Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2001:AD5015

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-10-2001
Datum publicatie
05-11-2001
Zaaknummer
AWB 00/4789 WAO
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2004:AR2253
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder op goede gronden heeft beslist eisers uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 juni 2000 te beëindigen.

Eiser is door de strafrechter veroordeeld tot een gevangenisstraf. Daarnaast heeft de strafrechter hem een terbeschikkingstelling (tbs) als bedoeld in artikel 37a of artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) opgelegd. Eisers gevangenisstraf is geëindigd op 25 oktober 1999. Omdat er op dat moment nog geen plaats was in een tbs-kliniek is eiser als zogenoemde tbs-passant geplaatst is het huis van bewaring te X. In mei 2000 is eiser, nog altijd als tbs-passant, overgeplaatst naar de penitentiaire inrichting Y te Z en in september 2000 naar de penitentiaire inrichting P te Q.

Hoger beroep: LJN AR2253

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, New York, 16-12-1966 26, geldigheid: 2001-10-22
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 1, geldigheid: 2001-10-22
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43, geldigheid: 2001-10-22
Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden XV, geldigheid: 2001-10-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 00/4789 WAO

van:

A, verblijvende te B,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. D.D. Pietersz,

tegen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door R. de Nijs.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 24 oktober 2000 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van 18 oktober 2000, namens verweerder genomen door Gak Nederland bv.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 13 september 2001.

2. OVERWEGINGEN

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder op goede gronden heeft beslist eisers uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 juni 2000 te beëindigen.

Eiser is door de strafrechter veroordeeld tot een gevangenisstraf. Daarnaast heeft de strafrechter hem een terbeschikkingstelling (tbs) als bedoeld in artikel 37a of artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) opgelegd. Eisers gevangenisstraf is geëindigd op 25 oktober 1999. Omdat er op dat moment nog geen plaats was in een tbs-kliniek is eiser als zogenoemde tbs-passant geplaatst is het huis van bewaring te X. In mei 2000 is eiser, nog altijd als tbs-passant, overgeplaatst naar de penitentiaire inrichting Y te Z en in september 2000 naar de penitentiaire inrichting P te Q.

Op 1 mei 2000 is de Wet Socialezekerheidsrechten Gedetineerden (WSG) in werking getreden. Deze wet heeft in een aantal socialezekerheidswetten bepalingen geïntroduceerd die ertoe strekken te voorkomen dat degene die rechtens zijn vrijheid is ontnomen aanspraak kan maken op een uitkering.

Voor het onderhavige geding zijn van belang de door de WSG in de WAO geïntroduceerde bepalingen neergelegd in de artikelen 1, eerste lid, onder k, en 43, vijfde lid, en de in artikel XV van de WSG neergelegde overgangsbepaling.

Artikel 43, vijfde lid, van de WAO bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken indien degene die recht heeft op die uitkering rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag waarop deze vrijheidsontneming een maand heeft geduurd. Op grond van artikel XV van de WSG dient ten aanzien van degene wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de WSG reeds rechtens was ontnomen als eerste dag van vrijheidsontneming te worden aangemerkt de dag van inwerkingtreding van de WSG.

Artikel 1, eerste lid, onder k, van de WAO bepaalt dat onder rechtens zijn vrijheid ontnomen dient te worden verstaan: rechtens zijn vrijheid ontnomen, behoudens de gevallen bedoeld in de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) en in artikel 37, eerste lid, van het WvSr.

Verweerder heeft eisers uitkering onder toepassing van genoemde bepalingen per 1 juni 2000 beëindigd.

Eiser stelt zich primair op het standpunt dat verweerder hem ten onrechte als een „gewone“ gedetineerde heeft behandeld. Eiser voert in dit verband aan dat sprake is van een gedwongen opname als omschreven in art. 1 jo. Hoofdstuk VI, paragraaf 1 van de Wet BOPZ, zodat hij onder de uitzonderingen van de WSG valt. Dat hij, omdat er nog geen plaats is in een tbs-kliniek, tijdelijk in een huis van bewaring is geplaatst kan daaraan naar zijn mening niet afdoen..

Subsidiair acht eiser het bestreden besluit in strijd met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (IVBPR). In zijn visie is sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid op grond van het feit dat hij in een penitentiaire inrichting verblijft.

Meer subsidiair stelt eiser dat verweerder zijn uitkering, in strijd met vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, met terugwerkende kracht heeft ingetrokken.

De rechtbank overweegt het volgende.

Eiser lijkt te veronderstellen dat zijn uitkering, wanneer hij op dat moment reeds in een tbs-kliniek zou zijn geplaatst, niet per 1 juni 2000 zou zijn beëindigd. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Uit het gegeven dat eiser niet alleen een tbs is opgelegd, maar ook een gevangenisstraf, leidt de rechtbank af dat het hier gaat om een tbs als bedoeld in artikel 37a of 37b van het WvSr.

De gedwongen plaatsing in een tbs-kliniek op grond van artikel 37a of 37b van het WvSr valt niet onder de uitzonderingen van artikel 1, eerste lid, onder k, van de WAO. Een gedwongen plaatsing op grond van artikel 37a of 37b van de WAO is, anders dan eiser lijkt te veronderstellen, niet hetzelfde als een plaatsing op grond van de Wet Bopz. Voor zover eisers veronderstelling dat hij bij plaatsing in een tbs-kliniek zijn uitkering wel zou hebben behouden is ingegeven door de gedachte dat het het R Instituut te S, waar eiser zou worden geplaatst, een psychiatrisch ziekenhuis is als bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet Bopz, merkt de rechtbank op dat het aanmerken van een ziekenhuis als psychiatrisch ziekenhuis in de zin van genoemde bepaling niet impliceert dat een ieder die in dat ziekenhuis verblijft daar is geplaatst onder toepassing van de Wet Bopz..

Nu eiser zijn uitkering ook bij plaatsing in een tbs-kliniek niet zou hebben behouden, treft eisers primaire grief geen doel.

Eisers subsidiaire grief lijkt, evenals zijn primaire grief, gestoeld op de gedachte dat iemand die in een tbs-kliniek verblijft zijn uitkering wel behoudt. Aangezien deze gedachte, zoals hiervoor aangegeven, niet juist is, kan eisers subsidiaire grief ook geen doel treffen.

Indien eiser meent dat gedetineerden voor de toepassing van de WAO zonder meer gelijk gesteld moeten worden aan niet-gedetineerden volgt de rechtbank eiser niet. Een gedetineerde verkeert immers in beginsel door een hem toe te rekenen oorzaak in een situatie waarin hij niet door arbeid in zijn inkomen kan voorzien. Bovendien zijn gedurende detentie de minimaal noodzakelijke voorzieningen voor het bestaan gegarandeerd.

Voor zover eisers subsidiaire grief echter zo moet worden begrepen dat eiser daar, meer algemeen, mee doelt op het onderscheid in behandeling tussen de verschillende vormen van gedwongen plaatsing merkt de rechtbank het volgende op.

Om de vraag te kunnen beantwoorden of het door de wetgever gemaakte onderscheid in overeenstemming is met artikel 26 van het IVBPR, dient allereerst te worden bezien of de verschillende vormen van gedwongen plaatsing kunnen worden aangemerkt als gelijke gevallen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de tbs op grond van artikel 37a of 37b van het WvSr, de gedwongen plaatsing op grond van artikel 37, eerste lid, WvSr en de opname op grond van de Wet Bopz voor de toets aan de artikel 14 van het EVRM en 26 van het IVBPR niet worden aangemerkt als gelijke gevallen. Deze drie vormen van gedwongen plaatsing vertonen weliswaar raakvlakken, maar ze verschillen onderling aanzienlijk met name ten aanzien van de gronden waarop tot plaatsing kan worden besloten en ten aanzien van het rechtsregime dat tijdens de plaatsing geldt.

De rechtbank wijst er in dit verband op dat zowel voor degene die gedwongen wordt geplaatst op grond van artikel 37, eerste lid, van het WvSr als voor degene die gedwongen wordt opgenomen op grond van de Wet Bopz geldt dat zijn vrijheidsontneming hem niet kan worden aangerekend. Bij degene die ter beschikking is gesteld op grond van artikel 37a of 37b van het WvSr ligt dit anders.

Nu geen sprake is van gelijke gevallen kan reeds daarom geen sprake zijn van schending artikel 26 van het IVBPR.

Ten aanzien van eisers meer subsidiaire grief merkt de rechtbank op dat hij in het midden zal laten of een situatie als hier aan de orde, waarin het besluit de uitkering te beëindigen weliswaar wordt genomen na de eerste van maand met ingang waarvan de uitkering wordt beëindigd doch voor het moment waarop de uitkering gewoonlijk wordt uitbetaald, dient te worden aangemerkt als een beëindiging met terugwerkende kracht. Voor zover al sprake is van een beëindiging met terugwerkende kracht ziet de rechtbank daarvoor geen belemmeringen nu eiser genoegzaam op de hoogte had kunnen zijn van het feit dat hij rekening diende te houden met een beëindiging van zijn uitkering per 1 juni 2000.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep van eiser ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht aan eiser ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. T. van Peijpe, voorzitter, mr. R.B. Kleiss en mr. A. van Sonsbeeck, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.I. van der Kris, griffier,

en uitgesproken in het openbaar op:

door mr. T. van Peijpe, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

AK