belastende, feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, zijn door het Openbaar Ministerie pogingen ondernomen om verdachte op te sporen en aan te houden, hetgeen in juni 2001 is gelukt. In de tussenliggende periode is door deskundigen onderzoek verricht.

Duur van de redelijke termijn: de redelijkheid is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

A) De ingewikkeldheid van de zaak: in onderhavige zaak is gebruik gemaakt van nieuwe, pas gedurende de loop van het onderzoek beschikbare, DNA-technieken.

B) De invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop: In casu had het Openbaar Ministerie te maken met ontkennende en zwijgende verdachten.

C) De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld: uit het dossier blijkt dat het Openbaar Ministerie onderzoekshandelingen heeft verricht zodra daartoe aanknopingspunten waren.

Gelet op onder meer voornoemde bijzondere omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank, hoewel de onderhavige zaak niet binnen 2 jaar na de - eerste - inverzekeringstelling van verdachte met een eindvonnis is afgerond, geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van het onder 1. primair telastegelegde:

op 22 april 1996 te Amsterdam en te Halfweg en te Zwanenburg, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] en [[benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 7] van het leven te beroven, met dat opzet met een of meer automatische schietwapens meermalen heeft geschoten in de richting van genoemde [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 7], welke poging tot doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, hebbende verdachte en zijn mededader(s) met een shovel, roldeuren en een roadbarrier van een pand van Geldnet, Tijnmuiden 5, geramd, waarna hij en een of meer van zijn mededader(s) met dat voertuig en een ander voertuig het pand zijn ingereden en vervolgens in het pand een deur en een muur hebben omvergereden, waarna hij, verdachte, en een of meer van zijn mededader(s) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen uit dat pand van Geldnet zakken met geld met daarin een bedrag aan geld fl. 1.766.283,--, en een hoeveelheid waardecheques voor een bedrag van fl. 127.139,--, toebehorende aan Ven Groothandel en Gamma en McDonald's en Dekamarkt, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en een of meer andere deelnemer(s) aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Ten aanzien van het onder 2. telastegelegde:

op 22 april 1996 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit dat pand van Geldnet zakken met geld met daarin een bedrag aan geld fl. 1.766.283,--, en een hoeveelheid waardecheques voor een bedrag van fl. 127.139,--, toebehorende aan Ven Groothandel en Gamma en McDonald's en Dekamarkt, waarbij hij, verdachte, en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door met een shovel roldeuren en een roadbarrier van het pand van Geldnet te rammen en met dat voertuig en een ander voertuig dat pand binnen te rijden en vervolgens in het pand een deur en een muur omver te rijden;

Ten aanzien van het onder 3. telastegelegde:

op 8 juni 2001 te Uitgeest wapens van categorie II en III, te weten pistolen, een van het merk Glock en een van het merk CZ, Ceska Zbrojovka, Tsjechië, en verlengde patroonhouders, waarvan twee van het merk Glock, zijnde een onderdeel van een vuurwapen in de zin van artikel 3 lid 1 van de wet wapens en munitie en munitie van categorie II en categorie III, te weten 52 patronen, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

4.1. Sorteerproeven

De raadsman heeft de conclusie van de sorteerproeven bestreden. Hij is van mening dat de destijds gedane proeven onbetrouwbaar zijn en niet voldoen aan de thans te stellen eisen.

De rechtbank overweegt als volgt.

In november 1996 is verdachte aan verscheidene geurproeven onderworpen, met als resultaat dat hij door drie verschillende honden is 'herkend'.

Op 6 september 2001 is [getuige A] - als biologe gepromoveerd op onderzoek naar de betrouwbaarheid van geurproeven - gehoord bij de rechter-commissaris. Aldaar heeft zij verklaard kritisch te staan tegenover de oude, destijds geldende, richtlijnen met betrekking tot sorteerproeven. Niettemin is zij de mening toegedaan dat, gegeven de kennis van toen, het goede proeven zijn geweest. Hetzelfde standpunt herhaalt zij in haar verklaring afgelegd ter terechtzitting van 4 december 2001.

De stelling van de raadsman, dat de getuige-deskundige heeft verklaard dat de geurproeven, die destijds zijn afgenomen, onbetrouwbaar zijn, mist derhalve feitelijke grondslag en dient reeds daarom te worden verworpen. De rechtbank heeft ook overigens geen aanleiding om aan te nemen dat het oordeel van de deskundige onjuist zou zijn.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

4.2. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met anderen een filiaal van Geldnet overvallen. Hierbij is op zeer brutale en gewelddadige wijze opgetreden door met een shovel het pand binnen te dringen, hetgeen de aldaar aanwezige medewerkers grote angst heeft aangejaagd. Uit het dossier is gebleken dat dit slechts na zorgvuldige planning heeft kunnen plaatsvinden.

Vervolgens is bij het verlaten van de plaats delict door de daders in een poging om de ontsnapping mogelijk te maken op niets ontziende wijze en wederom op een zeer gewelddadige manier de vlucht ingezet. De daders schroomden hierbij niet om met automatische pistolen gericht op de hen achtervolgende politie te schieten, waarbij het niet aan de daders heeft gelegen dat zich geen ernstige ongelukken hebben voorgedaan. Voor de politieagenten is dit een traumatische gebeurtenis geweest, waardoor sommige van hen zich onder psychologische behandeling hebben moeten stellen. Uit de door hen toegezonden brieven aan de rechtbank is duidelijk geworden dat zij nog geruime tijd de nadelige gevolgen van het handelen van verdachte hebben ondervonden.

Verdachte heeft wapens met munitie in zijn bezit gehad. Het voorhanden hebben van dergelijke goederen kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen, hetgeen ook moge blijken uit het onder 1 bewezen verklaarde feit.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 8 juni 2001 is verdachte reeds eerder veroordeeld voor het plegen van gewelds- en vermogensdelicten.

Misdrijven als de onderhavige veroorzaken bij de slachtoffers daarvan gevoelens van onveiligheid en brengen in de samenleving grote onrust en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Een langdurige vrijheidsbenemende straf is derhalve gerechtvaardigd.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij McDonald's restaurant, van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2. bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van EUR 4.764,69 (NLG 10.500,00). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van McDonald's restaurant voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is verder gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij Geldnet B.V., van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2. bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van EUR 11.344,51 (NLG 25.000,00). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet zo eenvoudig van aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van Geldnet B.V. voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Voorts is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij 3], van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1. bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van EUR 1.134,45 (NLG 2.500,00). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij 3] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Ten slotte is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de vorderingen van de benadeelde partijen, [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7], van zo eenvoudige aard zijn dat deze zich lenen voor de behandeling in dit strafgeding.

Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het hiervoor onder 1. bewezen geachte feit, rechtstreeks schade hebben geleden. De rechtbank waardeert deze, naar redelijkheid en billijkheid, voor elke partij afzonderlijk, op een bedrag van EUR 907,56 (NLG 2000,00). De vorderingen kunnen dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken.

In het belang van [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemden, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 288 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van poging tot doodslag, voorafgegaan van enig strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregen te verzekeren;

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Ten aanzien van feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

en,

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

en,

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij McDonald's restaurant, gevestigd op het adres Laat 147-149, 1811 ED Alkmaar, toe tot een bedrag van € 4.764,69 (VIERDUIZEND ZEVENHONDERD VIER EN ZESTIG EURO EN NEGEN EN ZESTIG EUROCENT).

Veroordeelt verdachte aan McDonald's restaurant voornoemd, voornoemd bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer McDonald's restaurant, te betalen de som van € 4.764,69 (VIERDUIZEND ZEVENHONDERD VIER EN ZESTIG EURO EN NEGEN EN ZESTIG EUROCENT), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, Geldnet B.V., gevestigd op het adres Computerweg 2 3542 DR Utrecht, toe tot een bedrag van € 11.344,51 (ELF DUIZEND DRIEHONDERD VIER EN VEERTIG EURO EN EEN EN VIJFTIG EUROCENT).

Veroordeelt verdachte aan Geldnet B.V. voornoemd, voornoemd bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer Geldnet B.V., te betalen de som van € 11.344,51 (ELF DUIZEND DRIEHONDERD VIER EN VEERTIG EURO EN EEN EN VIJFTIG EUROCENT), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 110 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3], domicilie kiezende op het adres met [adres], toe tot een bedrag van € 1.134,45 (ÉÉN DUIZEND HONDERD VIER EN DERTIG EURO EN VIJF EN VEERTIG EUROCENT).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 3] voornoemd, voornoemd bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3], te betalen de som van € 1.134,45 (ÉÉN DUIZEND HONDERD VIER EN DERTIG EURO EN VIJF EN VEERTIG EUROCENT) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 22 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4], domicilie kiezende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 907,56 (NEGENHONDERD ZEVEN EURO EN ZES EN VIJFTIG EUROCENT).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 4] voornoemd, voornoemd bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4] te betalen de som van € 907,56 (NEGENHONDERD ZEVEN EURO EN ZES EN VIJFTIG EUROCENT) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5], domicilie kiezende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 907,56 (NEGENHONDERD ZEVEN EURO EN ZES EN VIJFTIG EUROCENT).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 5] voornoemd, voornoemd bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5], te betalen de som van € 907,56 (NEGENHONDERD ZEVEN EURO EN ZES EN VIJFTIG EUROCENT) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6], domicilie kiezende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 907,56 (NEGENHONDERD ZEVEN EURO EN ZES EN VIJFTIG EUROCENT).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 6] voornoemd, voornoemd bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 6], te betalen de som van € 907,56 (NEGENHONDERD ZEVEN EURO EN ZES EN VIJFTIG EUROCENT) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde pa[benadeelde partij 7], domicilie kiezende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 907,56 (NEGENHONDERD ZEVEN EURO EN ZES EN VIJFTIG EUROCENT).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 7] voornoemd, voornoemd bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 7], te betalen de som van € 907,56 (NEGENHONDERD ZEVEN EURO EN ZES EN VIJFTIG EUROCENT) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en R. de Ruijter, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. van der Veer, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 mei 2002.