Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2002:AD8288

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-01-2002
Datum publicatie
18-01-2002
Zaaknummer
H 00.2742 1.2116 (SH)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2002/79

Uitspraak

H 00.2742

1.2116 (SH)

9 januari 2002

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM

EERSTE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER

VONNIS

i n d e z a a k v a n:

1. [eiser]

2. [eiseres],

beiden wonende te [woonplaats],

handelend als wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige

[betrokkene],

e i s e r s ,

procureur mr. P.J. van der Vlerk,

t e g e n:

de stichting [gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

g e d a a g d e ,

procureur mr. M.T.H. de Gaay Fortman.

Partijen worden hie[eiser]ser]. en [gedaagde] genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- dagvaar-ding van 13 oktober 2000,

- conclusie van eis, met bewijsstukken,

- conclusie van antwoord, met bewijsstukken,

- conclusie van repliek, met bewijsstukken,

- conclusie van dupliek, met bewijsstukken,

- akte uitlating producties,

- pleidooi dat gehouden is op 22 november 2001, het daarvan opgemaakte proces-verbaal, pleitnotities van de raadslieden van [eiser] en [gedaagde], met de ter gelegenheid van het pleidooi overgelegde producties,

- verzoek vonnis wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, als-mede op grond van de in zoverre niet bestreden in-houd van overgelegde bewijs-stuk-ken, staat het volgende vast.

a. [eiser]. zijn de ouders van de op 11 juni 1991 te [woonplaats] geboren [betrokkene]).

b. [gedaagde] bestuurt een aantal protestants christelijke scholen te [woonplaats] en omgeving, waaronder de christelijke basisschool De Regenboog, gevestigd aan de [adres] te [woonplaats] (verder: De Regenboog).

c. [betrokkene] is meervoudig gehandicapt. Haar handicap is zowel van verstandelijke als licha-melijke aard. Door haar verstandelijke handicap heeft zij een leer - en ontwikkelings-achterstand. Zij heeft een ernstige spraak-taalstoornis en kan op dit ogenblijk nauwelijks spreken, maar communiceert door middel van klanken, woordjes en gebaren. Zij laat merken een redelijk grote passieve woordenschat te hebben. [betrokkene] heeft een motorische ontwikkelingsachterstand zich uitende in slechte balans, beperkte spierspanning en co-ördinatieproblematiek

d. [betrokkene] is op 29 september 1995 ingeschreven als leerlinge van De Regenboog. Zij heeft vanaf die datum in de gecombineerde groep één/twee gezeten.

e. Op 29 november 1996 heeft [gedaagde] [eiser]. meegedeeld dat de deelname van [betrokkene] aan het onderwijs aan De Regenboog in het cursusjaar 1997/1998 niet meer wenselijk is.

f. [betrokkene] is op 24 april 1997 door de toelatingscommissie van de Tyltylschool in [woonplaats] toelaatbaar bevonden, waarna [betrokkene] is toegelaten tot de Tyltylschool voor het cursusjaar 1997/1998. De Tyltylschool is een speciale school voor zwaar en meervoudig gehandicapte kinderen, waar op het desbetreffende kind gerichte voorzie-ningen worden getroffen.

g. Op 16 mei 1997 heeft De Regenboog aan [eiser]. meegedeeld dat [betrokkene] het ko-mende schooljaar niet meer welkom is.

h. Bij brief van 29 mei 1997 hebben [eiser]. [gedaagde] verzocht om deeltijdonderwijs op De Regenboog in combinatie met onderwijs op de Tyltylschool.

i. Na overleg tussen De Regenboog en [eiser]. heeft [betrokkene] vanaf september 1997 één middag (2 uur) per week De Regenboog bezocht in combinatie met het door haar ge-volgde onderwijs op de Tyltylschool. Deze situatie heeft voortgeduurd tot het schooljaar 2001/2002.

j. Naar aanleiding van een aantal op De Regenboog gerezen problemen heeft op 8 januari 1998 een gesprek plaatsgevonden tussen de ouders van [betrokkene], [gedaagde], en de inspec-teur voor speciaal onderwijs. De gemaakte afspraken zijn neergelegd in een brief van de inspecteur van 26 januari 1998.

k. Bij brief van 18 oktober 1999 hebben [eiser]. [betrokkene] voor volledig onderwijs aan-gemeld bij De Regenboog.

l. Bij brief van 10 januari 2000 heeft [gedaagde] onder meer aan [eiser]. het volgende geschreven, voorzover van belang:

m. Bij brief van 24 januari 2000 hebben [eiser]. tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

n. Bij beslissing van 4 april 2000 heeft [gedaagde] de bezwaren van [eiser]. ongegrond verklaard.

o. Met ingang van het schooljaar 2001/2002 zit [betrokkene] op de (reguliere) basisschool De @rchipel te [woonplaats].

2. De vordering

2.1 [eiser]. vorderen:

I. voor recht te verklaren dat de afwijzing van [gedaagde] [betrokkene] op hun verzoek als leerling toe te laten jegens [betrokkene] onrechtmatig is;

II. Primair:

[betrokkene] binnen twee weken na betekening van dit vonnis als leerling op De Regen-boog toe te laten;

Subsidiair:

[gedaagde] te bevelen binnen één maand na dit vonnis opnieuw op hun toelatings-verzoek te beslissen met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing op het onder I. gevorderde hebben geleid;

III. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.2 [eiser]. leggen aan hun eis ten grondslag dat in beginsel de instelling voor regu-lier/bijzonder onderwijs, zoals [gedaagde], een gehandicapte leerling, zoals [betrokkene], desge-wenst zal moeten toelaten, tenzij dat van hen in redelijkheid niet kan worden gevraagd. Op de school rust de verplichting ten aanzien van de leerlingen die bijzondere zorg behoeven het onderwijs in te richten op basis van individuele begeleiding (artikel 8 Wet Primair On-derwijs (WPO)). [eiser]. stellen dat [gedaagde] niet heeft kunnen aantonen dat van hen het onmogelijke wordt gevraag indien [betrokkene] zou worden toegelaten. [gedaagde] heeft vol-strekt onvoldoende het belang van [betrokkene] in de afweging betrokken, terwijl dat belang zeer zwaar had behoren te wegen. De toelatingsbezwaren van [gedaagde] zijn of niet relevant of te abstract geformuleerd. De afwijzing van [gedaagde] is daarmee ten opzichte van hen en [betrokkene] onrechtmatig en [betrokkene] lijdt daardoor schade in haar ontplooiingskansen.

2.3. Volgens [eiser]. is De Regenboog de meest aangewezen basisschool voor [betrokkene] omdat:

- [betrokkene] hier sinds 1995 bekend is;

- [betrokkene] op deze basisschool vriendjes en vriendinnetjes heeft;

- De Regenboog kleine klassen heeft (gemiddeld 19 leerlingen);

- De Regenboog zich aan het omvormen is tot basisschool op Dalton-wijze en veel doet aan zorgverbreding en tutorbegeleidingen;

- De Regenboog het tot haar taak ziet, aldus de schoolgids, de kinderen in contact te brengen met kinderen die gehandicapt of chronisch ziek zijn (Schoolgids 3.1.4.2.);

- de docenten van De Regenboog bekend zijn met de bijzondere aspecten die voor [betrokkene] van belang zijn;

- [betrokkene] als leerling op de basisschool De Regenboog aanvaard is geweest in de cur-susjaren 1995 tot 1997.

2.4. [eiser]. verwijzen in dit verband naar een verslag van 6 april 2000 van [getuige], orthopedagoog. Hierin staat onder meer:

" Samenvattend zowel ten aanzien van de cognitieve en sociaal emotionele ontwikkeling van [betrokkene] zie ik grote voordelen verbonden aan toelating op een reguliere school.

[betrokkene] kan veel, maar moet daarvoor gestimuleerd worden. In een omgeving met uitsluitend laag functi-onerende kinderen, maar ook tussen uitsluitend volwassenen ervaart [betrokkene] geen stimulans, neigt ze naar ongewenst en obstruerend gedrag en wordt ze eenzaam, verdrietig en onhandelbaar. In de nabijheid van leeftijdgenootjes zonder bijzondere beperkingen is [betrokkene] een heel ander kind: onvermoeibaar, enthousi-ast, ondernemend.

De ervaring is dat [betrokkene] het beste leert samen met andere kinderen die haar vooral door hun enthousi-asme tot voorbeeld kunnen zijn met wat zij zelf leren.

Niet naar een reguliere basisschool gaan betekent voor [betrokkene] gemiste kansen."

2.5. [eiser]. stellen voorts dat zij bij de aanmelding van [betrokkene] zelf de individuele één op één begeleiding van [betrokkene] hebben aangeboden alsmede begeleiding door een orthope-dagoog, die met deze specifieke begeleiding vertrouwd is. Voorts zij vanuit de Tyltyl-school coaching en begeleiding kunnen optreden en vanuit het Ministerie extra budget-ten voor dit soort situaties ter beschikking worden gesteld.

3. Het verweer

3.1 [gedaagde] heeft allereerst aangevoerd dat, nu [betrokkene] met ingang van het schooljaar 2001/2002 is geplaatst op de @rchipel, aan de onderhavige procedure het belang is komen te ontvallen.

3.2 [gedaagde] bestrijdt de vordering en voert aan dat de structuur en de organisatie van De Re-genboog niet is ingesteld op het opvangen van een verstandelijk en lichamelijk gehandi-capt kind, hoezeer De Regenboog ook haar best doet om de participatie van [betrokkene] moge-lijk te maken. Met de groei en ontwikkeling van [betrokkene] is de participatie steeds moeilijker geworden, in die zin dat het onderwijspersoneel van De Regenboog daar niet adequaat en verantwoord meer mee kan omgaan. Nog afgezien hiervan kan het van de leerkrachten, die daarvoor niet zijn opgeleid, volgens [gedaagde], redelijkerwijze niet worden gevergd om een verstandelijk en lichamelijk gehandicapt kind zoals [betrokkene] te onderwijzen.

3.3 [gedaagde] voert voorts aan dat de WPO in dit geval niet van toepassing is, zodat hieraan geen rechten kunnen worden ontleend. De WPO ziet niet op verstandelijk en lichamelijk gehandicapte kinderen, maar op kinderen met opvoedingsmoeilijkheden dan wel moeilijk lerende kinderen. [betrokkene] valt, volgens [gedaagde], onder de Wet op de Expertisecentra (WEC) en is derhalve in beginsel op speciaal onderwijs aangewezen.

4. Beoordeling

4.1 De rechtbank is van oordeel dat het verweer van [gedaagde], dat [eiser]. wegens ge-brek aan belang niet ontvankelijk dienen te worden verklaard, faalt.

[eiser]. hebben gesteld dat nu zij in Amsterdam wonen De @rchipel, welke school te [woonplaats] is gevestigd, een gedwongen keus is waarop zij graag zouden terugkomen zodra De Regenboog [betrokkene] toelaat. Dit betekent dat zij belang hebben bij de onderha-vige vordering.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat [betrokkene] in beginsel is aangewezen op speciaal onderwijs. Dat volgt uit artikel 2 van de Wet op de Expertisecentra (WEC) waarin (onder meer) bepaald is dat het speciaal onderwijs bestemd is voor kinderen met ernstige spraak-moeilijkheden, lichamelijke gehandicapte kinderen en meervoudig gehandicapte kinde-ren. [betrokkene] is meervoudig gehandicapt en heeft een ontwikkelingsachterstand. Uit de ter gelegenheid van het pleidooi overgelegde plaatsingsafspraken met de stichting "Ge-woon Anders" die [betrokkene] op haar huidige school De @rchipel begeleidt, komt naar vo-ren dat psychologisch onderzoek in 1997 uitwees dat zij bij een leeftijd van 5;7 jaar een ontwikkelingsleeftijd van 2;2 heeft. [betrokkene] is vanaf 1997 ingeschreven geweest op de Tyltylschool en nam alleen voor 2 uur per week deel aan activiteiten bij De Regenboog.

4.3. De omstandigheid dat [betrokkene] behoort tot de groep van kinderen waarop het speciaal on-derwijs zicht richt, maakt niet dat - zoals [gedaagde] heeft betoogd - de Wet op het pri-maire onderwijs (WPO) in het onderhavige geval niet van toepassing is. In artikel 2 WPO wordt de doelgroep van de wet bepaald. In dit artikel staat vermeld: "Het basison-derwijs is het onderwijs bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van omstreeks 4 jaar. Het legt mede de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs."

Hieruit kan niet worden afgeleid dat de WPO niet op [betrokkene] van toepassing is. In dit ge-ding dient dan ook te worden uitgegaan dat een kind met de mogelijkheden en beper-kingen van [betrokkene] in beginsel toegelaten kan worden op een basisschool zoals De Re-genboog.

Ook gelet op de op handen zijnde wijzing van de WEC en de WPO in verband met de invoering van leerlinggebonden subsidies is het beleid van de overheid er op gericht om ook kinderen met een handicap aan het reguliere basisonderwijs te laten deelnemen, en is dat ook thans reeds mogelijk waarbij aan deze kinderen een "rugzakje" ter ondersteu-ning wordt geboden.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat het omgaan met gewone, niet gehandicapte medeleerlingen voor de ontwikkeling van [betrokkene] van belang is. Dit betekent echter niet dat [gedaagde] [betrokkene] als leerling in het regulier onder-wijs had moeten toelaten op De Regenboog. Voor een beslissing van een reguliere school tot toelating van een gehandicapte leerling zal de school de belangen van zowel de leerling als de belangen van de school moeten wegen. Uitgangspunt daarbij is dat in het kader van artikel 8 WPO de school het onderwijs zodanig dient in te richten dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. [gedaagde] heeft in haar brief van 10 januari 200, genoemd onder 1.l., aangegeven dat De Regenboog niet in staat is te zorgen voor een ononderbroken ontwikkeling afgestemd op die van [betrokkene] en dat zij heeft geconstateerd dat de kloof tussen [betrokkene] en haar leeftijdsgenoten niet is verkleind maar slechts toeneemt.

Onder die omstandigheden kan in redelijkheid niet van de Regenboog worden verlangd een meervoudig gehandicapt kind als [betrokkene] volledig in het onderwijs te laten participe-ren. Ook al had de school extra geld voor de begeleiding van [betrokkene] kunnen claimen, dan laat dit -gelet op de ontwikkelingsmogelijkheden van [betrokkene]- onverlet dat de school in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het toelaten van [betrokkene] de draag-kracht van de school te boven ging en dat de school onvoldoende in staat zou zijn [betrokkene] de benodigde individuele aanpak te geven, zonder dat daarmede het overige ondewijs-aanbod onevenredig zou worden beïnvloed.

4.5. De rechtbank overweegt daarbij tevens dat voldoende vast staat dat gedurende de perio-de dat [betrokkene] heeft geparticipeerd op De Regenboog een aantal incidenten heeft plaats-gevonden, naar aanleiding waarvan tussen partijen diverse gesprekken heeft plaatsge-vonden. Hieruit blijkt dat de participatie van [betrokkene] op De Regenboog niet zonder pro-blemen verliep.

4.6. Ook de omstandigheid dat [betrokkene] wel is toegelaten op een reguliere basisschool te Al-mere, maakt niet dat van [gedaagde] hetzelfde kon worden verlangd, [gedaagde] heeft bo-vendien aannemelijk gemaakt de situatie op de @archipel als experimentele school waar wordt gewerkt met een ontwikkelingsmodel van "inclusive education" waarbij mede door de overheid gesubsidieerde ondersteuning mogelijk is, in belangrijke mate afwijkt van de situatie op De Regenboog.

4.7. Geoordeeld wordt dat ook dat [gedaagde] in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen [betrokkene] niet toe te laten. Zowel haar primaire besluit als de besluitvorming op het bezwaar geven blijk van een toereikende belangafweging en zijn ook overigens vol-doende deugdelijk gemotiveerd. Dit betekent dat de vordering zal worden afgewezen.

4.8. [eiser]. worden als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser]. in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.741,51;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mr. M. de Rooij, lid van genoemde kamer, en uitge-sproken ter openbare te-recht-zitting van 9 januari 2002, in tegen-woordig-heid van de griffier.