Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2001:AD4837

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2001
Datum publicatie
25-10-2001
Zaaknummer
13/129379-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte [heeft] zonder vergunning financiële handelingen in Nederland ten behoeve van de handel in strategische goederen, (onderdelen van) wapens, verricht en daarmee het stelsel van gecontroleerde handel in militaire goederen, ten behoeve van de internationale rechtsorde, heeft ondermijnd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM

Parketnummer: 13/129379-00

Datum uitspraak: 25 oktober 2001

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, 8e meervoudige economische strafkamer A, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te Dhadhar (Pakistan) op 6 maart 1947,

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 oktober 2001.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

--------------

3. Waardering van het bewijs.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

A en K Handels Combinatie Groep B.V. als ingezetene in de zin van artikel 1 onder a sub 2 van de Wet financiële betrekkingen 1994, meermalen in de periode van 1 januari 1997 tot en met 11 december 2000 te Diemen (mede bedrijfsvoerend onder de handelsnaam A en K Handels Combinatie Groep) opzettelijk zonder een door de Minister van Financiën verleende vergunning handelingen heeft verricht ten behoeve van het financiële verkeer met betrekking tot de driehoekshandel van strategische goederen, zijnde goederen welke tot en met 29 april 1997 waren aangewezen in bijlage 1 en vanaf 30 april 1997 waren aangewezen in de bijlage bij het Uitvoerbesluit strategische goederen 1963, hierna te noemen de Bijlage, welke goederen zich buiten de Gemeenschap bevonden, zulks terwijl de uitvoer van die goederen, zonder vergunning van de Minister van Economische Zaken was verboden op basis van artikel 2 lid 1 van het Uitvoerbesluit strategische goederen 1963 (tot en met 28 april 2000), immers heeft voornoemde B.V. aldaar

1.

in de maand juli 1997 (als begunstigde) een documentair krediet

(LC 97/085/GOV/WCB/0403 met Bank 1 en Bank 2 te Londen mede tot stand gebracht betreffende betalingsverkeer tussen Pakistan en Nederland met betrekking tot de verkoop aan Pakistan Ordnance Factories te Pakistan van in Joegoslavië geproduceerde onderdelen voor granaten (zijnde goederen aangewezen in voornoemde Bijlage), welke goederen, zonder het Nederlandse grondgebied aan te doen, vanuit Joegoslavië naar Pakistan werden verzonden terzake waarvan een bankrekening ten name van A & K Handels Combinatie Groep V.O.F. omstreeks 26 september 2000 met een bedrag van usd 136.508,69 werd gecrediteerd en omstreeks 23 november 2000 met een bedrag van usd 48.846,40 werd gecrediteerd en

2.

in de maand oktober 1998 (als verzoeker) een onherroepelijk geconfirmeerd documentair krediet (LC 01RI208761) mede tot stand gebracht betreffende betalingsverkeer tussen Pakistan en Nederland met betrekking tot de aankoop van Pakistan Ordnance Factories te Pakistan en de verkoop aan Euroinvest in Macedonië van machinepistolen (submachineguns MP5a2 en MP5a3) (zijnde goederen aangewezen in voornoemde Bijlage), welke goederen in ieder geval zonder het Nederlandse grondgebied aan te doen, vanuit Pakistan naar Macedonië werden verzonden terzake waarvan een bankrekening ten name van A en K Handels Combinatie Groep omstreeks 16 november 1998 met een bedrag van usd 102.104,08 werd gedebiteerd en

3.

in de maand september 1998 als (begunstigde) drie onherroepelijke documentaire kredieten (LC 101/858271/1523 en LC 101/858270/1523 en LC 101/858223/1523 mede tot stand gebracht betreffende betalingsverkeer tussen Pakistan en Nederland met betrekking tot de verkoop aan Pakistan Machine Tool Factory te Pakistan vanuit Slovenië van

a.

onderdelen voor een anti-tankwapen (zijnde goederen aangewezen in voornoemde Bijlage), welke goederen, zonder het Nederlands grondgebied aan te doen, vanuit Slovenië naar Pakistan werden verzonden terzake waarvan omstreeks 30 november 1998 en 19 januari 1999 een bankrekening ten name van A en K Handels Combinatie Groep werd gecrediteerd respectievelijk met een bedrag van usd 32.683, 63 en met een bedrag van usd 25.923,05 en

b.

onderdelen voor mortieren (zijnde goederen aangewezen in voornoemde Bijlage), welke goederen, zonder het Nederlandse grondgebied aan te doen, vanuit Slovenië naar Pakistan werden verzonden terzake waarvan omstreeks 30 november 1998 en omstreeks 19 januari 1999 een bankrekening ten name van A en K Handels Combinatie Groep met een bedrag van usd 20.052,53 en een bedrag van usd 61.565,00 werd gecrediteerd en

c.

onderdelen voor mortieren (zijnde goederen aangewezen in voornoemde Bijlage) welke goederen, zonder het Nederlands grondgebied aan te doen, vanuit Slovenië naar Pakistan werden verzonden terzake waarvan omstreeks 23 november 1998 een bankrekening ten name van A en K Handels Combinatie Groep met een bedrag van usd 63.100,19 werd gecrediteerd,

zulks terwijl hij, verdachte, als zelfstandig bevoegd directeur van de B.V. feitelijk leiding heeft gegeven aan voornoemde strafbare gedragingen.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen:

1. De verdediging heeft aangevoerd dat van handelingen ten behoeve van het financiële verkeer door verdachte geen sprake is geweest, nu de documentaire kredieten waarop de telastelegging betrekking heeft telkens door de bank zijn verstrekt en geen handeling zijn van verdachte. De rechtbank verwerpt dit bewijsverweer. Uit de bewijsmiddelen volgt dat A en K Handels Combinatie Groep B.V. telkens overeenkomsten heeft gesloten welke overeenkomsten steeds voorzien in het stellen van documentair krediet ten behoeve van de financiering van de goederen die blijkens die overeenkomsten worden verhandeld. Het aangaan van die overeenkomsten kan worden aangemerkt als een handeling ten behoeve van het financiële verkeer, aan welke handeling door verdachte telkens leiding is gegeven.

2. De verdediging heeft aangevoerd dat de onderhavige goederen geen strategische goederen als bedoeld in de bijlage bij het In- en Uitvoerbesluit betreffen, nu de onderdelen voor andere doeleinden te gebruiken zouden kunnen zijn en er dus sprake is van goederen voor tweeërlei gebruik. Dit verweer moet worden verworpen, omdat de betreffende goederen ook wat hun onderdelen betreft voorkomen op de lijst van strategische goederen en niet op de lijst met goederen voor tweeërlei gebruik.

3. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet op de hoogte was van het bestaan van de regeling die thans is te last gelegd, zodat hij niet het opzet heeft gehad die regeling te overtreden. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

Verdachte houdt zich al jaren bezig met de beroepsmatige driehoekshandel in strategische

goederen. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in wapens en

aanverwante producten nationaal en internationaal aan tal van beperkende maatregelen is

onderworpen. Uit de omstandigheid dat verdachte in door hem aangegane contracten

- naar ter terechtzitting is gebleken - wel bewust de ware aard van de daarbij verhandelde

goederen heeft versluierd, kan worden afgeleid dat ook verdachte zich daarvan rekenschap

heeft gegeven. Reeds om die reden moet worden aangenomen dat verdachte, door zich

niet nader te informeren omtrent de geldende regelgeving willens en wetens het

aanmerkelijke risico heeft genomen in strijd te handelen met regels die de internationale

wapenhandel beogen te beperken en reguleren.

5. De strafbaarheid van de feiten.

De materiële wederrechtelijkheid.

De verdediging heeft het volgende verweer opgeworpen.

Naar geldend recht is Nederland op grond van artikel 5 van het NAVO verdrag bijstand verschuldigd aan de Verenigde Staten in de strijd tegen terroristen. Pakistan verleent de Verenigde Staten ook bijstand. De onderhavige regelgeving staat eraan in de weg dat Nederland aan Pakistan militaire bijstand verleent, terwijl het NAVO verdrag Nederland daar juist toe verplicht. Een en ander leidt ertoe dat er sprake is van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. De rechtbank overweegt het volgende.

Aan de orde is de vraag of het handelen van verdachte ten tijde van de feiten zijn strafwaardig karakter heeft verloren door de internationale ontwikkelingen. De vraag of de internationale ontwikkelingen er toe zouden kunnen leiden dat thans mogelijk wel een vergunning zou kunnen zijn verleend kan aan de strafwaardigheid van de handelingen van verdachte niet afdoen. De handelingen van verdachte moeten immers beoordeeld worden in de historische context waarin zij hebben plaatsgevonden. Van een gewijzigd inzicht omtrent de strafwaardigheid van het handelen zonder vergunning is voorts niet gebleken.

Het verweer wordt verworpen.

Verbindendheid regelgeving.

De verdediging heeft aangevoerd dat het In- en Uitvoer Besluit Strategische Goederen in strijd is met internationale verdragen in het bijzonder met artikel 113 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Naar de rechtbank aanneemt bedoelt de verdediging de tekst van artikel 113 van het Verdrag van voor 1997, het huidige artikel 133.

De rechtbank vat dit verweer aldus op dat de verdediging van opvatting is dat het Besluit buiten toepassing moet blijven wegens strijd met een verdragsbepaling met directe werking. Die strijd zou er dan in bestaan dat Nederland, in afwijking van de overige EG-landen geen vergunningen verleent (verleende) voor wapenhandel met Pakistan.

Het verweer moet worden verworpen.

Dat de (financiële afhandeling van ) transito- en driehoekshandel in strategische goederen door de lidstaten aan vergunningen is gebonden, is op zichzelf niet in strijd met de bepalingen van het Verdrag. De toetsing van het vergunningbeleid in het concrete geval aan de bepalingen van het EG-verdrag en andere internationale verdragen kan geschieden bij de aanvraag van een vergunning en de rechtsgang die openstaat tegen een eventuele weigering van een vergunning. Nu geen vergunning is aangevraagd kan de rechtbank daarin niet treden.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zonder vergunning financiële handelingen in Nederland ten behoeve van de handel in strategische goederen, (onderdelen van) wapens, heeft verricht en daarmee het stelsel van gecontroleerde handel in militaire goederen, ten behoeve van de internationale rechtsorde, heeft ondermijnd. De rechtbank acht een werkstraf en mede gezien het financiële gewin van verdachte een aanzienlijke geldboete passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijk vrijheidsstraf opleggen om verdachte te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 51, 57 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 1 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 2 van de In- en uitvoerwet, artikel 5 van de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994, artikel 1 van het Besluit financieel verkeer strategische goederen 1996, artikel 2 van het Uitvoerbesluit strategische goederen 1963

en het In- en uitvoerbesluit strategische goederen en de bijhorende Bijlage.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing:

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5, eerste lid van de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van ƒ 100.000,- (honderdduizend gulden gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van

360 dagen.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. C.M.E. de Koning en J.J. Molenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.H. Felix, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 oktober 2001.