Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2001:AD7985

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
09-01-2002
Zaaknummer
13/129130-97
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 13/129130-97

Datum uitspraak: 21 december 2001

op tegenspraak

VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, meervoudige kamer, in de strafzaak tegen:

verdachte,

geboren te Z. op 1 december 1959,

.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17, 18, 19, 23 en 24 april 2001, 4 en 30 oktober 2001 en 3, 4, 6, 14 en 18 december 2001.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd, met dien verstande dat de rechtbank ter terechtzitting van 18 april 2001 de dagvaarding ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 telastegelegde partieel nietig heeft verklaard, namelijk waar steeds in subsidiaire zin is telastegelegd dat verdachte het desbetreffende goed "anders dan door misdrijf onder zich had".

2. Voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman heeft betoogd dat het onder 2 en 5 ten laste gelegde nietig is. Gelet op de in deze zaak te nemen beslissing heeft verdachte geen belang meer bij dit verweer, zodat de rechtbank dit buiten bespreking laat.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De raadsman heeft op verscheidene gronden betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk in zijn vervolging zou moeten worden verklaard. Gelet op de hierna te nemen beslissing heeft verdachte ook bij deze verweren geen belang meer, zodat de rechtbank deze onbesproken zal laten.

3. Waardering van het bewijs.

De rechtbank acht al hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de feiten 1, 2, 3 primair en subsidiair en 4 geldt naar het oordeel van de rechtbank dat de stukken van het voorbereidend onderzoek reeds onvoldoende feiten en omstandigheden bevatten om jegens verdachte ter zake van deze hem ten laste gelegde feiten een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering te wettigen. Het onderzoek ter terechtzitting heeft niet tot een andere conclusie gevoerd.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

4. Beslissing:

Verklaart het onder 1, 2, 3 primair, 3 subsidiair, 4 en 5 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. van Schaardenburg-Louwe Kooijmans, voorzitter,

mrs. Th.H. Lind en A.V.T. de Bie, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.B. de Vroom-Lenssen, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 december 2001.