Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AD8719

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2002
Datum publicatie
31-01-2002
Zaaknummer
13/118012-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

Parketnummer: 13/118012-01

Datum uitspraak: 29 januari 2002

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank in het arrondissement Amsterdam, vijfde meervoudige kamer CD, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en -datum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres en woonplaats].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

15 januari 2002.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht.

De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

-----

3. Waardering van het bewijs.

3.1. Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte betoogd, dat, bij gebreke van nader onderzoek, niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte kort voor het ongeval met een snelheid van 104 kilometer per uur heeft gereden.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer van de raadsman het volgende.

De nauwkeurigheid van de logicbox hangt met name af van de afstemming van de logicbox op het voertuig. Hiervoor bestaat een protocol, dat in casu bij het inbouwen van de logicbox

- volgens de leverancier van de ambulance - niet gevolgd is. Indien de afstemming correct was, kan volgens het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) worden geconcludeerd dat de ambulance enkele seconden voor de botsing een snelheid van circa 104 kilometer per uur heeft gehad.

Blijkens de conclusie van het deskundigenrapport van het NFI d.d. 28 september 2001 is er een aanwijzing dat de afstemming van de logicbox op de ambulance wel degelijk correct was. Er zijn bovendien geen aanwijzingen dat deze afstemming niet correct zou zijn en daarom gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte kort voor het ongeval met een snelheid van omstreeks 104 kilometer per uur heeft gereden.

3.2. Tevens heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het telastegelegde, nu verdachte op grond van artikel 91 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (hierna: RVV) niet gehouden was aan de bepalingen van dat reglement. De door verdachte genomen risico's vinden hun rechtvaardiging in het voldoen aan de spoedopdracht; derhalve moeten deze risico's als geoorloofde risico's worden beschouwd.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De voor iedere verkeersdeelnemer geldende grondnorm is het niet in gevaar brengen van de verkeersveiligheid. Hoewel bestuurders van voorrangsvoertuigen in de uitoefening van een dringende taak worden vrijgesteld van het naleven van de regels van het RVV blijft op hen nog steeds de verplichting rusten de verkeersveiligheid niet in gevaar te brengen. De door de raadsman aangevoerde spanning tussen twee tegenstrijdige verplichtingen van chauffeurs van voorrangsvoertuigen (te weten: het voertuig zo snel mogelijk op de gevraagde plaats brengen en de verkeersveiligheid niet in gevaar brengen) mag er niet toe leiden dat een bestuurder van een voorrangsvoertuig, teneinde zo snel mogelijk ter plaatse te zijn, dermate grote risico's neemt dat hij niet meer in staat is om adequaat te reageren op het - in casu te verwachten - gedrag van medeweggebruikers. In zoverre prevaleert het belang van de verkeersveiligheid.

3.3. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair telastegelegde heeft begaan.

Verdachte heeft zich op 26 september 2000 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een ambulanceauto (gekentekend PV-GT-24), terwijl hij over de Klaprozenweg reed, zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig, gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten onder meer ernstig hersenletsel en een open beenbreuk en een bekkenbreuk) werd toegebracht, welk zwaar lichamelijk letsel ertoe heeft geleid dat die [slachtoffer] op 6 juli 2001 omstreeks 07.30 uur is overleden.

Zijn gedrag heeft bestaan uit het volgende.

In verband met een dringende taak, te weten een A1 spoedopdracht, reed verdachte als bestuurder van die ambulanceauto, zijnde een voertuig in dienst van de GGenGD van de gemeente Amsterdam waarvan de geluids- en optische signalen (i.c. zwaailicht en sirene) in werking waren, binnen de bebouwde kom over de Klaprozenweg. Het wegdek was nat door regenval. Verdachte kwam uit de richting van de IJtunnel en ging in de richting van de Meteorenweg en reed met een snelheid van omstreeks 104 kilometer per uur. Bij nadering van de kruising van de Klaprozenweg met de Ataturk heeft verdachte, zonder tijdig en/of voldoende rekening te houden met de mogelijkheid dat het verkeer ter hoogte van die kruising de ambulanceauto, ondanks de daarvan in werking zijnde geluids- en optische signalen, niet zag naderen of niet kon zien naderen en/of niet hoorde naderen en/of niet kon horen naderen en zonder tijdig en/of voldoende rekening te houden met het natte wegdek, terwijl hij tijdig had gezien dat een personenauto (bestuurd door [slachtoffer] voornoemd) op de Ataturk voor die kruising had stilgestaan en vervolgens die kruising was opgereden, niet de snelheid van de ambulanceauto, in het belang van een veilig verkeer ter plaatse, aangepast. Vervolgens is verdachte, rijdend met die gevaarlijk hoge snelheid en gekomen op korte afstand van de kruising van de Klaprozenweg met de Ataturk, toen die door [slachtoffer] bestuurde personenauto vanaf de Ataturk, voor hem, verdachte, van rechts, door het voor

[slachtoffer] groen licht uitstralende verkeerslicht die kruising was opgereden, met die ambulanceauto, zonder tijdig en voldoende te remmen, door het ter hoogte van die kruising geplaatste, voor hem bestemde, in zijn richting rood licht uitstralende verkeerslicht gereden. Hij heeft op die kruising niet tijdig en/of voldoende kunnen uitwijken voor die door

[slachtoffer] bestuurde personenauto. Verdachte is hierdoor met die door hem bestuurde ambulanceauto tegen die door [slachtoffer] bestuurde personenauto aangereden.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende naar voren gekomen.

Verdachte is als bestuurder van een ambulanceauto op een nat wegdek en met zeer hoge snelheid het betreffende kruispunt (dat hij rechtdoor gaand wilde oversteken) genaderd en is vervolgens door rood licht gereden. Verdachte heeft, ondanks het feit dat hij vol op zijn rem ging staan, niet tijdig tot stilstand kunnen komen of kunnen uitwijken voor een van rechts bij groen licht oprijdende auto ([slachtoffer]).

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij met hoge snelheid over de Klaprozenweg heeft gereden. Hij wist dat het wegdek nat was, als gevolg van regenval. Verdachte sluit niet uit dat hij kort voor het ongeval met een snelheid van 104 kilometer per uur heeft gereden en dat hij, terwijl hij het licht op oranje zag springen wellicht nog gas bij heeft gegeven. Pas toen het licht op rood sprong heeft hij het gaspedaal losgelaten. Kort daarna zag verdachte een auto van rechts in beweging komen. Eerst heeft verdachte zich nog afgevraagd of de bestuurder van genoemde auto de ambulance zag naderen en verdachte is pas gaan remmen toen het al te laat was.

Uit de verklaring van verdachte, alsook uit de verklaring van getuige [1] blijkt dat [slachtoffer] in het geheel niet heeft gereageerd op deze naderende ambulanceauto, hetgeen erop wijst dat hij de ambulanceauto niet heeft zien en/of horen aankomen.

Verdachtes rijgedrag dient als aanmerkelijk onvoorzichtig te worden aangemerkt. Hieraan kan niet afdoen dat verdachte geluids- en optische signalen voerde. Verdachte had onverkort rekening dienen te houden met het algemeen bekende feit dat medeweggebruikers lang niet altijd (tijdig) die signalen onderkennen respectievelijk de herkomst daarvan kunnen identificeren respectievelijk daarop tijdig kunnen reageren, en in zijn rijgedrag een adequate reactiemogelijkheid moeten inbouwen voor het geval een medeweggebruiker, vertrouwende op het voor hem groene verkeerslicht, zich op de kruising zou begeven. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte op twee momenten een dergelijke adequate reactiemogelijkheid kunnen inbouwen, te weten het moment waarop hij, terwijl hij een kruispunt naderde, het licht op oranje zag springen en vervolgens het moment dat verdachte het licht op rood zag springen en kort daarna een auto zag optrekken. Verdachte had op tenminste één van deze momenten zodanig moeten bijremmen dat hij, indien nodig, een noodstop kon maken. Dit heeft verdachte nagelaten.

5. De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is als bestuurder van een ambulanceauto met geluids- en optische signalen, met een zeer hoge snelheid een kruising genaderd en door rood licht gereden. Verdachte heeft, ondanks het feit dat hij vol op de rem ging staan, niet tijdig tot stilstand kunnen komen of kunnen uitwijken voor de van rechts komende (door groen licht rijdende) auto. Hierdoor is de ambulanceauto in botsing gekomen met de personenauto van [slachtoffer]. Door dit tragische ongeval is [slachtoffer] zwaargewond geraakt. Op 6 juli 2001 is hij aan zijn verwondingen overleden.

De rechtbank verwijt verdachte met name dat hij zijn snelheid niet dusdanig heeft aangepast dat hij, indien nodig, adequaat had kunnen reageren op de voor hem tijdig voordat hij op de kruising reed, zichtbare personenauto van [slachtoffer]. Door de hoge snelheid waarmee verdachte reed kon hij geen noodstop meer maken.

Desgevraagd verklaarde verdachte niet anders te zijn gaan rijden na dit tragische ongeval. Hetgeen verdachte hierover heeft opgemerkt ter terechtzitting, getuigt niet van enig inzicht in de keuzemogelijkheden waarover hij beschikt. Ook ambulancechauffeurs zoals verdachte die op weg zijn naar een spoedgeval, dienen een belangenafweging te maken en niet zonder meer een korte aanrijtijd te laten prevaleren boven de verkeersveiligheid.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte in het kader van zijn werk op weg was naar een spoedgeval, waarbij van hem werd verwacht dat hij zo snel mogelijk ter plaatse zou zijn.

De rechtbank is desalniettemin van oordeel dat de eis van de officier van justitie geen recht doet aan de ernst van het feit.

Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de fatale gevolgen voor het slachtoffer, zal de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur, doch geheel voorwaardelijk, aan verdachte opleggen.

Als bijkomende straf dient in beginsel tevens een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, te worden opgelegd. Hierbij weegt ook mee dat verdachte ter zitting geen blijk heeft gegeven van inzicht in zijn schuld aan de hem verweten gedragingen. In de omstandigheid dat verdachte, terwijl hij al ruim dertien jaar werkzaam is als beroepschauffeur, niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld, ziet de rechtbank echter aanleiding deze bijkomende straf geheel voorwaardelijk aan verdachte op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.3. is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

§ Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand.

Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes (6) maanden.

Beveelt dat deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2002.