Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2001:AD5085

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2001
Datum publicatie
05-11-2001
Zaaknummer
13/047805-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich met haar medeverdachte schuldig gemaakt aan een misselijke en misplaatste grap. Zij had moeten beseffen dat die grap in de context van gebeurtenissen rond de miltvuurbacterie die in de VS en sinds kort ook in Nederland hadden plaatsgevonden tot angst en paniek aanleiding zou kunnen zijn.

Verdachte heeft de kans gehad om die angst beperkt te houden in tijd en omvang door zichzelf direct als dader te melden.

Dit heeft zij, hoewel uitdrukkelijk daartoe uitgenodigd, niet gedaan waardoor gedurende vele uren, waarin de inhoud van de envelop werd onderzocht, in het bedrijf en met name bij de drie personen die met de brief in contact waren geweest angst en onrust bleven bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM

Parketnummer: 13/047805-01

Datum uitspraak: 5 november 2001

Op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de politierechter te Amsterdam in de strafzaak tegen:

[K.], S. N.,

geboren te A. op 17 augustus 1972,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres te A.

De politierechter heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 oktober 2001.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

De politierechter leest het in de tweede regel van het telastegelegde vermelde “Th.J. G.” als “H.A.Th.J. G.”, aangezien hier sprake is van een kennelijke omissie. Door de verbetering van deze omissie wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.

2. Voorvragen.

-----

3. Waardering van het bewijs.

3.1

In de weken voorafgaande aan 16 oktober 2001 zijn de angst voor en de - in enkele gevallen fatale - gevolgen van verspreiding van de miltvuurbacterie uit poststukken in de Verenigde Staten van Amerika (VS), in de Nederlandse media breed uitgemeten. Kort vóór 16 oktober 2001 zijn ook in Nederland verdachte postpakketjes onderzocht en zijn enkele bedrijven ontruimd na de ontvangst van verdachte poststukken.

In deze context kan van de ontvangst van een envelop met wit poeder een reële levensbedreiging uitgaan. Niet valt in te zien dat de situatie in dit opzicht wezenlijk zou verschillen van de situatie in de VS.

Dat het gaat om een envelop van het eigen bedrijf doet daarbij niet ter zake, nu het aannemelijk is dat in het geval van een echte aanslag de dader alles zal doen om de ontvanger van de envelop met de bacterie in aanraking te brengen en de ontvanger bij een “eigen” envelop wellicht minder wantrouwen zal koesteren dan bij post die van buiten komt.

Uit de stukken in het dossier komt naar voren dat de ontvanger van de envelop en zijn twee kamergenoten zich wel degelijk bedreigd hebben gevoeld. Met name omdat niemand van het personeel gehoor gaf aan de oproep zich als dader te melden, moest met de mogelijkheid rekening worden gehouden dat het daadwerkelijk om een terroristische aanslag met miltvuur ging en is de kamer waarin de drie personen en de bewuste envelop zich bevonden hermetisch afgesloten. Bij die gevoelens van angst heeft ook een rol gespeeld dat UPC een Amerikaans bedrijf is en als een zenuwcentrum van telecommunicatie werd beschouwd.

3.2

Het verweer van de raadsman dat verdachte geen opzet kan worden verweten omdat zij de berichtgeving over de gebeurtenissen in de VS bewust zou hebben gemeden, wordt als niet aannemelijk van de hand gewezen.

3.3

De raadsman heeft ook aangevoerd dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt nu haar aandeel in het telastegelegde gering is geweest. De andere verdachte kwam met het idee en heeft vrijwel alle uitvoeringshandelingen verricht.

Dit verweer wordt verworpen. Verdachte heeft bij de uitvoering van het bewezenverklaarde nauw en volledig samengewerkt met de andere verdachte. Zij heeft zelf handelingen verricht die voor het bewezenverklaarde essentieel zijn, zoals het adresseren van de bewuste envelop. Dat het idee niet van haar afkomstig is doet daaraan niet af.

3.4

Verdachte en haar mededader hebben willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de drie aanwezigen op de kamer waar de envelop is bezorgd de inhoud daarvan als levensbedreigend zouden beschouwen.

Daarmee is hun opzet op het telastelegde gegeven.

3.5

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 16 oktober 2001 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander Th.J. G. en G. R. en Ch.E.M. R. heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en haar mededader opzettelijk dreigend op een enveloppe de naam en het kamernummer van Th.J.G. geschreven en wit poeder in die enveloppe gedaan en die enveloppe in de kamer waarin genoemde G. en R. en R. aanwezig zouden zijn, op het bureau van Th.J. G. gelegd.

4. Het bewijs.

De politierechter grondt zijn beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen.

Verdachte heeft zich met haar medeverdachte schuldig gemaakt aan een misselijke en misplaatste grap. Zij had moeten beseffen dat die grap in de context van gebeurtenissen rond de miltvuurbacterie die in de VS en sinds kort ook in Nederland hadden plaatsgevonden tot angst en paniek aanleiding zou kunnen zijn.

Verdachte heeft de kans gehad om die angst beperkt te houden in tijd en omvang door zichzelf direct als dader te melden.

Dit heeft zij, hoewel uitdrukkelijk daartoe uitgenodigd, niet gedaan waardoor gedurende vele uren, waarin de inhoud van de envelop werd onderzocht, in het bedrijf en met name bij de drie personen die met de brief in contact waren geweest angst en onrust bleven bestaan.

Het gedrag van verdachte is ook maatschappelijk onverantwoord.

Zij heeft de gevoelens van onveiligheid die na de aanslagen op 11 september 2001 en na de gevallen van miltvuurbesmetting toch al algemeen heersten, verder aangewakkerd.

Aan de andere kant weegt mee dat verdachte geen strafblad heeft en vooral door haar ontslag bij UPC, waar zij 5 jaar werkte, al ernstig is benadeeld.

Dit alles leidt tot de hierna op te leggen straf.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straf en de op te leggen maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36c, 47 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing (op tegenspraak)

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.5 is aangegeven.

Het bewezenverklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen, met bevel dat de tijd die door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.

Veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: één enveloppe C5 zonder venster met opdruk UPC Nederland inhoudende wit poeder.

Hoewel door zowel H.A.Th.J. G., als G. R. als Ch.E.M. R. een formulier als bedoeld in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering is ingediend, worden die formulieren niet geacht een geldvordering te bevatten nu daarop geen bedragen zijn ingevuld.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.L. Mastboom, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. H.E. Rebel, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de politierechter van 5 november 2001.