Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AE2744

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2002
Datum publicatie
21-05-2002
Zaaknummer
AWB 02/781 WOB ; AWB 02/308 WOB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nrs. AWB 02/781 WOB

AWB 02/308 WOB

van:

Vereniging De Bovengrondse, statutair gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

vertegenwoordigd door mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. E.C. Lisser en Ir. J.W. Bosch, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

1. PROCESVERLOOP

Ter griffie is op 4 maart 2002 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met verzoeksters beroepschrift van 22 januari 2002, nader aangevuld bij brief van 28 februari 2002, gericht tegen verweerders besluit van 12 december 2001 (hierna: het bestreden besluit), waarbij de bezwaren van verzoekster, gericht tegen het primaire besluit van verweerder van 26 september 2000, ongegrond zijn verklaard.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 3 mei 2002.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De rechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. Nu partijen in de uitnodiging voor de zitting zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb, en partijen ter zitting met afdoening van de hoofdzaak hebben ingestemd, bestaat er geen beletsel voor toepassing van dat artikel.

Verzoekster is een vereniging die - onder meer - ten doel heeft het tegengaan van de Noord/Zuidlijn in de gemeente Amsterdam.

Namens verzoekster is verweerder bij schrijven van 26 juni 2000 - onder meer - verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afschriften van de rapporten

1 tot en met 8 van de auditcommissie Noord/Zuidlijn (hierna: de auditrapporten) aan verzoekster te overleggen.

Bij primair besluit van 26 september 2000 heeft verweerder op grond van de artikelen 11, eerste lid, en 10, tweede lid, onder b, van de Wob geweigerd afschriften te verstrekken van de auditrapporten.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van verzoekster gericht tegen de weigering de auditrapporten te overleggen ongegrond verklaard en het primaire besluit op dit punt gehandhaafd. Slechts artikel 10, lid 2, onder b, van de Wob is nog aan het besluit ten grondslag gelegd. Verweerder heeft daartoe in navolging van de bezwarencommissie overwogen dat op dit moment enkele technisch moeilijke onderdelen van de Noord/Zuidlijn (opnieuw) worden aanbesteed. Verschillende aannemers(combinaties) hebben meegedongen naar de opdracht tot het mogen bouwen c.q. uitvoeren van delen van de Noord/Zuidlijn door een bod uit te brengen voor de uitvoering van het werk. Het in de openbaarheid brengen van de technische discussie op onderdelen van de Noord/Zuidlijn, zoals deze naar voren komt in de auditrapporten, zal, door de publiciteit die dit met zich brengt mogelijk de nodige consequenties kunnen hebben voor de beoordeling van het project door de aannemers en daarmee voor de prijs die zij vragen voor het bouwen c.q. uitvoeren van de onderdelen van de Noord/Zuidlijn waarvoor zij in aanmerking willen komen. Deze mogelijke consequenties voor de gemeente wegen naar het oordeel van verweerder zwaarder dan het belang van openbaarmaking van de rapporten.

Overwogen wordt als volgt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob.

Tussen partijen is niet in geschil dat de auditrapporten zijn aan te merken als documenten betreffende een bestuurlijke aangelegenheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob.

Verweerder heeft aan de weigering de gevraagde informatie te verstrekken (uiteindelijk) het bepaalde in artikel 10, tweede lid, onder b, van de Wob ten grondslag gelegd. Ingevolge dit artikel blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, eerste lid, onder c en d, en het tweede lid, van de Wob bedoelde bestuursorganen.

Het bestreden besluit is in het verweerschrift en ter zitting door verweerders gemachtigden nog als volgt toegelicht. De auditcommissie die de auditrapporten tot stand heeft gebracht had tot taak zo kritisch mogelijk te reageren ten aanzien van de aan haar voorgelegde rapporten inzake het ontwerp en de bouwtechnieken van de Noord/Zuidlijn. Door het in de openbaarheid brengen van de technische discussie op onderdelen is de kans aanzienlijk dat daar de nodige publiciteit aan zal worden gegeven, hetgeen consequenties zou kunnen hebben voor de beoordeling van het project door de aannemers en daarmee voor de prijs die zij rekenen. Het proces van aanbesteden verloopt zeer moeizaam. Het project wordt niet in zijn geheel aanbesteed, maar is in dertien onderdelen opgeknipt. Diverse onderdelen van het project zijn aanbesteed en de contractonderhandelingen bevinden zich inmiddels in de afrondende fase. In een aantal gevallen diende echter een nieuwe aanbesteding plaats te vinden, daar de prijs waarvoor gegadigden zich hebben ingeschreven, voor de gemeente absoluut onaanvaardbaar was. Mogelijke financiële consequenties wegen zwaar voor verweerder.

Verzoekster betwijfelt of de opgevraagde rapporten zelf informatie betreffen die door hun inhoud een weigeringsgrond opleveren als genoemd in de Wob, het gaat naar het oordeel van verzoekster veeleer om een afgeleid bezwaar: een niet nader onderbouwde angst voor de media. Voorts lijkt het erop dat de gemeente, waar de veiligheid in het geding is, de rapporten bewust achter wil houden. Ter adstructie van haar spoedeisend belang bij openbaarmaking van de in de periode van 1995 tot 1998 vervaardigde auditrapporten heeft verzoekster gesteld dat in juni 2002 door de gemeenteraad het finale besluit over aanleg van de Noord/Zuidlijn genomen zal worden en dat deze rapporten in de openbare discussie een rol zouden moeten kunnen spelen. Verweerder heeft betoogd dat het besluit over het al dan niet doorgaan van de Noord/Zuidlijn al is genomen en dat het besluit in juni 2002 betrekking heeft op extra financiering van de Noord/Zuidlijn. Tot verstrekking van de auditrapporten kan worden overgegaan, zodra de aanbesteding van de resterende onderdelen van het project een feit is. Naar verwachting zal dit het derde kwartaal van dit jaar het geval zijn, aldus verweerder.

De rechter heeft van beide partijen toestemming gekregen om kennis te nemen van de desbetreffende stukken en om op de voet van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb op grondslag van deze stukken uitspraak te doen. Gelezen de betreffende stukken is de rechter van oordeel dat niet is uitgesloten dat, gelet op de gegevens waarom het hier gaat, openbaarmaking uiteindelijk de onderhandelingspositie van de gemeente zou kunnen schaden. Blijkens de Memorie van Toelichting op artikel 10, tweede lid, sub b, van de Wob is verstoring van de aanbestedingsprocedure een situatie waarin de economische en financiële belangen van de overheid in het geding kunnen zijn. Daarbij is van belang dat de auditrapporten zijn opgesteld als kritische begeleiding en technische kritiek op de uitvoering van het Noord/Zuidlijn-project en dat een deel van de door de auditcommissie gesignaleerde problemen en opmerkingen door wijziging van projectonderdelen zijn achterhaald. Onder die omstandigheden weegt het belang dat de auditrapporten in de publieke discussie mogelijkerwijs een rol kunnen spelen bij (verdere) besluitvorming over de Noord/Zuidlijn niet op tegen de financiële belangen van de gemeente bij het aanbestedingsproces. De economische en/of financiële belangen van de gemeente bij het achterhouden van de rapporten dienen dan ook zwaarder te wegen dan de belangen die verzoekster heeft bij onmiddellijke openbaarmaking van de auditrapporten.

Daarbij is tevens van belang dat verweerder de auditrapporten openbaar zal maken, zodra het proces van aanbesteding is afgerond.

Verweerder heeft het bestreden besluit derhalve terecht doen steunen op het bepaalde in artikel 10, tweede lid, onder b, van de Wob. Gelet op het vorenstaande zal het beroep van verzoekster ongegrond worden verklaard.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Voorts wordt geen aanleiding gevonden om gebruik te maken van de bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is een grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Gewezen door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.W. Vriethoff, griffier,

en openbaar gemaakt op:

de griffier, de voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak kunnen, voor zover deze betreft het oordeel in de hoofdzaak

(reg.nr. AWB 02/302 WOB) een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na de datum van toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

DOC:

C: