Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2001:AD8020

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
10-01-2002
Zaaknummer
13/129129-97
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 13/129129-97

Datum uitspraak: 21 december 2001

op tegenspraak (raadsman gemachtigd)

VERKORT VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, meervoudige kamer, in de strafzaak tegen:

verdachte,

geboren te A. op 24 oktober 1959,

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17, 18, 19, 23 en 24 april 2001, 4 en 30 oktober 2001 en 3, 4, 6, 14 en 18 december 2001.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd, met dien verstande dat de rechtbank ter terechtzitting van 18 april 2001 de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2, 4 en 6 telastegelegde partieel nietig heeft verklaard, namelijk waar steeds in subsidiaire zin is telastegelegd dat verdachte het desbetreffende goed "anders dan door misdrijf onder zich had".

2. Voorvragen.

A. Geldigheid van de dagvaarding.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

In het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde is sprake van "een of meer geldbedragen (te weten de opbrengst van een of meerdere valutatransacties), in elk geval ….enig goed".

De rechtbank is van oordeel dat de woorden "enig goed" zonder enige nadere feitelijke aanduiding onvoldoende duidelijk zijn. Voorzover deze bewoordingen zien op overboekingen, zoals deze naast de genoemde valutatransacties uit de stukken naar voren komen, hadden deze overboekingen nader gespecificeerd dienen te worden. Nu dit niet het geval is, voldoet deze opgave niet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, zodat dit onderdeel van de tenlastelegging nietig wordt verklaard.

In het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wordt aan verdachte [verdachte] de medeplichtigheid aan de eerder tenlastegelegde handelingen verweten. In de tenlastelegging is volstaan met de algemene bewoordingen van artikel 48 van het Wetboek van Strafvordering zonder nadere aanduiding waarin de medeplichtigheidshandelingen hebben bestaan.

De rechtbank acht deze omschrijving evenmin voldoende feitelijk, zodat dit deel van de tenlastegelegging om die reden in haar geheel nietig wordt verklaard.

B. Inleidende opmerkingen:

Ter inleiding merkt de rechtbank op dat haar bij het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die ook maar op enigerlei wijze een vraagteken zouden kunnen oproepen over de maatschappelijke bancaire betrouwbaarheid en/of soliditeit en/of solvabiliteit van de ABN-AMRObank NV, haar instellingen en haar bestuur. Evenmin is de rechtbank gebleken van enigerlei "tegenwerken" van autoriteiten hier te lande of elders door of namens de bank.

Toch is de rechtbank gehouden te komen tot vaststellingen ook met betrekking tot de bank. Daarbij past de kanttekening dat de bank niet is gehoord bij het onderzoek dat aan deze vaststellingen vooraf ging. De rechtbank stelt het navolgende enkel vast in verband met het vonnis jegens de persoon waarin het is opgenomen. Het kan zijn dat voor geconstateerde tekortkomingen verklaringen zijn die buiten het vizier van de rechtbank zijn gebleven, mede omdat de bank niet is gehoord. De vaststellingen kunnen dan ook geenszins ten laste van de bank worden aangewend buiten het beperkte verband waarin tot deze vaststellingen wordt gekomen.

C. Het regieverweer:

Het verweer is gevoerd , onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 juni 1999, nr 110.367, zoals te kennen uit NJB 1999, afl. 25, alsmede uit Ars Aequi, jaargang nr 49, nr 2 (februari 2000), blzn 117-121, dat de bank in de fase voorafgaand aan én tijdens het voorbereidende onderzoek onderzoekshandelingen heeft verricht met betrekking tot de tenlastegelegde feiten, waarvan verdachte wordt verdacht, en daarbij onrechtmatig heeft gehandeld, en dat onder de gegeven omstandigheden sprake is van een zodanige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde of veronachtzaming van de rechten van de verdediging in de strafzaak, dat dit tot gevolg heeft dat dit dient te leiden tot uitsluiting van bewijsmateriaal dat ten gevolge van dat onrechtmatig handelen is verkregen. Het verweer is gevoerd dat de bank een zodanige invloed (regie) op de opsporing en vervolging heeft kunnen uitoefenen dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans door de bank vergaard materiaal van bewijslevering moet worden uitgesloten.

Daarbij doelt de verdediging op het verkrijgen van verklaringen van [verdachte] jegens de bank, voorafgaand aan het voorbereidend onderzoek. Voorts wordt daarbij gedoeld op de bevindingen van [deskundige 1] in zijn rapportage (A67-A77) die in strijd met de werkelijkheid worden gepresenteerd als resultaten van onderzoek door een onafhankelijk deskundige, hetgeen [deskundige 1] volgens de verdediging niet is. De verdediging stelt dat het opsporingsonderzoek vrijwel volledig is geregisseerd door de bank. Daarbij wijst de verdediging op de omstandigheid dat de bank herhaaldelijk pas stukken heeft verstrekt nadat een vordering tot uitlevering ervan was gedaan, dan wel nadat de rechtbank de overlegging ervan door de officier van justitie had bevolen. Het was -volgens de verdediging- de bank die aangaf wie er wel en wie er iet met deze zaak te maken hadden. Steun voor die stelling vindt de verdediging voorts in de houding van de bank met betrekking tot het doen van aangifte, waarbij wordt aangevoerd dat de bank uiteindelijk niet vrijwillig aangifte heeft gedaan, maar onder druk van het openbaar ministerie. De verdediging stelt dat ontlastend materiaal niet in het dossier is gekomen. Deze regie door de bank klemt temeer nu de bank ook als verdachte zou behoren te worden aangemerkt, bijvoorbeeld met betrekking tot het niet tijdig doen van MOT-meldingen. Het OM heeft onvoldoende voorzorgen genomen om te voorkomen dat een niet-redelijke en niet-billijke belangenafweging zou plaatsvinden bij de beslissingen tot vervolging van verdachte en tot het niet-vervolgen van de bank.

Dit verweer wordt verworpen.

Hieronder wordt overwogen waarom het niet onrechtmatig was van de bank om te trachten door vrijwillige verklaringen van (alle) verdachte(n) de waarheid te weet te komen op de wijze als dat is geschied. De rapportage van de registeraccountant [deskundige 1] kan niet gelden als een onafhankelijk onderzoek nu het een intern onderzoek van de bank betreft, terwijl niet valt in te zien waaruit een andere pretentie zou voortvloeien. Het is niet aannemelijk geworden dat de officier van justitie opsporingshandelingen jegens wie dan ook heeft nagelaten op aandrang van de bank. De omstandigheid dat de bank niet vrijwillig stukken afgeeft, doch pas na vordering tot uitlevering ertoe, brengt nog niet mee dat de bank "tegenwerkt". Deze gang van zaken is in redelijkheid terug te voeren op het algemeen beleid van alle banken hier te lande, om -ter bewaking van geheimhoudingsverplichtingen jegens derden- bankbescheiden eerst uit te leveren na daartoe gedane vordering. Ook indien met de verdediging wordt aangenomen dat bij de bank aanvankelijk geenszins het voornemen bestond om in Nederland aangifte te doen, kan toch daarin geen onrechtmatig handelen jegens verdachte besloten liggen, die bij het afzien van aangifte niet geschaad zou zijn geweest. Ook indien juist zou zijn dat de bank vanwege Justitie is geforceerd tot het doen van aangifte, dan nog ligt daarin geen onrechtmatig handelen jegens verdachte besloten. Het kan zijn dat bij het opsporingsonderzoek tegen verdachte strafbare feiten aan het licht zijn getreden, vermoedelijk toe te rekenen als begaan door de bank, zoals het niet tijdig doen van MOT-meldingen. Dergelijke strafbare feiten staan evenwel in zo ver verwijderd verband met betrekking tot de aan verdachte telastegelegde feiten, en terzake waarvan geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die een mogelijke gelijksoortige verdenking jegens de bank in de wereld zouden brengen, dat het eventueel niet-vervolgen van de bank voor die andere strafbare feiten, nog niet maakt dat om die reden bewijs als onrechtmatig verkregen moet worden uitgesloten in de strafzaak tegen verdachte. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die nopen tot de conclusie dat de officier van justitie in verband met een belangenafweging jegens verdachte in redelijkheid en billijkheid gehouden was bewijs terzijde te stellen, of zelfs van vervolging van verdachte af te zien. Nu niet concreet is aangevoerd welk ontlastend materiaal zou zijn verdwenen, faalt dit onderdeel van het verweer.

Voorop staat dat niet is gebleken van onrechtmatig handelen van de bank jegens de verdachte door hen te verhoren op de ontdekte onregelmatigheden. Er is niet gebleken dat de bank bij die interviews van werknemers niet heeft gehandeld als een goed werkgever kan en mag doen. De druk die op de werknemers lag om te verklaren was niet gelegen in aanwending van ongeoorloofde drukmiddelen, maar vloeide voort uit de onregelmatige toestand zelf. De omstandigheid dat materiaal niet meer voorhanden was, toen de opsporing een aanvang nam, werkt enkel ten nadele van verdachte indien (a) het wel aanwezige materiaal een onvolledig of onjuist beeld zou opleveren danwel (b) concreet ontlastend materiaal zou zijn verdwenen.

Zoals hieronder zal blijken uit de omschrijving van de rechtbank van de aannemelijke gang van zaken rond de aangifte, neemt de rechtbank aan dat voor 7 februari 1997 bij de bank geenszins het stellige voornemen voorlag om zeker aangifte te doen van alle zaken. Hierop faalt het betoog dat sprake zou zijn van "private investigation" nu het interne onderzoek van de bank niet was verricht met de intentie om daarbij verkregen informatie te gebruiken bij een eventueel volgend strafrechtelijk onderzoek.

Zo al achteraf te betreuren zou moeten zijn dat de officier van justitie zich in november 1996 op het standpunt stelde dat de bank eerst de zaak goed moest uitzoeken en de eigen zaken op orde moest hebben, alvorens aangifte werd gedaan en de opsporing een aanvang nam, dan nog geldt dit niet als normoverschrijding met betrekking tot een norm die ter bescherming van een belang van verdachte zou zijn geschreven. Het kan zijn dat de officier van justitie daarbij de bank veel ruimte heeft gelaten, maar niet is aannemelijk geworden dat daadwerkelijk belangen van verdachte daarbij of daardoor zijn geschaad.

De rechtbank acht zich op basis van het onderzoek ter terechtzitting zodanig geïnformeerd dat zij oordeelt dat zij wel een genoegzaam volledig en duidelijk beeld heeft om de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te beantwoorden. Aantekening verdient dat het wel vaker voorkomt dat de rechtbank het geboden beeld moet aanvullen met logische gevolgtrekkingen met betrekking tot ontbrekend bewijsmateriaal. Er wordt geen natuurkundig maar strafrechtelijk bewijs gevorderd door de wet.

D. De gang van zaken rond de aangifte.

Nu de verdediging zo nadrukkelijk de loop van de aangifte aan de orde heeft gesteld, zal de rechtbank terzake vaststellingen doen.

Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat op maandag 14 oktober 1996 door de leiding van de afdeling Diamant/ Niet ingezetenen werd geconstateerd dat er zich onregelmatigheden hadden voorgedaan, hetgeen geschiedde op het signaal dat "Schoonvader" - een zeer gefortuneerde klant- debet stond. Verdachte [verdachte] heeft bij zijn eerste gesprek met medewerkers van "Concern Veiligheidszaken" van de bank medegedeeld tot welke irreguliere handelingen hij zich had laten verleiden.

Gelijk de getuige [getuige 1] verklaart, zijn de mededelingen van verdachte [verdachte] en de aard en omvang van de toen vermoedde onregelmatigheden via de gewone lijnhiërarchie binnen de bank, in zeer korte tijd (zo niet binnen één dag, dan toch binnen enkele dagen) ook bekend geworden op het niveau van de Raad van Bestuur van de bank.

De getuige [getuige 1] heeft verder uit eigen waarneming verklaard dat vervolgens binnen de Raad van Bestuur het standpunt is ingenomen om "nog geen aangifte te doen". Het kan wel zijn dat [getuige 1] hieruit zelf heeft geconcludeerd dat toen reeds vast stond dat zeker wel aangifte zou worden gedaan, maar de samenvatting van de Voorzitter van de Raad van Bestuur, als waargenomen door de getuige [getuige 1], liet deze kwestie vooralsnog open.

De Officier van Justitie heeft ter terechtzitting en op schrift verklaard dat hij eind november/ begin december 1996 summier kennis kreeg van de vermeende fraude. Dit zou zijn opgemerkt tijdens het "reguliere en regelmatige overleg" van de officier van justitie met medewerkers van de afdeling Concernveiligheidszaken van de bank rond die tijd. Onduidelijk is gebleven wie dit aan de officier van justitie zou hebben medegedeeld, en met welke strekking.

Daarbij is de rechtbank niet blind voor de belangen van de bank, en evenmin voor het belang van de bank om zelf niet als verdachte te worden aangemerkt. Het zou van onnozelheid getuigen om deze factoren bij het oordeel over het gedrag van de bank buiten beschouwing te laten. De rechtbank is evenmin blind voor het belang van de bank om minder adequate stukken of zaken buiten het strafdossier te houden.

Het is de vraag of de werkelijkheid na november 1996 de zo stellige conclusie van de getuige [getuige 1] wettigde dat de bank vanaf de aanvang af "zeker" hier te lande aangifte zou doen. De beleidsbeslissing van de bank (getroffen in december 1996) om de zaken te splitsen in vier te scheiden affaires, en terzake wel aangifte te doen (reeds in december 1996, althans januari 1997) in den vreemde maar niet (ook reeds) in Nederland, wijst in een andere richting. De conclusie ligt veeleer in de rede dat de leiding van de bank bij en vanaf de aanvang heeft getracht de Nederlandse opsporings - en vervolgingsautoriteiten zoveel als redelijkerwijs doenlijk was, vooralsnog buiten de zaken te houden.

Het kan zijn dat een medewerker van de bank (getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij het zou kunnen zijn geweest) inderdaad het bestaan van de verdenking reeds in november 1996 aan de officier van justitie informeel heeft kenbaar gemaakt, maar het is de vraag gebleven of dit een "terloopse" mededeling van die medewerker zou betreffen of een welbewuste en concrete mededeling van bevoegde zijde van de bank gericht tot het bevoegd gezag. Aantekening verdient ook dat in verband met een (beweerdelijk buiten deze zaak staande) kennismaking tussen veiligheidsmedewerkers van de bank en opsporingsambtenaren van de landelijke CRI-dienst eind november 1996 reeds door een medewerker van de bank (wederom verklaart dezelfde getuige dat hij dacht dat hij het zou kunnen zijn geweest) over de vermeende fraude is gesproken. Ook dit laat zich eerder typeren als een apropos dan als een desbewuste mededeling van een daartoe bevoegde medewerker van de bank gericht tot het bevoegd gezag met het doel een aangifte in te leiden.

In december 1996 werd de Concern Accountantsdienst van de bank bekend met de zogenaamde Dollarkas. Aantekening verdient dat het bestaan van deze kas bij de functionele leiding van de bank reeds jarenlang bekend was. De bekendheid van de Concern Accountantsdienst van de bank met die dollarkas die in strijd met de voorschriften niet langs de reguliere kas liep, en het gebleken tal van niet gemelde MOT-meldingsplichtige transacties langs die kas stelde de leiding van de bank voor de noodzaak (op risico van verlies van de bankvergunning) van het alsnog doen van de noodzakelijke MOT-meldingen. Het was ter wille van die meldingen (en niet ter wille van het doen van aangifte) dat men zich tot de toenmalige Landelijk Officier van Justitie belast met de meldingen inzake de wet Melding Ongebruikelijke Transacties, mr Smit, richtte.

Zo was dan op 7 februari 1997 nog geenszins duidelijk of, en zo ja wanneer, de bank aangifte hier te lande zou doen van de vermeende onregelmatigheden. Toen verscheen een bericht in de Telegraaf inzake deze vermeende fraudes. Al reconstruerend moet de rechtbank wel de conclusie trekken dat binnen het Parket Amsterdam verwondering was gerezen over het uitblijven totdien van een aangifte door de bank, niettegenstaande de informele mededelingen aan mr de Graaff.

Bij de Officier van Justitie heeft de opvatting postgevat dat het volkomen in de rede zou liggen bij de bank om wel aangifte hier te lande te doen. Dat valt te bezien, omdat bij het interne onderzoek van de bank niet adequate administratieve procedures waren gebleken die toch de bank zelf zijn toe te rekenen. Geenszins kan op voorhand worden uitgesloten dat de bank, in overleg met de toezichthoudende De Nederlandse Bank NV (DNB) tot het oordeel zou zijn gekomen dat bij redelijke en billijke afweging van alle betrokken belangen de geheimhouding zwaarder zou wegen dan het belang bij strafvervolging, gelet op het vertrouwen dat het bankbedrijf in het algemeen dient uit te stralen.

De Officier van Justitie heeft ter terechtzitting met de nodige nadruk betoogd dat er zeker geen overleg is geweest tussen de bank en het Openbaar Ministerie, maar bij doorvragen bleek dit betoog louter te zijn gebaseerd op de ervaringen van de behandelend officier. Dat sluit geenszins uit dat er op ander niveau wel overleg is geweest met het Openbaar Ministerie en dat daarbij "harde woorden" zouden zijn gevallen in de richting van de bank. Een aanwijzing hiervoor is te vinden in de door het dagblad de Telegraaf op 7 februari 1997 aangehaalde mededeling van een zegsman van het OM dat desnoods zelfs zonder aangifte zou worden opgespoord en vervolgd. Ook het interview van getuige [getuige 1] in die dagen met AT-5 wijst in de richting dat de beslissing of aangifte zou volgen, nog werd overwogen. Uit de loop der dingen blijkt ook niet dat de bank in het voorjaar 1997 onverwijld aangifte heeft gedaan van alle onregelmatigheden. De bank heeft gefaseerd aangifte gedaan van diverse onregelmatigheden in de loop van 1997.

Het kan zijn dat de Officier van Justitie overtuigd is van de volledigheid en uitputtendheid van de vrijwillige medewerking van de bank bij zijn onderzoek, maar dat sluit nog niet uit dat de Officier van Justitie mogelijk op lichtvaardige wijze tot dit oordeel komt. Nadere bestudering van het dossier noopt immers tot de conclusie dat de rechtbank in de stukken slechts een geserreerd deel van de werkelijkheid is getoond en dat inadequate administratieve procedures bij het overleggen van stukken door de bank zoveel als redelijkerwijs mogelijk buiten beeld zijn gehouden. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat hiertegen geen groot bezwaar bestaat, zolang het wel geboden beeld niet onjuist of door onvolledigheid onjuist is, en zolang daardoor de belangen van de verdediging niet worden veronachtzaamd. Dat geval doet zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor.

De rechtbank heeft tevergeefs de officier van justitie in de gelegenheid gesteld bij proces-verbaal te relateren inzake niet aangetroffen geschriften. De officier van justitie heeft daarbij, onder voorbijgaan aan de algemeen bekende feitelijke praktijk waarbinnen financiële instellingen op grote schaal archiveren en wettelijk tot archivering zijn gehouden en te houden, voor lief genomen dat hem werd verklaard dat de geschriften waren verdwenen onder mededeling dat de bank zich wel aan de voorgeschreven bewaarplichten houdt. Hoe het een en het ander zich met elkaar verhoudt, is de rechtbank een raadsel gebleven. Daardoor is boven de zaak de reuk blijven hangen dat de bank stukken weghoudt van Justitie. Dat is niet overdreven achterdochtig, nu uit hetgeen wel wordt overgelegd logischerwijs volgt dat er meer materiaal moet zijn. De rechtbank acht het totaalbeeld dat zij zich aan de hand van de wel ter beschikking gekomen stukken en het onderzoek ter terechtzitting heeft kunnen vormen evenwel afdoende.

E. De redelijke termijn.

De raadsman heeft betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in de zaak tegen de verdachte [verdachte] is overschreden.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte [verdachte] op 14 januari 1998 bekend werd met de omstandigheid dat de officier van justitie een internationaal rechtshulpverzoek jegens hem had doen uitgaan en dat verdachte op dat moment bekend werd met een handeling vanwege de Nederlandse Staat jegens hem verricht op grond waaraan verdachte de verwachting heeft ontleend dat het Openbaar Ministerie een strafvervolging tegen hem zal instellen.

De raadsman heeft dit bij brief van 15 januari 1998 aan de officier van justitie bericht.

De rechtbank deelt de zienswijze van de raadsman. Dit houdt in dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in de zaak van verdachte [verdachte] is aangevangen op 14 januari 1998.

Gelet op

a) de ingewikkeldheid van de zaak - mede in aanmerking genomen de verwevenheid met de zaken tegen de andere verdachten - alsmede de internationale aspecten van de zaak

b) de uitgebreidheid van het gerechtelijk vooronderzoek en de vele raadkamer-procedures

c) het grote aantal dagen dat voor het onderzoek ter terechtzitting nodig was,

is de rechtbank van oordeel dat - in afwijking van de in het algemeen geldende termijn van twee jaar - in de onderhavige zaak berechting had dienen plaats te vinden binnen een termijn van drie jaar.

Dit brengt mee dat de redelijke termijn op het moment van het uitspreken van dit vonnis - zijnde 21 december 2001 - met ruim elf maanden is overschreden.

De rechtbank acht deze overschrijding van de termijn niet zodanig dat daarin aanleiding wordt gevonden het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank ziet in deze overschrijding wel aanleiding tot na te melden strafvermindering.

3. Waardering van het bewijs.

3.1. De raadsman van verdachte [verdachte] heeft een beroep gedaan op onrechtmatig verkregen bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd, kort samengevat, dat de verklaringen, die verdachte [verdachte] heeft afgelegd tegenover medewerkers van Concern Veiligheids Zaken (hierna CVZ) van de bank niet mogen meewerken tot het bewijs, aangezien deze verklaringen door de bank op onrechtmatige wijze zijn verkregen:

- op verdachte [verdachte] is door de bank ontoelaatbare druk uitgeoefend om verklaringen af te leggen

- verdachte [verdachte] heeft deze verklaringen afgelegd onder acute dreiging van ontslag

- verdachte [verdachte] is dagenlang verhoord, terwijl hij op dat moment in de grootste crisis van zijn leven verkeerde, net zolang tot hij in elkaar is gestort

- aan verdachte [verdachte] is geen cautie gegeven

- aan verdachte [verdachte] is de toezegging gedaan door een daartoe bevoegde vertegenwoordiger van de bank, te weten [getuige 2], dat geen aangifte zou worden gedaan

De rechtbank overweegt hierover het volgende:

met betrekking tot het eerste, tweede en derde gedachtenstreepje:

Op 14 oktober 1996 kwam de afdelingschef van verdachte [verdachte], [getuige 3], tot de ontdekking dat de rekening van International Magical Stars een alarmerende, onverklaarbare, toevallige debetstand vertoonde. Uit onderzoek bleek dat deze debetstand was veroorzaakt door een overboeking naar Thailand (de zgn "Thaise zaak") van US $ 5.975.000,- . Deze overboeking was verricht door middel van een A-formulier, waarop als opdrachtgever de naam van [K.N.], één van de cliënten van verdachte [verdachte], stond vermeld en welk formulier was voorzien van een handtekening die werd toegeschreven aan verdachte [verdachte].

[getuige 3] heeft daarop op 15 oktober 1996 CVZ ingeschakeld. CVZ heeft vervolgens als eerste verdachte [verdachte] hieromtrent gehoord

.

In diezelfde tijd speelde zich in het privé-leven van verdachte [verdachte] een ingrijpende gebeurtenis af: zijn vader was op 12 oktober 1996 na een lang ziekbed overleden en de crematie vond plaats op 17 oktober 1996.

Het is begrijpelijk dat verdachte [verdachte] in die tijd in een emotionele toestand verkeerde, zowel door de gebeurtenissen rond zijn vader als door de ontdekking van de vermeende fraude - betrokkenheid met de overboeking in de Thaise zaak heeft hij overigens vanaf het begin ontkend.

Het is echter evenzeer begrijpelijk dat de bank deze zaak direct wenste te onderzoeken.

Van een dergelijk onderzoek gaat altijd een zekere druk uit voor de daarbij betrokkenen.

Het moet voor verdachte [verdachte] duidelijk zijn geweest dat, indien deze Thaise fraudezaak aan hem zou kunnen worden toegerekend, hem dit zijn baan zou kunnen kosten. De door de raadsman gestelde "acute dreiging van ontslag" ging dan ook niet uit van de bank maar lag besloten in de feitelijke gebeurtenissen. Verdachte [verdachte] had zich op dat moment kunnen voorzien van juridische bijstand teneinde hem met betrekking tot de juridische consequenties te adviseren, hetgeen hij niet heeft gedaan.

Daarnaast was verdachte [verdachte] als werknemer niet wettelijk verplicht tegenover zijn werkgever zijn medewerking te verlenen. Een controverse als bedoeld in het Saunders-arrest (EHRM 17 december 1996, NJ 1997, 699) te weten: enerzijds krachtens wettelijk voorschrift verplicht te zijn te verklaren en anderzijds als -mogelijke - verdachte het recht hebben te zwijgen, deed zich dan ook voor verdachte [verdachte] niet voor.

Het arbeidsrechtelijk vervolg is met betrekking tot de verdachte [verdachte] anders geweest dan ten aanzien van de andere drie verdachten. Naar de raadsman van verdachte [verdachte] ter zitting heeft medegedeeld is verdachte [verdachte] op een bepaald moment in oktober 1996 op staande voet ontslagen. Niet is gebleken dat verdachte [verdachte] hangende het onderzoek door zijn werkgever is geschorst. Een brief zoals de drie andere verdachten in deze zaak hebben ontvangen, gedateerd 13 november 1996, waarin hen wordt medegedeeld dat zij vanaf dat moment op non-actief zijn gesteld en dat zij in het onderzoek alle nodige informatie dienen te verschaffen bij gebreke waarvan "wij ons het recht voorbehouden uw dienstverband met onmiddellijke ingang te beëindigen" is dan ook nimmer aan verdachte [verdachte] ter hand gesteld.

Verdachte [verdachte] heeft op 16 oktober 1996 voor het eerst een verklaring tegenover CVZ afgelegd. Verdachte [verdachte] heeft in die verklaring volledige opening van zaken gegeven met betrekking tot zijn handelingen in de voorgaande jaren met name ten aanzien van de hiervoor genoemde [K.N.] , doch hij heeft iedere betrokkenheid bij de Thaise zaak ontkend.

Na het afleggen van deze verklaring is verdachte [verdachte] op initiatief van CVZ naar de bedrijfsarts van de bank, [W.] gebracht Deze verklaart daarover als getuige bij de rechter-commissaris:

"Het komt vaker voor dat zo iemand na een eerste gesprek bij Veiligheidszaken naar de bedrijfsarts gaat.

[verdachte] was terneergeslagen maar rustig. Hij kon alles vertellen. Ik vond hem realistisch. Aan de ene kant gaf hij aan teleurgesteld te zijn dat na zes jaar de "fraude" was uitgekomen. Hij was angstig en bezorgd. Aan de andere kant was sprake van opluchting bij hem".

De getuige [getuige 4], medewerker van CVZ, heeft bij de rechter-commissaris onder meer het volgende verklaard:

"De Thaise zaak was het eerste signaal dat er bij DNI iets niet in orde was. Deze zaak gaf aanleiding met [verdachte] te praten en toen kwamen ook de andere zaken aan het licht".

"Ik heb hem gewezen op de mogelijke gevolgen zoals dat er civielrechtelijke en arbeidsrechtelijke consequenties aan zijn gedrag zouden kunnen worden verbonden".

De getuige [getuige 5], eveneens een medewerker van CVZ, in zijn verklaring tegenover de rechter-commissaris:

"Bij de gesprekken is medegedeeld dat ontslag tot de mogelijkheden kon behoren.

[verdachte] verklaarde uit zichzelf al meer dan wij wisten".

Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat verdachte [verdachte] door CVZ is gewezen op de mogelijke - met name arbeidsrechtelijke - consequenties, die het gevolg zouden kunnen zijn van zijn handelen, maar niet in die zin dat zulks afhankelijk zou zijn van het al dan niet afleggen van een verklaring.

Bovendien is door de bank op dat moment in medisch opzicht de nodige zorg jegens verdachte [verdachte] betracht.

Verdachte [verdachte] heeft vervolgens verklaringen afgelegd tegenover CVZ op 18 oktober, 24 oktober, 28 oktober, 7 november, 8 november en 11 november 1996 en daarnaast heeft verdachte [verdachte] in een groot aantal door hemzelf opgestelde schriftelijke verklaringen nader uitleg gegeven.

Verdachte [verdachte] heeft zelf verklaard dat hij op een maandagochtend is ingestort. Volgens zijn vrouw was dat op maandag 21 oktober 1996. De hiervoor genoemde bedrijfsarts [W.] heeft verklaard dat verdachte [verdachte] - die ook toen weer werd vergezeld door een medewerker van CVZ - toen duidelijke stressklachten had, maar dat bij onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden en dat hij verdachte [verdachte] toen heeft geadviseerd twee dagen volledige rust te nemen. Kort daarna heeft hij in een derde gesprek gezegd dat hij het verantwoord vond dat verdachte [verdachte] terugging naar de bank om verder verklaringen af te leggen, maar niet langer dan vier uur per dag.

De rechtbank is van oordeel dat ook in het traject dat gevolgd is op de eerste verklaring van verdachte [verdachte] niet is gebleken dat verdachte [verdachte] door de betrokken medewerkers van CVZ onder ontoelaatbare druk is gezet en dat de gesprekken onverantwoord lang hebben geduurd. Bovendien blijkt dat de geadviseerde rusttijd in acht is genomen. Evenmin is gebleken dat verdachte [verdachte] anderszins op enigerlei wijze is gedwongen tot het afleggen van een verklaring.

met betrekking tot het vierde gedachtenstreepje:

De verklaringen van verdachte [verdachte] tegenover CVZ hebben niet het karakter van een verhoor als bedoeld in artikel 29 Wetboek van Strafvordering. Dit brengt mede dat er geen uitdrukkelijke wettelijke verplichting bestaat om aan de betrokkene vóór het afleggen van zijn verklaring de cautie te geven. Dit onderdeel van het verweer faalt.

De schriftelijke verslaglegging wordt door de rechtbank aangemerkt als een schriftelijk stuk als bedoeld in artikel 344 lid 1 onder 5e Wetboek van Strafvordering.

De door verdachte [verdachte] aan de bank overhandigde, door hem opgestelde schaduwboekhouding wordt door de rechtbank aangemerkt als een geschrift dat onafhankelijk van de wil van de verdachte bestond ten tijde van diens aanhouding.

Het zwijgrecht van verdachte en het recht om geen bewijs tegen zichzelf te hoeven leveren strekken zich niet uit tot dergelijke geschriften.

Met betrekking tot het vijfde gedachtenstreepje:

Verdachte [verdachte] heeft verklaard:

"Men heeft mij steeds voorgehouden dat er geen aangifte zou worden gedaan. Dat is met zoveel woorden tegen mij gezegd. Ik kan mij in ieder geval herinneren dat [getuige 5] deze woorden heeft gebezigd. Ook [getuige 2] heeft dat tegen mij gezegd; dat was bij mij thuis."

[getuige 5] heeft dit, als getuige tegenover de rechter-commissaris, bestreden:

"In geen enkel stadium is door mij aan de betrokkenen medegedeeld dat van aangifte of ontslag zou worden afgezien indien men aan het onderzoek zou willen meewerken"

Van gelijke strekking is overigens de verklaring van de getuige [getuige 4] tegenover de rechter-commissaris:

"Ik heb nooit bij [verdachte] de indruk gewekt dat van aangifte zou worden afgezien als hij maar over de zaak opheldering zou verschaffen."

Uit de verklaring van de vrouw van verdachte [verdachte] (de getuige [getuige 6]) blijkt dat zij over een toezegging als hier bedoeld voorzover het gaat om [getuige 5] en [getuige 4] slechts wetenschap heeft uit hetgeen [verdachte] zelf haar heeft verteld.

Resteert de vraag in hoeverre een dergelijke toezegging door [getuige 2] is gedaan.

In het dossier bevindt zich een schriftelijk stuk met het opschrift "Reactie B. [getuige 2] inzake Sarphatistraat". Daarin is opgenomen de hiervoor aangehaalde verklaring van verdachte [verdachte] met als antwoord daarop van B. [getuige 2] : "Ik weet zeker dat ik dat niet gezegd heb."

Gehoord als getuige onder ede ter terechtzitting kon [getuige 2] zich niet meer herinneren hoe vorenbedoelde schriftelijke verklaring tot stand was gekomen; wel herkende hij de handtekening onder aan deze verklaring als de zijne.

Ook overigens vertoonde getuige [getuige 2] ter terechtzitting een aarzelende houding en kon hij zich grote delen niet meer herinneren. Desgevraagd verklaarde hij met enige stelligheid dat hij niet aan de verdachte [verdachte] kan hebben gezegd dat geen aangifte zou worden gedaan, omdat hij daartoe geen bevoegdheid bezat.

Daartegenover hebben zowel verdachte [verdachte] als zijn vrouw zich gedetailleerd uitgelaten over een volgens hen door [getuige 2] bij hen thuis gedane toezegging. Zij hebben de bewoordingen van [getuige 2] "dat als verdachte zou meewerken alles in orde zou komen", "dat zij zich geen zorgen behoefden te maken" en "dat alles binnenskamers zou blijven" zo verstaan dat deze niets anders konden betekenen dan dat geen aangifte zou worden gedaan als verdachte [verdachte] zijn medewerking zou verlenen.

Vorenstaande feiten en omstandigheden in aanmerking nemende gaat de rechtbank ervan uit dat door [getuige 2] tegen [verdachte] en zijn vrouw uitlatingen zijn gedaan die zij konden opvatten als een toezegging dat geen aangifte zou worden gedaan als [verdachte] zijn medewerking aan het interne onderzoek van de bank zou verlenen.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat verdachte [verdachte] niet op deze toezegging had mogen afgaan. Hij had dienen te beseffen dat [getuige 2] niet degene was die binnen de bank bevoegd was een dergelijke beslissing te nemen. Zo verdachte [verdachte] zulks niet reeds zelf had kunnen en moeten begrijpen, dan had hij zich daaromtrent moeten laten adviseren.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het beroep op de onrechtmatigheid van het verkregen bewijs wordt verworpen en dat de verklaringen, die verdachte [verdachte] heeft afgelegd tegenover medewerkers van CVZ, alsmede de door hem overgelegde schaduwboekhouding kunnen worden gebruikt als bewijsmiddel in de hiervoor aangegeven zin.

3.2. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair voor het overige, 4, 5 en 6 is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.3. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 telastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

ten aanzien van feit 2:

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 1994 tot en met 1 november 1996 te Amsterdam telkens opzettelijk telkens een of meer geldbedragen, die telkens toebehoorden aan de rekeninghouder M.I.B. of W.A.R.M. of I.M.S. of I. R. of de ABN-AMRObank, en welke goederen verdachte telkens uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van bankmedewerker onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, immers heeft verdachte telkens een of meer bedragen zonder toestemming van en/of zonder een daartoe strekkende opdracht van die M.I. B. of W.A.R. M. of I.M.S. of I. R. of de ABN-AMRObank overgeboekt naar bankrekeningen die niet toebehoren aan M.I.B. of W.A.R.M. of I.M.S. of I. R. of de ABN-AMRObank.

Ten aanzien van feit 3:

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 1994 tot en met 1 november 1996 te Amsterdam meermalen telkens een geschrift, zijnde dit geschrift een belbriefje, bestemd om tot enig bewijs te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk, in het kader van overboekingen waartoe de rekeninghouder, althans de rechthebbende, althans de gemachtigde(n) van die rechthebbende, geen opdracht en/of toestemming heeft/hebben gegeven, een belbriefje opgemaakt als zijnde het bewijs voor het geven van een opdracht en/of toestemming van M.I. B. of W.A.R. M. of I. R. tot voornoemde overboekingen, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het onder 2 en 3 bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het navolgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat op de concrete werkplek van verdachte, het kantoor Sarphatistraat, afdeling Diamant-Niet-Ingezetenen de regels inzake een adequate bankadministratie en - praktijk (waarop De Nederlandsche Bank N.V. toezicht houdt ) niet steeds volkomen zijn gehandhaafd in het bewezenverklaarde tijdvak.

Zo was op die afdeling de praktijk gegroeid dat tegenover tegoeden van een klant een zogenaamde "kasgeld"- lening kon worden verstrekt, zonder dat deze lening als krediet in de zin van de Wet Toezicht Kredietwezen werd aangemerkt en administratieve afwerking binnen de bank kreeg conform die status. In verband hiermee wordt erop gewezen dat volgens een getuige kasgeldleningen konden zijn verstrekt die niet administratief waren gekoppeld aan de hoofdrekening in het Basis Systeem Kredieten, ten gevolge waarvan het zogenaamde KLOV/CI geen juist en totaal beeld geeft van de positie van de relatie.

Daarnaast was op die afdeling praktijk dat klanten van de bank mondeling, telefonische opdrachten met betrekking tot zeer aanzienlijke bedragen konden verstrekken die werden uitgevoerd ook zonder verificatie door terugbellen door een andere bankmedewerker via een door deze zelf in de bankadministratie opgezocht telefoonnummer. Dit gebeurde op basis van zogenaamde belbriefjes, opgemaakt en meermalen gefiatteerd door slechts één en dezelfde bankmedewerker, hoewel reeds het belbriefje tot een andere, zorgvuldiger praktijk met diverse controlemomenten door verschillende bankmedewerkers instrueerde (het vier-ogenbeginsel).

Voorts was er een administratief 'lek' indien 2 dagen voor de vervaldatum van een oude, de rechtbank begrijpt wel regelmatig verstrekte lening, een nieuwe aanvraag was ingediend bij de afdeling Treasury.

Helaas stapelde zich fout op fout bij de afdeling. In de praktijk was er immers evenmin een zorgvuldige "functiescheiding" , zodat de functie van het aanvaarden en (doen) uitvoeren van een opdracht in handen kon zijn van dezelfde persoon die ook feitelijk de hand had in het doen toekomen van de schriftelijke verantwoording van die opdracht jegens de klant. Daarbij was wel oog voor de kwiterende functie van dergelijk verantwoorden, maar onvoldoende aandacht voor fraudegevoeligheid van de vorm van en de weg waarlangs die bescheiden de klant bereikten.

In dat opzicht bieden het opheffen/ontmantelen van het filiaal, het hier te lande uitbannen van "rekeningen onder codenummer" -waarover de getuige [getuige 1] verklaarde- geen oplossing voor de fraudegevoeligheid. Die gevoeligheid ligt immers in de ongenoegzame vrije-hand-verklaringen-praktijk, het ongenoegzaam betrachten van het "vier-ogenbeginsel"en in het fenomeen "aanhoudpost" (de bank bewaart geschriften van de bank bestemd voor de klant) en in de diverse vormen en wegen waarlangs die bescheiden, in kwaad geval langs één hand- de klant bereiken. Het vier-ogen beginsel is niet reeds vervuld, indien werknemers dicht op elkaar op een afdeling zijn geplaatst. Bij het oordeel over fraudegevoeligheid dient mede oog te zijn voor loyaliteitsconflicten bij werknemers indien zij (niet anoniem) de klok luiden over handelingen van collega's. Het vier-ogen beginsel dient tot uitdrukking te komen in schriftelijk vast te leggen medeverantwoordelijkheid door twee personen.

Ook is aannemelijk geworden dat de bank een rekening "one of our clients" in de boeken aanhield als ware dit een rekening van een bankrelatie terwijl die rekening een grootboekfunctie had. Dit kan de bank niet zijn ontgaan. Vanuit de functionele leiding van het filiaal van de bank is klaarblijkelijk niet eigener beweging de Concern Accountantsdienst van deze grootboekfunctie in kennis gesteld, hetgeen wel had dienen te gebeuren.

De rechtbank kan zich niet losmaken van de aanname -gelijk [verdachte] verklaart- dat het ook wel moet zijn voorgevallen, dat debet-standen met een positief saldo van de rekening "one of our clients" tijdelijk ter wille van een ijkmoment zijn aangevuld om de overstanden-lijst een positiever beeld te geven dan waartoe de werkelijkheid zou nopen. Aldus is aannemelijk geworden dat er binnen de afdeling een praktijk was gegroeid waarbinnen tenminste onder gedogen van de filiaalleiding aanzienlijke onregelmatige debetstanden- op schrift aan het zicht van de leiding van de bank konden worden onttrokken.

De leiding van het filiaal Sarphatistraat schoot tekort in een gedegen en volledige controle van de gegevens van de klant alvorens tot het openen van een bankrelatie en/of een rekening, althans welke financiële dienst dan ook (zeker die boven 25.000,-- gulden) over te gaan, ook waar het betreft het openstellen van een rekening waarop een saldo in geld, effecten, edele metalen of andere waarden kan worden aangehouden en deze rekening is geopend na 18 januari 1989, althans het diensten betrof boven de drempel van 25.000 gulden overeenkomstig artikel 2 van de Wet Identificatie bij financiële dienstverlening 1993, zoals dit artikel gaandeweg in het tijdvak van de telastegelegde feiten is gaan luiden. In de praktijk werden rekeningbescheiden opgemaakt ook alvorens de procuratiehoudende leiding van het filiaal de aangeleverde gegevens van de kandidaat-relatie op deugdelijkheid had onderzocht. Frappant is hoe deze praktijk kon blijven voortduren ook nadat de toenmalige werknemers van het filiaal bij officiële waarschuwingsbrief van de bank -die in persoon werd uitgereikt door de toenmalige chef van het filiaal in 1986, op straffe van ontslag dergelijk gedrag was verboden.

Daarbij acht de rechtbank het niet bestaanbaar, gelet op de algemeen bekende regels inzake het geldscheppen door banken en de rol van inleg van klanten daarbij, dat de leiding van de bank geen concrete blik had op de aard, omvang en status van rekeningen met positieve saldi van tegenwaarden van (tientallen) miljoenen dollars. Een leiding van een bank dient op de hoogte te zijn van al datgene van enige importantie en substantie waarover zij vermag te beschikken en haar organisatie en administratie daarop in te richten.

Bij de afdelings- en filiaalleiding en bij de leiding van de bank moet ook bekend zijn geweest dat er sprake was van aanzienlijke kastransacties in vreemde valuta (US dollars), regelmatig boven de Mot-meldingsnorm, in strijd met de geldende regels buiten de reguliere kas van de bank. De leiding van de bank dient daarbij de wetenschap van alle eigen diensten worden toegerekend als ook in de hiërarchieke lijn gemeld in 1995 in daarvan opgemaakte rapportage die bij de stukken is gevoegd. Tevens moet de leiding van het filiaal hebben geweten van de praktijk van contant-opnames door de bankemployees in naam van de cliënten op basis van enkel door dezelfde werknemer geparafeerde en gefiatteerde opdrachten blijkend uit eenzijdig door de bankwerknemer opgemaakte belbriefjes met aantekening van die opdracht.

Bij de leiding van het filiaal moet bekend zijn geweest dat de bankemployees de vrije hand namen bij de beleggingen van de cliënten waarmee zij in hoofdzaak contact hadden. Het moet de leiding van het filiaal, en de leiding van de bank, bekend zijn geweest dat medewerkers van de bank dergelijke transacties deden in de gedachte de vrije hand te hebben, hoewel bij het dossier niet één schriftelijke vrije hand-verklaring is aangetroffen.

Uit de rapportage van de Concern Accountantdienst van 9 januari 1995 inzake de betrokken afdeling, had de leiding van het filiaal en de leiding van de bank moeten opmaken dat de genoemde opeenstapeling van tekortkomingen en onregelmatigheden op administratief terrein plaatsvond. Deze tekortkomingen en onregelmatigheden werden echter niet onverwijld na 9 januari 1995 opgeheven door maatregelen vanuit de leiding van de bank of het filiaal. Het is er van gekomen dat na het ernstige rapport de functie van filiaalmanager gedurende enige maanden niet werd vervuld (tot april/mei 1995), hetgeen (zo zij het ten onrechte) het gevolg heeft gehad dat bij de bij dat filiaal werkzame bankemployees de opvatting heeft kunnen postvatten dat het administratief ook minder adequaat kon, zolang de overstanden-lijst geen zorgwekkend beeld zou oproepen. Daarbij moet verdachte [verdachte] de grote fout hebben gemaakt te denken dat hem - bij vacature van de afdelingsleiding- ook vrijstond, hetgeen hij het management in het verleden had zien doen. In deze gedachte werd hij naar eigen inzicht bevestigd door de nadruk die en het belang dat de leiding van het filiaal en de bank stelde in commerciële resultaten voor de bank. Hoewel aannemelijk is dat dit een factor is geweest die ertoe heeft bijgedragen dat verdachte [verdachte] de juiste maat uit het oog verloor, moet verdachte [verdachte] toch grotendeels zelf verantwoordelijk worden gehouden voor deze fout. Het spreekt immers voor zich dat de leiding van de bank dan enkel het oog kan en mag hebben op adequaat geadministreerde bankactiviteiten.

Het moet ervoor worden gehouden dat verdachte [verdachte] in deze werkomgeving de goede grenzen volkomen uit het oog heeft verloren. Verdachte [verdachte] is verregaand op sleeptouw genomen door enkele personen waaronder een zekere [K.N.]. Onduidelijk is gebleven op grond waarvan [verdachte] meende dat er een bankrelatie bestond tussen de bank en deze [K.N.]. Uit de verklaringen van [verdachte] volgt dat hij ervan is uit gegaan dat [K.N.] gemachtigd zou zijn voor nummerrekening 15457, welke rekening stond ten name van een neef van deze N.. Uit de bij deze rekening behorende handtekeningenkaart (bijlage A-108) blijkt dat dit onjuist is: als gemachtigde voor deze rekening staat vermeld I. [K.N.]. Uit het dossier valt op te maken dat dit de naam is van de vader van genoemde [K.N.].

Voorts is onduidelijk gebleven hoe [verdachte] tot het inzicht heeft kunnen komen dat de relatie met deze N. tot verder krediet noopte op basis van een vaag verhaal rond een grote diamant, waarvan [verdachte] uitsluitend op grond van de verklaring van deze N. zelf aannam dat N. daarover kon beschikken. De beweerdelijk door N. aan [verdachte] in dat verband verstrekte "schuldbekentenissen" boden daartoe volstrekt onvoldoende zekerheid.

Bij het ontbreken van juist nageleefde adequate en ook volledige administratieve procedures, en functiescheiding was verdachte [verdachte] feitelijk in de positie om zeer aanzienlijke geldbedragen (langs verschillende omwegen) buiten de bank te brengen ten behoeve van (naar verdachte [verdachte] dacht) K. N., afkomstig van andere rekeninghouders die daarvan geen weet hadden.

Daarnaast moet het wel zijn dat verdachte [verdachte] bij de komst van de nieuwe filiaalchef de positie van K. N. buiten diens gezichtsveld heeft gehouden door de controle over de overstanden aan zich te houden en niet als taak aan de afdelingschef te doen terugkeren. Het is niet helder hoe de afdelingschef heeft kunnen menen dat het niet zijn taak was deze standen degelijk te controleren.

Het is aannemelijk geworden dat [verdachte] bij dit optreden zich heeft laten leiden door de opvatting dat hij weliswaar onjuist handelde, maar dat dit niet aan het daglicht zou treden indien de irregulier buiten de bank gebrachte bedragen tijdig -te weten voor ontdekking, bijvoorbeeld bij de in oktober 1996 te verwachten reguliere anderhalfjaarlijkse interne controle- zouden zijn geretourneerd door K. N.. Het is aannemelijk geworden dat verdachte [verdachte] hierbij ten prooi is gevallen aan de arglist van enkelen, zonder volkomen inzicht in de strafbaarheid van het handelen van die anderen. Het is aannemelijk dat verdachte [verdachte] bij zijn handelen er vanuit is gegaan dat het goed zou komen. Die indruk is bij hem door diverse handelingen van die arglistige anderen ook gewekt.

Dit neemt niet weg dat [verdachte] desbewust, opzettelijk, de bank en/of andere rekeninghouders -voor zover bewezenverklaard- benadeelde door zich als heer en meester te gedragen met betrekking tot hun tegoeden. Dit handelen verdient straf, maar bij het bepalen van die straf weegt mee dat [verdachte] de onjuistheid van zijn handelen teminder heeft ingezien, door de minder adequate praktijken om hem heen.

Daarbij verdient aantekening dat het ofwel de nieuwe afdelingschef die in het voorjaar 1995 aantrad, aan het vereiste inzicht heeft ontbroken ofwel dat die manager niet de goede aandacht gaf aan zijn werk, nu hij onvoldoende aandacht had voor de werkelijkheid die achter de overstandenlijst schuil ging. Die aandacht zou temeer op de plaats zijn geweest nu de betrokken bankmedewerker, denkelijk boven zijn niveau en zijn salarisschaal uit, een groep zeer gefortuneerde klanten bediende alsof hij de vrije hand had.

Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat [verdachte] aanzienlijk persoonlijk voordeel heeft genoten bij zijn handelen. Verdachte [verdachte] is reeds door de gevolgen van het feit ernstig getroffen, nu hij zijn baan heeft verloren. Verdachte [verdachte] heeft ten volle meegewerkt aan het interne onderzoek van de bank en alle mededelingen verschaft die nodig waren om dit onderzoek tot een goed einde te brengen. Ook dit wordt gewogen ten voordele van verdachte [verdachte] bij het beoordelen van de strafmaat en soort.

Verdachte [verdachte] is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Indien de feiten binnen de door rechtbank redelijk geachte termijn zouden zijn berecht zou de rechtbank tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden zijn gekomen.

Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn komt de rechtbank thans tot oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden en daarnaast een werkstraf van 240 uur.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 225 (oud en nieuw) en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing:

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 primair telastegelegde, te weten voor zover dit het aldaar in de zesde regel genoemde "enig goed" en het onder 1 subsidiair telastegelegde betreft nietig.

Verklaart het onder 1 primair telastegelegde voor het overige, en het onder 4 en 5 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.3. is aangegeven.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 2:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit3:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Veroordeelt verdachte tot taakstraf bestaande uit werkstraf voor de duur van twee honderd en veertig uren (240) uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van honderd en tien (120) dagen, met bevel dat de tijd die door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee (2) uren per dag.

Veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden .

Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Gelast de teruggave aan verdachte van Nederlands geld ten bedrage van fl. 109,60.

Dit vonnis is gewezen door

Mr E.J. van Schaardenburg-Louwe Kooijmans, voorzitter,

mrs. Th.H. Lind en A.V.T. de Bie, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.B. de Vroom-Lenssen, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 december 2001.