Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2001:AD5087

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2001
Datum publicatie
05-11-2001
Zaaknummer
13/047806-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een misselijke en misplaatste grap. Hij had moeten beseffen dat die grap in de context van gebeurtenissen rond de miltvuurbacterie die in de VS en sinds kort ook in Nederland hadden plaatsgevonden tot angst en paniek aanleiding zou kunnen zijn.

Verdachte heeft de kans gehad om die angst beperkt te houden in tijd en omvang door zichzelf direct als dader te melden.

[..] Hij heeft de gevoelens van onveiligheid die na de aanslagen op 11 september 2001 en na de gevallen van miltvuurbesmetting toch al algemeen heersten, verder aangewakkerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM

Parketnummer: 13/047806-01

Datum uitspraak: 5 november 2001

Op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de politierechter te Amsterdam in de strafzaak tegen:

[R.], R.,

geboren te A. op 14 juli 1974,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres te P.

De politierechter heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 oktober 2001.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

De politierechter leest het in de tweede regel van het telastegelegde vermelde “Th.J. G.” als “H.A.Th.J. G.”, aangezien hier sprake is van een kennelijke omissie. Door de verbetering van deze omissie wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.

2. Voorvragen.

De raadsman heeft betoogd dat de dagvaarding niet voldoet aan de vereisten die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt en daarom nietig is.

Volgens de raadsman levert de omschrijving van de verweten gedragingen in de telastelegging niet zonder meer een bedreiging op in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Dit verweer wordt verworpen.

Verdachte heeft bij zijn verhoren en ook ter terechtzitting laten blijken dat het hem duidelijk was waarom de verweten gedragingen, die op zichzelf niet bedreigend zijn, in dit geval - tegen de achtergrond van de actuele gebeurtenissen met betrekking tot de miltvuurbacterie - door de opsteller van de telastelegging als bedreigend zijn aangemerkt.

3. Waardering van het bewijs.

3.1

Volgens de raadsman moet verdachte van het telastegelegde worden vrijgesproken, waartoe hij, samengevat, heeft aangevoerd

· dat bij de drie personen die bedreigd zouden zijn niet de redelijke vrees is ontstaan dat zij het leven zouden verliezen en dat de wil van de verdachte niet op het teweegbrengen daarvan was gericht;

· dat het telastegelegde objectief gezien onvoldoende is voor de toepassing van artikel 285 Sr. In dit geval ging het om een grap en is er geen relevante reden om aan te nemen dat de situatie in de Verenigde Staten van Amerika (VS) zonder meer kan worden geprojecteerd op een bedrijf en geadresseerde in Nederland;

· dat een reële bedreiging die van de ontvangst van de brief zou uitgaan nog onwaarschijnlijker is nu bij het bedrijf waar verdachte werkte de post enkel verspreid wordt via de postkamer en de bewuste envelop de naam droeg van het bedrijf zelf.

Ook dit verweer wordt verworpen.

3.2

In de weken voorafgaande aan 16 oktober 2001 zijn de angst voor en de - in enkele gevallen fatale - gevolgen van verspreiding van de miltvuurbacterie uit poststukken in de VS, in de Nederlandse media breed uitgemeten. Kort vóór 16 oktober 2001 zijn ook in Nederland verdachte postpakketjes onderzocht en zijn enkele bedrijven ontruimd na de ontvangst van verdachte poststukken.

In deze context kan van de ontvangst van een envelop met wit poeder een reële levensbedreiging uitgaan. Niet valt in te zien dat de situatie in dit opzicht wezenlijk zou verschillen van de situatie in de VS.

Dat het gaat om een envelop van het eigen bedrijf doet daarbij niet ter zake, nu het aannemelijk is dat in het geval van een echte aanslag de dader alles zal doen om de ontvanger van de envelop met de bacterie in aanraking te brengen en de ontvanger bij een “eigen” envelop wellicht minder wantrouwen zal koesteren dan bij post die van buiten komt.

Uit de stukken in het dossier komt naar voren dat de ontvanger van de envelop en zijn twee kamergenoten zich wel degelijk bedreigd hebben gevoeld. Met name omdat niemand van het personeel gehoor gaf aan de oproep zich als dader te melden, moest met de mogelijkheid rekening worden gehouden dat het daadwerkelijk om een terroristische aanslag met miltvuur ging en is de kamer waarin de drie personen en de bewuste envelop zich bevonden hermetisch afgesloten. Bij die gevoelens van angst heeft ook een rol gespeeld dat UPC een Amerikaans bedrijf is en als een zenuwcentrum van telecommunicatie werd beschouwd.

3.3

Verdachte en zijn mededader hebben willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de drie aanwezigen op de kamer waar de envelop is bezorgd de inhoud daarvan als levensbedreigend zouden beschouwen.

Daarmee is hun opzet op het telastelegde gegeven.

3.4

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 16 oktober 2001 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander H.A.Th.J. G. en G. R. en Ch.E.M. R. heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend op een enveloppe de naam en het kamernummer van H.A.Th.J.G. geschreven en wit poeder in die enveloppe gedaan en die enveloppe in de kamer waarin genoemde G. en R. en R. aanwezig zouden zijn, op het bureau van Th.J. G. gelegd.

4. Het bewijs.

De politierechter grondt zijn beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen.

Verdachte heeft zich met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een misselijke en misplaatste grap. Hij had moeten beseffen dat die grap in de context van gebeurtenissen rond de miltvuurbacterie die in de VS en sinds kort ook in Nederland hadden plaatsgevonden tot angst en paniek aanleiding zou kunnen zijn.

Verdachte heeft de kans gehad om die angst beperkt te houden in tijd en omvang door zichzelf direct als dader te melden.

De uitnodiging aan de dader om zich te melden kan verdachte in de gegeven situatie niet zijn ontgaan. Verdachte heeft zich diezelfde middag evenwel niet gemeld waardoor gedurende vele uren, waarin de inhoud van de envelop werd onderzocht, in het bedrijf en met name bij de drie personen die met de brief in contact waren geweest angst en onrust bleven bestaan.

Het gedrag van verdachte is ook maatschappelijk onverantwoord.

Hij heeft de gevoelens van onveiligheid die na de aanslagen op 11 september 2001 en na de gevallen van miltvuurbesmetting toch al algemeen heersten, verder aangewakkerd.

Aan de andere kant weegt mee dat verdachte geen strafblad heeft en vooral door zijn ontslag bij UPC, waar hij 5 jaar werkte, al ernstig is benadeeld.

Dit alles leidt tot de hierna op te leggen straf.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straf en de op te leggen maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36c, 47 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing (op tegenspraak)

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is aangegeven.

Het bewezenverklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen, met bevel dat de tijd die door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.

Veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: één enveloppe C5 zonder venster met opdruk UPC Nederland inhoudende wit poeder.

Hoewel door zowel H.A.Th.J. G., als G. R. als Ch.E.M. R. een formulier als bedoeld in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering is ingediend, worden die formulieren niet geacht een geldvordering te bevatten nu daarop geen bedragen zijn ingevuld.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.L. Mastboom, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. H.E. Rebel, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de politierechter van 5 november 2001.