Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2001:AD7555

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2001
Datum publicatie
21-12-2001
Zaaknummer
13/010450-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM

Parketnummer: 13/010450-00

Datum uitspraak: 20 december 2001

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, meervoudige kamer extra, in de strafzaak tegen:

verdachte,

geboren te H.,

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 en 11 december 2001.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Zie onder punt 3.2.

3. Overwegingen ten aanzien van feit 1.

3.1 De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.2 Met betrekking tot de onder 1 subsidiair telastegelegde opzettelijke benadeling van de gezondheid geldt, gelet op het bepaalde in de artikelen 70 tot en met 72 van het Wetboek van Strafrecht, dat het recht tot strafvervolging over het tijdvak vóór 3 april 1994 -datum vordering gerechtelijk vooronderzoek- door verjaring is vervallen. De officier van justitie behoort dus wat dat tijdvak betreft niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.3 Bewijsoverweging.

Verdachte heeft verklaard te hebben gehandeld als macrobiotisch voedingsadviseur. Hij handelde derhalve beroepsmatig.

In die hoedanigheid heeft hij slachtoffer 1 tweemaal geadviseerd, vele informele contacten met haar gehad en heeft zij enkele lezingen/cursussen van hem gevolgd.

Vanaf september 1991, toen verdachte haar zijn eerste consult gaf, was hij ervan op de hoogte dat zij vermoedelijk baarmoederhalskanker had.

Baarmoederhalskanker is een ziekte, die blijkens de verklaring van de deskundige dr. M. H. - mits bijtijds ontdekt en allopatisch behandeld - een goede kans op genezing heeft.

De macrobiotiek pretendeert uitsluitend door het zeer strikt aanhouden van een macrobiotische voedings- en leefwijze onder meer het ontstaan van kanker te kunnen voorkomen en een desondanks ontstane kanker te kunnen genezen (“een disbalans van het lichaam te herstellen”). In het geval van baarmoederhalskanker wordt echter ook binnen de macrobiotiek erkend dat genezing uitsluitend via macrobiotiek nog niet is voorgekomen (getuige 1) en dat deze ziekte alleen in combinatie met reguliere therapie is te genezen (getuigen 2 en 3). Verdachte zegt dit te onderschrijven, doch heeft tijdens cursussen duidelijk laten doorschemeren dat de reguliere geneeskunde in het algemeen af te raden is en operatief ingrijpen in het bijzonder. Dit werd ook nog op de zitting door verdachte verklaard.

In zijn hoedanigheid van beroepsmatig macrobiotisch adviseur van iemand, die hem consulteerde naar aanleiding van een in beginsel levensbedreigende ziekte, had hij door zijn specifieke deskundigheid een bijzondere zorgplicht voor het leven en de gezondheid van de adviesvrager. Het bestaan van die zorgplicht hield in ieder geval in dat verdachte de mogelijkheden en beperkingen van de macrobiotiek uiteenzette. In dit geval betekende dat dus ook dat hij slachtoffer 1 informeerde over de noodzaak om naast de macrobiotiek een reguliere behandeling te ondergaan. Nergens is uit gebleken dat verdachte haar de beperkingen van de macrobiotiek in geval van baarmoederhalskanker heeft voorgehouden.

Met voorbijgaan aan die zorgplicht heeft verdachte in elk geval in mei/juni 1994 aan slachtoffer 1, die meldde hevig vaginaal te bloeden, hetgeen redelijkerwijs in verband gebracht moest worden met haar baarmoederhalskanker, niet geadviseerd zich direct naar een ziekenhuis te begeven. Door haar een macrobiotisch kondiment te laten brengen, heeft hij haar in de waan gelaten dat de macrobiotiek haar gezondheidstoestand nog kon verbeteren.

Enkele weken later verzocht zij verdachte dringend enkele dagen te mogen verblijven op de Drakenburgh te Baarn, waar onder zijn leiding een macrobiotische zomercursus zou worden gehouden. Wederom in strijd met voormelde zorgplicht heeft hij haar toen evenmin geadviseerd naar een ziekenhuis te gaan.

Verdachte heeft, zoals gezegd, niet voldaan aan zijn bijzondere zorgplicht, terwijl hij eerder met overtuigingskracht had gepropageerd dat de macrobiotiek een oplossing voor kanker kan bieden. Aldus heeft hij in het tijdvak van mei tot eind juli 1994 bewust de niet te verwaarlozen kans aanvaard dat door zijn bovenomschreven opstelling de gezondheidstoestand van slachtoffer 1 zou verslechteren door (verdere) groei van haar kanker. Op deze wijze heeft hij in de zin van de wet voorwaardelijk opzet gehad op de benadeling van haar gezondheid.

Nu slechts wordt bewezen verklaard dat verdachte zijn hiervoor genoemde bijzondere zorgplicht jegens slachtoffer 1 heeft verzaakt gedurende de korte periode van mei 1994 tot en met juli 1994, is weliswaar aannemelijk dat de kanker is gegroeid en de gezondheidstoestand van slachtoffer 1 is verslechterd, maar niet dat dit zozeer het geval was, dat dáárdoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan en evenmin de uiteindelijk dodelijke afloop.

Deze benadeling van de gezondheid van slachtoffer 1 door verdachte zou echter niet tot een bewezenverklaring hebben geleid, indien slachtoffer 1 door verdachte niet te beïnvloeden zou zijn geweest in haar afwijzing van een reguliere behandeling. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat, hoe beslist zij ook leek, het besluit van slachtoffer 1 niet vaststond en dat naar het oordeel van de rechtbank moet worden aangenomen dat zij beïnvloedbaar was. (Verklaringen van de getuigen 4, 5, 6 en die van getuige 7)

4. Overwegingen ten aanzien van feit 2.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 telastegelegde het volgende.

Uit de verklaring van getuige 8 (de levenspartner van slachtoffer 2), zowel ter terechtzitting als bij de rechter-commissaris, blijkt dat slachtoffer 2 reeds voordat zij verdachte en getuige 2 consulteerde vastbesloten was zich voor de bij haar gediagnostiseerde borstkanker niet te laten behandelen in de reguliere geneeskunde.

Toen zij getuige 2 consulteerde, heeft hij haar drie opties voorgehouden, te weten een medische behandeling, een macrobiotische leef- en voedingswijze, die mogelijk tot herstel van haar gezondheid kon leiden en een combinatie van beide. Slachtoffer 2 vond daarin geen reden terug te komen op haar besluit. Zij koos voor de tweede optie.

Bij dat consult was verdachte als notulist aanwezig. Daarna heeft zij enige malen verdachte geconsulteerd.

Getuige 8 heeft lang geprobeerd slachtoffer 2 te bewegen zich medisch te laten behandelen. Uiteindelijk inziende dat hij daarin niet zou slagen, heeft hij zich bij haar keuze neergelegd.

Volgens getuige 8 is zij tot haar overlijden achter haar oorspronkelijke keuze blijven staan en heeft zij geen blijk gegeven deze achteraf te betreuren.

Op grond van de hierboven weergegeven gang van zaken vindt de rechtbank het aannemelijk dat, indien verdachte haar in zijn consulten al dringend aangeraden zou hebben zich tevens medisch te laten behandelen (verdachte zegt dat gedaan te hebben, maar getuige 8, die in het begin bij enige van die consulten aanwezig is geweest, bestrijdt dat), slachtoffer 2 zo vastberaden was in haar afwijzing van de reguliere geneeskunde, dat dergelijk aanraden door verdachte op die keuze geen invloed zou hebben gehad.

Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen de consulten van verdachte aan slachtoffer 2 enerzijds en de verdere doorgroei van haar tumoren, de achteruitgang van haar gezondheid en de uiteindelijk dodelijke afloop van haar ziekte anderzijds.

Gelet op het voorgaande, behoort verdachte te worden vrijgesproken van heel het hem onder 2 telastegelegde.

5. De bewezenverklaring.

De rechtbank acht van feit 1 subsidiair wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op tijdstippen in de periode van 3 april 1994 tot 1 augustus 1994 in Nederland als macrobiotisch voedingsadviseur, beroepsmatig handelend, opzettelijk de gezondheid van slachtoffer 1 heeft benadeeld door deze slachtoffer 1, die lijdende was aan baarmoederhalskanker,

-niet actief te verwijzen naar de reguliere gezondheidszorg

en

-niet aan te raden zich te laten behandelen door “allopatische” artsen,

waardoor slachtoffer 1 de benodigde reguliere medische zorg is onthouden, mede tengevolge waarvan die slachtoffer 1 een verergering van haar ziektebeeld heeft bekomen.

6. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

7. De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straffen en maatregelen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De bewezenverklaarde opzettelijke benadeling van de gezondheid van slachtoffer 1 in 1994 is naar haar aard zo ernstig, dat een gevangenisstraf aangewezen is.

Bij de waardering van het bewezenverklaarde is voor de rechtbank ook van belang geweest dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van verdachte uiteindelijk zijn begrenzing vond in het zelfbeschikkingsrecht van slachtoffer 1.

In de strafoplegging neemt de rechtbank ten nadele van verdachte mee dat verdachte heeft verklaard geen verantwoordelijkheid van hemzelf te zien voor de wijze waarop slachtoffer 1 met zijn adviezen omging, ook niet toen hij in 1994 een verslechtering van haar gezondheidstoestand constateerde ten opzichte van die tijdens zijn consulten in 1991 en 1992. Hiermee ging hij voorbij aan het feit dat hij door zijn deskundigheid op het gebied van de macrobiotiek veel invloed kon hebben en daardoor een bijzondere verantwoordelijkheid droeg voor de keuzes die advieszoekenden aan de hand van zijn advisering maakten. Het respecteren van de keuze van slachtoffer 1 zich niet (tevens) medisch te laten behandelen, leek voor verdachte een vrijbrief te zijn om zijn eigen verantwoordelijkheid als adviseur uit de weg te gaan. In plaats daarvan diende hij er vanuit zijn bijzondere zorgplicht bij voortduring over te waken dat hij een bij slachtoffer 1 levende irreële angst voor regulier medisch ingrijpen niet aanwakkerde en steeds heel duidelijk te zijn over de beperkingen van de macrobiotiek en de eventuele noodzaak ook de reguliere geneeskunde te benutten. Dat hij dat in ieder geval in 1994 bij slachtoffer 1 niet heeft gedaan, rekent de rechtbank hem zwaar aan.

Nu de rechtbank in verband met de korte periode die is verlopen tussen het advies van mei 1994 en de ziekenhuisopname van slachtoffer 1 onvoldoende strafrechtelijk verband ziet tussen het handelen van verdachte en het optreden van zwaar lichamelijk letsel en de uiteindelijke dood van slachtoffer 1, komt de rechtbank tot een aanzienlijk lagere straf dan die, welke door de officier van justitie is gevorderd.

De omstandigheid dat over verdachte de afgelopen jaren veel negatieve berichten in de media verschenen dient naar het oordeel van de rechtbank een matigende werking op de strafmaat te hebben. Aannemelijk is dat deze berichtgeving zeer nadelige gevolgen voor verdachte, zijn gezin en zijn beroepsmatige activiteiten heeft gehad.

Naar het oordeel van de rechtbank is - alle omstandigheden in aanmerking nemend - een gevangenisstraf van 6 maanden passend en geboden. Op grond van de hiervoor genoemde matigende factoren ziet de rechtbank aanleiding die straf geheel voorwaardelijk op te leggen. Tevens ziet de rechtbank aanleiding een geldboete op te leggen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vervolging van verdachte voor feit 1 subsidiair, voor zover die de periode tot 3 april 1994 betreft.

Verklaart het onder 1 primair en 2 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 subsidiair meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijke benadeling van de gezondheid, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van ƒ 5.000,-- (zegge: vijfduizend gulden gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 50 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.N.A. Josephus Jitta, voorzitter,

mrs. C.M.E. de Koning en H.M. Patijn, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.A.M.C. van de Winkel, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van