Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2001:AB3067

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2001
Datum publicatie
03-08-2001
Zaaknummer
KG 01/1331 Pee
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2001, 212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Pee/IS

vonnis 2 augustus 2001

DE PRESIDENT VAN DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM, RECHTSPREKENDE IN KORT GEDING in de zaak:

rolnummer KG 01/1331 Pee

1. WERKGROEP AGNI, gevestigd te 's-Gravenhage,

en

2. [eiser2], wonende te [woonplaats],

en

3. [eiser3], wonende te [woonplaats],

en

4. Twintigduizend HINDOES EN SYMPATHISANTEN, wonende in diverse

gemeenten in heel Nederland,

e i s e r s bij dagvaarding van 27 juni 2001,

procureur mr. G.W. Kernkamp,

advocaat mr. B.R. Angad-Gaur te 's-Gravenhage,

t e g e n :

de commanditaire vennootschap SHIVA ENTERTAINMENT C.V.,

gevestigd te Diemen,

g e d a a g d e ,

procureur mr. P. Katz.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE :

Ter terechtzitting van 23 juli 2001 hebben eisers gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, welke, zonder bezwaar, ter terechtzitting is gewijzigd.

Tijdens de zitting heeft de advocaat van eisers, mr. Angad-Gaur voornoemd, een akte tot voeging genomen. Daarbij is verzocht dat achtentwintigduizend Hindoes en sympathisanten zich als eisers mogen voegen in onderhavige procedure. Daartoe heeft

mr. Angad-Gaur een hoeveelheid lijsten, voorzien van namen, adressen en handtekeningen van personen in het geding gebracht.

Gedaagde heeft zich verzet tegen voeging van deze personen en verder verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening.

Na verder debat hebben partijen stukken, waaronder van weerszijden producties en pleitnotities, overgelegd voor vonniswijzing.

GRONDEN VAN DE BESLISSING :

In het incident

1. Gedaagde verzet zich terecht tegen de gevraagde voeging, nu eerst ter terechtzitting

een lijst met namen van belanghebbenden is overgelegd. Van een aantal van de op die

lijst staande personen zijn de voorna(a)m(en) en/of het adres niet vermeld. In dit verband kan er ook niet aan worden voorbijgegaan dat de akte tot voeging vermeldt dat er 28.000 personen zijn die zich aan de zijde van eisers willen voegen, terwijl de raadsman van eisers heeft verklaard dat hij niet exact weet hoeveel belanghebbenden op de lijst zijn vermeld, doch dat dat ongeveer 28.000 personen moeten zijn.

Een kort geding procedure leent zich niet voor verder onderzoek naar de identiteit van die personen en het belang van elk afzonderlijk individu. De procedure zou daardoor onevenredig worden vertraagd.

Bovendien blijkt uit de lijsten met namen niet dat belanghebbenden, door op die lijsten

een handtekening te zetten, hebben beoogd partij in een civiele procedure te worden met de mogelijkheid van een veroordeling in de proceskosten bij afwijzing van de vordering. De lijsten vermelden slechts: "Actie SHIVA" en "Actie tegen misbruik van de naam SHIVA".

De gevraagde voeging zal daarom worden afgewezen.

Ten principale

2. De raadsman van eisers heeft ter terechtzitting verklaard dat Werkgroep Agni bestaat uit

een samenwerkingsverband zonder vaste deelnemers en dat Werkgroep Agni geen

statutaire rechtspersoonlijkheid bezit. Werkgroep Agni kan derhalve

niet als een vereniging met een vaste ledengroep worden aangemerkt. Nu verder

onvoldoende feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan Werkgroep Agni

rechtspersoonlijkheid bezit kan Werkgroep Agni niet in haar vordering worden

ontvangen.

3. De raadsman van eisers heeft verklaard dat de in de dagvaarding genoemde eisers sub

4. dezelfde personen betreffen als de personen die zich ter terechtzitting wilden voegen

en dat deze eisers ook op de overgelegde lijst zijn vermeld.

Nu deze lijst, bij het uitbrengen van de dagvaarding, niet aan gedaagde is betekend, is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zodat ook deze eisers niet in hun vordering kunnen worden ontvangen.

4. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. Gedaagde is op 12 september 1995 opgericht en voert sedertdien als handelsnaam

"Shiva Entertainment CV". Haar bedrijfsvoering bestaat uit de verkoop van porno-

grafische videobanden.

b. Binnen de Hindoe-filosofie wordt met de naam "Shiva" aangeduid Het Opperwezen;

Shiva staat synoniem voor God bij aanhangers van de Hindoe-religie.

5. Eisers vorderen, na wijziging van eis, gedaagde te gelasten de naam van haar bedrijf te wijzigen en wel in dier voege dat de naam "Shiva" of iedere mogelijke verwijzing naar

"Shiva" achterwege wordt gelaten zulks binnen 24 uur na het wijzen van dit vonnis en op straffe van een dwangsom van ¦ 1.000.000,-- per dag.

Eisers voeren, kort weergegeven, aan dat het verkopen van pornografische producten onder de handelsnaam "Shiva Entertainment CV" onrechtmatig is omdat de gevoelens van de aanhangers van de Hindoe-religie daardoor worden gekwetst, dat er daardoor sprake is van godslastering, van belediging en van schending van de normen ter handhaving van de openbare orde. Deze, op godsdienstige gevoelens krenkende manier van uitlaten is in strijd met de openbare orde of goede zeden, aldus eisers.

6. Gedaagde voert als verweer aan dat een vordering tot wijziging van de

Handelsnaam slechts gebaseerd kan zijn op artikel 6 van de Handelsnaamwet en dat de gronden waarop een handelsnaam kan worden gewijzigd, limitatief in de Handelsnaamwet zijn opgesomd. Een vordering op grond van het bepaalde in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek kan niet strekken tot wijziging van de handelsnaam, juist omdat in artikel 6 lid 1 van de Handelsnaamwet de zinsnede "onverminderd zijn vordering krachtens titel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek" is opgenomen, aldus gedaagde.

Gedaagde heeft voorts bestreden dat zij onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld door zich schuldig te maken aan godslastering of aan belediging, omdat zij legaal porno-grafische videobanden verkoopt en zij daarbij geen verband legt met het Hindoeïsme. Zij heeft ook nimmer de intentie gehad zich smalend uit te laten ten opzichte van Het Opperwezen. Zij heeft de handelsnaam "Shiva" gekozen omdat zij deze naam kende als gangbare meisjesnaam, zonder dat zij op de hoogte was van Shiva als

aanduiding van God.

Beoordeling van het geschil

7. Gedaagde heeft terecht betoogd dat, nu een vordering tot wijziging van de handelsnaam

is ingesteld, die vordering slechts gebaseerd kan zijn op artikel 6 van de Handelsnaam-

wet. Dit volgt uit de bewoordingen van lid 1 van dat artikel waarin voormelde zinsnede

is opgenomen.

De artikelen 3 tot en met 5b van de Handelsnaamwet geven verboden met betrekking tot

het voeren van bepaalde handelsnamen. Gesteld noch gebleken is dat gedaagde in strijd met die verboden haar handelsnaam voert.

Overigens kan daarbij worden opgemerkt dat een veroordeling tot wijziging van de handelsnaam constitutief van aard is en reeds daarom al niet bij wijze van voorlopige voorziening in kort geding toegewezen kan worden.

8. Een ruime uitleg van de vordering van eisers brengt met zich dat daarin ook kan worden gelezen een verbod tot het gebruik van de handelsnaam "Shiva".

Ook zo gelezen kan de vordering niet worden toegewezen. Door eisers is niet weer-

sproken dat de naam Shiva niet exclusief wordt gebruikt voor de aanduiding van God, maar dat Shiva ook een gangbare meisjesnaam in Nederland is, zoals ook blijkt uit de door de gedaagde in het geding gebrachte, op Web-sites geplaatste lijsten van veelgebruikte meisjesnamen. Evenmin is door eisers weersproken dat diverse ondernemingen van allerlei aard de naam Shiva als handelsnaam of als deel van hun handelsnaam gebruiken zonder dat daartegen uit godsdienstige overwegingen bezwaar is gemaakt.

Nu voorshands ervan moet worden uitgegaan dat de door gedaagde verkochte producten niet in strijd met het Nederlandse recht op de markt worden gebracht is er geen grond uitsluitend vanwege de aard van dat product het gebruik van de naam Shiva onrechtmatig te oordelen.

Geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit kan blijken dat gedaagde heeft beoogd door het gebruik van het woord Shiva in de handelsnaam de naam van God te gebruiken of te misbruiken. Het gebruik van de naam Shiva door gedaagde in haar handelsnaam is derhalve jegens eisers niet onrechtmatig.

Hoezeer duidelijk en begrijpelijk is dat eisers pijnlijk zijn getroffen in hun religieuze gevoelens door het gebruik van de naam Shiva in de handelsnaam van gedaagde, op grond van het bovenstaande dient de gevraagde voorziening te worden geweigerd.

B E S L I S S I N G :

In het incident

Wijst het verzoek tot voeging af.

Ten principale

1. Verklaart eisers sub. 1 en sub 4. niet ontvankelijk in hun vordering.

2. Weigert de gevraagde voorziening.

3. Veroordeelt eisers sub 2. en 3. hoofdelijk in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van gedaagde begroot op ƒ 400,= wegens vastrecht en op ƒ 1.550,= aan salaris procureur.

4. Verklaart dit vonnis, voor zover betreft de kostenveroordeling, uitvoerbaar bij

voorraad.

Gewezen door de vice-president mr J.A.J. Peeters, fungerend president der Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 2 augustus 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.: