Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AD9894

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-01-2002
Datum publicatie
11-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/2779 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afbouwen toeslag in het kader van de Wet BEU in strijd met EVSZ.

Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Verweerder heeft eiser medegedeeld dat de toeslag op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering in het kader van art. 4a jo. XI Wet BEU gedurende drie jaar zal worden afgebouwd.

De rechtbank is van oordeel dat de toeslag ingevolge de TW, die eiser op zijn WAO-uitkering ontvangt, valt binnen de termen van art. 1, onder v, art. 2, eerste lid, aanhef en sub b en art. 3, eerste lid, van het EVSZ. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de toeslag voor de toepassing van het Verdrag op dezelfde wijze dient te worden behandeld als de "onderliggende" WAO-uitkering.

Artikel 11, eerste lid, van het EVSZ luidt als volgt:

"Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkeringen bij overlijden (in de authentieke Engelse tekst: "invalidity cash benefits, old-age survivors' cash benefits, pensions in respect of occupational injuries or diseases, nor death grants"), verkregen op grond van een wettelijke regeling van één of meer Verdragsluitende Partijen, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij woont dan die, op het grondgebied waarvan het orgaan is gevestigd dat deze uitkering verschuldigd is."

Het tweede lid van art. 11 voorziet in een bijzondere regeling voor uitkeringen vermeld in Bijlage IV bij het EVSZ. Nederland heeft slechts de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) in Bijlage IV doen opnemen.

Het derde lid van art. 11 voorziet in een uitzondering op de in het eerste lid neergelegde regeling voor bepaalde uitkeringen van niet-contributieve aard. Zoals uit de aanhef van het derde lid blijkt kan deze uitzondering evenwel slechts gelden voor uitkeringen die zijn vermeld in Bijlage VI bij het EVSZ. Nederland heeft slechts de Wajong in Bijlage VI doen opnemen.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat in casu de hoofdregel van art. 11.1 EVSZ geldt. Deze bepaling verzet zich ertegen dat verweerder de WAO-uitkering van eiser afbouwt of intrekt omdat hij in Turkije woont. Aangezien de toeslag ingevolge de TW op de WAO-uitkering op dezelfde wijze dient te worden behandeld als de "onderliggende" WAO-uitkering, staat deze bepaling evenzeer in de weg aan het afbouwen of intrekken van eisers toeslag.

Verweerder heeft in de onderhavige procedure aangevoerd dat een toeslag op grond van. de TW geen zelfstandige prestatie bij invaliditeit is, doch een aanvulling op een uitkering bij invaliditeit. Voor zover verweerder hiermee heeft bedoeld te betogen dat de toeslag niet valt onder de materiële werkingssfeer van het EVSZ kan de rechtbank verweerder hierin niet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank miskent verweerder dat art. 1, onder v, van het EVSZ uitdrukkelijk bepaalt dat onder "uitkering" niet alleen de uitkering zelf moet worden verstaan, maar ook alle bedragen ten laste van de openbare middelen en alle verhogingen, uitkeringen in verband met aanpassingen aan het loon- of prijsniveau of bijkomende uitkeringen, alsmede prestaties bedoeld om de verdiencapaciteit te handhaven of te verbeteren. Naar het oordeel van de rechtbank valt een uitkering ingevolge de TW in een situatie als de onderhavige onder deze noemer. In casu dient de toeslag te worden aangemerkt als een aanvulling op de WAO-uitkering en de TW als een wet die een aanvulling vormt op de WAO. Dat op grond van. de TW ook een aanvulling op een andere loondervingsuitkering dan de WAO kan worden verkregen, doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af. Het kan niet zo zijn dat wanneer de nationale wetgever besluit de aanvulling op twee of meer door het EVSZ bestreken soorten uitkeringen in één wettelijke regeling neer te leggen, deze aanvulling daarmee buiten de werkingssfeer van het EVSZ komt te vallen.

Voor zover verweerder heeft bedoeld te betogen dat de TW niet onder de werking van het EVSZ valt omdat het hier een voorziening betreft en geen verzekering, onderschrijft de rechtbank dit standpunt ook niet. Noch in art. 1, onder v, noch elders in het EVSZ worden voorzieningen uitgesloten van de werking van het EVSZ. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het EVSZ alleen van toepassing te achten op aanvullingen op verzekeringen die zelf ook het karakter van een verzekering hebben.

De rechtbank wijst er in dit verband op dat artikel 1, onder v, van het EVSZ uitdrukkelijk spreekt van bedragen ten laste van de openbare middelen. Waar verzekeringen in het algemeen niet vanuit de openbare middelen worden gefinancierd ligt het niet voor de hand te veronderstellen dat het EVSZ louter ziet op verzekeringen.

Beroep gegrond.

Europees Verdrag inzake Sociale Zekerheid (Trb. 1976, 158, EVSZ) 1.v, 2.1.b, 3.1

Wet Beperking Export Uitkeringen (Wet BEU) 4a, XI

Wetsverwijzingen
Toeslagenwet 4a, geldigheid: 2002-01-24
Wet beperking export uitkeringen XI, geldigheid: 2002-01-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 01/2779 TW

van:

A., wonende in Turkije,

eiser,

tegen:

het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 8 mei 2001 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van 3 april 2001, namens het Landelijk instituut sociale verzekeringen genomen door Gak Nederland bv.

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Invoeringswet Wet SUWI) treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in deze procedure in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het Landelijk instituut sociale verzekeringen.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 30 november 2001.

2. OVERWEGINGEN

Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarnaast ontvangt hij een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW). Bij besluit van 28 november 2000 heeft verweerder aangegeven deze toeslag in drie jaar te zullen afbouwen; over het jaar 2000 ontvangt eiser nog het volledige bedrag van de toeslag, over het jaar 2001 ontvangt hij 2/3 daarvan, over het jaar 2002 1/3 en over 2003 niets meer. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit van 28 november 2000 gehandhaafd.

Op 1 januari 2000 is de Wet Beperking Export Uitkeringen (Wet BEU) in werking getreden. Via deze wet is in de TW een nieuw artikel 4a geïntroduceerd. Het eerste lid van dit artikel luidt als volgt:

“Geen recht op toeslag heeft de persoon, bedoeld in artikel 2, gedurende de periode dat hij niet in Nederland woont.”

Voor personen die op 1 januari 2000 al recht hadden op een toeslag en die op dat moment al buiten Nederland woonden heeft de wetgever een overgangsregeling getroffen. Deze overgangsregeling, die is neergelegd in artikel XI van de Wet BEU, luidt als volgt:

“In afwijking van artikel 4a van de Toeslagenwet wordt aan de persoon, die op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 2 van de Toeslagenwet recht heeft op een toeslag en op die dag niet woont in Nederland:

a. gedurende het eerste jaar na inwerkingtreding van deze wet het bedrag uitbetaald waarop recht zou bestaan indien betrokkene in Nederland zou wonen;

b. gedurende het tweede jaar na inwerkingtreding van deze wet twee derden van het bedrag uitbetaald waarop recht zou bestaan indien betrokkene in Nederland zou wonen;

c. gedurende het derde jaar na inwerkingtreding van deze wet een derde van het bedrag uitbetaald waarop recht zou bestaan indien betrokkene in Nederland zou wonen.”

Het bestreden besluit is gebaseerd op deze overgangsregeling.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij wegens ziekte kosten moet maken en geeft aan dat hij zich in een financieel moeilijke situatie verkeert. Omdat de toeslag zal worden beëindigd is eiser van mening dat er sprake is van onrechtvaardige behandeling.

Verweerder heeft aangevoerd dat in het onderhavige geding acht dient te worden geslagen op het Europees Verdrag inzake Sociale Zekerheid (Trb. 1976, 158, EVSZ), dat voor zover hier van belang in de plaats is getreden van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije (Trb. 1966, 155 en 1980,164). Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in overeenstemming is met de toepasselijke bepalingen van het EVSZ.

De rechtbank is van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan van belang is of verweerder, door de hiervoor aangehaalde overgangsregeling toe te passen, heeft gehandeld in overeenstemming met de relevante bepalingen van het EVSZ. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Voor zover hier van belang bepaalt artikel 1, onder v, van het EVSZ dat onder “prestaties”, ”uitkeringen”, “verstrekkingen” en “pensioenen” (in de authentieke Engelse tekst: “benefits and pensions”) moeten worden verstaan alle prestaties, uitkeringen, verstrekkingen, pensioenen en renten, met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen en alle verhogingen, uitkeringen in verband met aanpassingen aan het loon- of prijsniveau of bijkomende uitkeringen, tenzij het EVSZ anders bepaalt, alsmede prestaties bedoeld om de verdiencapaciteit te handhaven of te verbeteren, als afkoopsom uitgekeerde bedragen welke in de plaats kunnen treden van pensioenen of renten en eventuele terugstortingen van premies of bijdragen.

Artikel 2, eerste lid, aanhef en sub b, bepaalt dat het EVSZ van toepassing is op alle wettelijke regelingen betreffende de prestaties bij invaliditeit (in de authentieke Engelse tekst: “invalidity benefits”).

Artikel 2, tweede lid, bepaalt voor zover hier van belang dat het EVSZ van toepassing is op de algemene en bijzondere stelsels van sociale zekerheid, van contributieve of niet-contributieve aard.

Artikel 3, eerste lid, bepaalt dat in Bijlage II voor elke Verdragsluitende Partij de wettelijke regelingen en stelsels, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, worden vermeld. In de aanhef van Bijlage II wordt aangegeven dat wanneer in deze bijlage een opsomming van bepaalde wetten voorkomt, daaronder tevens geacht wordt te zijn begrepen iedere wettelijke regeling waarbij deze wetten gecodificeerd, gewijzigd, aangevuld of in werking gesteld worden.

Voor zover hier van belang worden voor wat betreft Nederland in Bijlage II genoemd “de prestaties bij arbeidsongeschiktheid (invaliditeit, arbeidsongevallen en beroepsziekten)” (in de authentieke Engelse tekst: “benefits for incapacity for work (invalidity, occupational injuries and diseases)”).

De rechtbank is van oordeel dat de toeslag ingevolge de TW, die eiser op zijn WAO-uitkering ontvangt, valt binnen de termen van de hiervoor genoemde bepalingen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit bovenstaande bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, voortvloeit dat de toeslag voor de toepassing van het Verdrag op dezelfde wijze dient te worden behandeld als de “onderliggende” WAO-uitkering.

Artikel 11, eerste lid, van het EVSZ luidt als volgt:

“Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkeringen bij overlijden (in de authentieke Engelse tekst: “invalidity cash benefits, old-age survivors’ cash benefits, pensions in respect of occupational injuries or diseases, nor death grants”), verkregen op grond van een wettelijke regeling van één of meer Verdragsluitende Partijen, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij woont dan die, op het grondgebied waarvan het orgaan is gevestigd dat deze uitkering verschuldigd is.”

Het tweede lid van artikel 11 voorziet in een bijzondere regeling voor uitkeringen vermeld in Bijlage IV bij het EVSZ. Nederland heeft slechts de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) in Bijlage IV doen opnemen.

Het derde lid van artikel 11 voorziet in een uitzondering op de in het eerste lid neergelegde regeling voor bepaalde uitkeringen van niet-contributieve aard. Zoals uit de aanhef van het derde lid blijkt kan deze uitzondering evenwel slechts gelden voor uitkeringen die zijn vermeld in Bijlage VI bij het EVSZ. Nederland heeft slechts de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) in Bijlage VI doen opnemen.

Gezien het voorgaande geldt in casu de hoofdregel van artikel 11, eerste lid, van het EVSZ. Deze bepaling verzet zich ertegen dat verweerder de WAO-uitkering van eiser afbouwt of intrekt omdat hij in Turkije woont. Aangezien, zoals hiervoor aangegeven, de toeslag ingevolge de TW op de WAO-uitkering op dezelfde wijze dient te worden behandeld als de “onderliggende” WAO-uitkering, staat deze bepaling evenzeer in de weg aan het afbouwen of intrekken van eisers toeslag. Verweerder lijkt dit blijkens zijn mededeling M 99.067 van 25 juni 1999 aanvankelijk ook te hebben onderkend. De rechtbank neemt daarbij aan dat verweerder, waar hij in die mededeling melding heeft gemaakt van bilaterale verdragen, mede het oog heeft gehad op een multilateraal verdrag als het EVSZ dat in de relatie tot bepaalde landen (deels) in de plaats is gekomen van een bilateraal verdrag. In zijn mededeling M 00.092 van 8 augustus 2000 heeft verweerder echter het standpunt ingenomen dat de via de Wet BEU in de TW opgenomen exportbeperking onverkort geldt voor de gerechtigde die woont in een land waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten. Verweerder heeft de wijziging van zijn standpunt in M 00.092 op geen enkele wijze onderbouwd.

Verweerder heeft in de onderhavige procedure aangevoerd dat een toeslag op grond van de TW geen zelfstandige prestatie bij invaliditeit is, doch een aanvulling op een uitkering bij invaliditeit. Voor zover verweerder hiermee heeft bedoeld te betogen dat de toeslag niet valt onder de materiële werkingssfeer van het EVSZ kan de rechtbank verweerder hierin niet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank miskent verweerder dat artikel 1, onder v, van het EVSZ uitdrukkelijk bepaalt dat onder “uitkering” niet alleen de uitkering zelf moet worden verstaan, maar ook alle bedragen ten laste van de openbare middelen en alle verhogingen, uitkeringen in verband met aanpassingen aan het loon- of prijsniveau of bijkomende uitkeringen, alsmede prestaties bedoeld om de verdiencapaciteit te handhaven of te verbeteren. Naar het oordeel van de rechtbank valt een uitkering ingevolge de TW in een situatie als de onderhavige onder deze noemer. In casu dient de toeslag te worden aangemerkt als een aanvulling op de WAO-uitkering en de TW als een wet die een aanvulling vormt op de WAO. Dat op grond van de TW ook een aanvulling op een andere loondervingsuitkering dan de WAO kan worden verkregen, doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af. Het kan niet zo zijn dat wanneer de nationale wetgever besluit de aanvulling op twee of meer door het EVSZ bestreken soorten uitkeringen in één wettelijke regeling neer te leggen, deze aanvulling daarmee buiten de werkingssfeer van het EVSZ komt te vallen.

Voor zover verweerder heeft bedoeld te betogen dat de TW niet onder de werking van het EVSZ valt omdat het hier een voorziening betreft en geen verzekering, onderschrijft de rechtbank dit standpunt ook niet. Noch in artikel 1, onder v, noch elders in het EVSZ worden voorzieningen uitgesloten van de werking van het EVSZ. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het EVSZ alleen van toepassing te achten op aanvullingen op verzekeringen die zelf ook het karakter van een verzekering hebben.

De rechtbank wijst er in dit verband op dat artikel 1, onder v, van het EVSZ uitdrukkelijk spreekt van bedragen ten laste van de openbare middelen. Waar verzekeringen in het algemeen niet vanuit de openbare middelen worden gefinancierd ligt het niet voor de hand te veronderstellen dat het EVSZ louter ziet op verzekeringen.

Nu uit het bovenstaande reeds voortvloeit dat het beroep van eiser gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd, kan en zal de rechtbank de door eiser tegen het bestreden besluit aangevoerde grieven onbesproken laten.

Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiser betaalde griffierecht ad € 27,- te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ad € 27,- vergoedt.

Gewezen door mr. E.E.V. Lenos, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.L. Gleusteen, griffier,

en uitgesproken in het openbaar op: 24 januari 2002

door mr. E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep in Utrecht.

Afschrift verzonden op: 24 januari 2002

AK