Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2001:AB2552

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2001
Datum publicatie
11-07-2001
Zaaknummer
13/127287-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een organisatie die een transportlijn beheerde waarlangs vanuit Turkije heroïne in Nederland werd ingevoerd met als belangrijk doel de doorvoer naar Engeland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 26 juni 2001

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, meervoudige kamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

wonende [adres en woonplaats]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Utrecht" te Nieuwegein.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 maart 2001, 4, 5 en 9 april 2001, 2 en 8 mei 2001, 5, 12, 20 en 26 juni 2001.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting van 26 maart 2001 nader omschreven alsmede ter terechtzitting van 9 april 2001 en 5 juni 2001 gewijzigd, met dien verstande dat:

Ten aanzien van feit 1:

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 10 oktober 2000 te Amsterdam en/of te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer) en/of te Duiven en/of te Roermond en/of (elders) in Nederland en/of te Groot-Brittannie en/of te Italië tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie welke werd gevormd door hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of (ene) [medeverdachte 10] en/of (een) ander(en) welke organisatie tot oogmerk had het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, (mede) als bedoeld in artikel 1, leden 4 en/of 5, van de Opiumwet en/of het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van (een of meer) hoeveelhe(i)d(en) cocaine en/of heroine en/of XTC (MDA en/of MDMA) en/of hashish en/of marihuana, althans hoeveelheden van middelen als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder d van de Opiumwet en vermeld op de bij die wet behorende lijst I en/of II en/of de opzettelijke uitlokking van en/of poging tot en/of medeplichtigheid aan en/of tot de hierboven omschreven misdrijven, welke deelneming bestond uit het:

· meedoen aan die misdrijven en/of

· houden van besprekingen en/of

· verschaffen van inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten met betrekking tot de uitvoering van die misdrijven en/of

· onderhouden van contacten met de leveranciers en/of transporteurs van die cocaine en/of heroine en/of XTC (MDA en/of MDMA) en/of hashish en/of marihuana, althans dat/die middel(en) en/of

· regelen van bestemmings- en afzendadressen en/of (doen) overbrengen van die cocaine en/of die heroine en/of XTC (MDA en/of MDMA) en/of hashish en/of marihuana, althans dat/die middel(en), en/of

· (doen) overboeken van gelden ter verwezenlijking van die misdrijven

terwijl hij, verdachte, oprichter en/of bestuurder is van die organisatie en/of binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld;

(PV nr [….], zaaksdossiers 0,B3, B6, B10, B12 en B18)

(artikel 140 Wetboek van Strafrecht)

Ten aanzien van feit 2:

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 april 2000 tot en met 3 september 2000, althans op 31 augustus 2000, te Amsterdam en/of Roermond en/of te Duiven en/of te Haarlemmermeer en/of (elders) in Nederland en/of te Coventry en/of (elders) in Groot-Brittannie, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (mede) als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, (ongeveer) 125 kg. heroine, in elk geval (een) hoeveelheid van een middel als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder d van de Opiumwet en vermeld op de bij die wet behorende lijst I, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die heroine, althans dat middel, binnen het grondgebied van Nederland gebracht en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten verstrekt aan de transporteurs over de wijze waarop die heroine, althans dat middel, diende te worden (door)getransporteerd (naar Groot-Brittannie) en/of verpakt en/of geborgen en/of handelingen verricht met betrekking tot de betaling voor de levering van die heroine, althans dat middel;

(PV nr. […..], zaaksdossier B10)

(artikel 2 lid 1 onder A/10 Opiumwet)

subsidiair:

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 april 2000 tot en met 31 augustus 2000, althans op 31 augustus 2000, te Amsterdam en/of Roermond en/of te Duiven en/of te Haarlemmermeer en/of (elders) in Nederland, en/of te Coventry en/of (elders) te Groot-Brittannie, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, om een feit als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen , (mede) als bedoeld in artikel 1, leden 4 en/of 5, van de Opiumwet - door (tussenkomst van) [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of anderen -, (ongeveer) 125 kg. heroine, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en)van een middel als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder d van de Opiumwet en vermeld op de bij die wet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen (telkens)

een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit/die feiten te plegen, te doen plegen,

mede te plegen, uit te lokken of om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of (telkens) zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens) opzettelijk inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten verstrekt over de aflevering van die heroine, althans dat middel en/of contacten onderhouden met de transporteurs en/of leveranciers van die heroine, althans dat middel, en/of handelingen verricht ten behoeve van de betaling en/of het testen van die heroine, althans dat middel;

(artikel 10A Opiumwet)

2. Voorvragen.

Geldigheid van de dagvaarding.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat het onder 2 subsidiair telastegelegde feit nietig moet worden verklaard, nu dit onderdeel van de telastlegging een onvoldoende duidelijke omschrijving van het feit dat ten laste wordt gelegd behelst.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Het onder 2 subsidiair telastegelegde feit staat in direct verband met het onder 2 primair telastegelegde feit. Bij laatstgenoemd onderdeel van de telastlegging staat zaaksdossier B-10 vermeld. Kennelijk dient ook het onder 2 subsidiair telastegelegde feit in verband met dat zaaksdossier te worden gelezen, zoals ook blijkt uit de genoemde namen en de hoeveelheid heroïne. Hierop gelet behelst dit onderdeel van de telastlegging een voldoende duidelijke omschrijving van het feit dat ten laste wordt gelegd.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat de officier van justitie deels niet-ontvankelijk moet worden verklaard en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

· de uitlevering van verdachte is door de Engelse rechter toelaatbaar verklaard ten aanzien van door hem specifiek omschreven feiten (bladzijde 406 e.v. van zaaksdossier B-6) die ten aanzien van de onder 1 telastegelegde gedragingen beperkt zijn tot invoer, leveren en bezit van -kortweg- harddrugs;

· deze beperking geldt ook voor het onder 2 telastegelegde feit;

· de door de Engelse rechter gemaakte restrictie gelet op het uitleveringsverzoek is bindend, nu verdachte geen afstand heeft gedaan van het specialiteitsbeginsel.

De rechtbank heeft, nu zij over de door de officier van justitie gestelde afstand van het specialiteitsbeginsel geen stukken aantrof in het dossier, het onderzoek heropend nadat zij aan de officier van justitie om de uitleveringsstukken had gevraagd.

Door de officier van justitie zijn overgelegd:

1. een fax van het Home office d.d. 19 januari 2001, inhoudende een afstandsverklaring, gedateerd 20 december 2000 van Bow Street Magistrates'Court met begeleidend schrijven;

2. een fax van het Home office d.d. 2 maart 2001 en het begeleidend schrijven van het Bureau Internationale Rechtshulp in Strafzaken van het Ministerie van Justitie.

In laatstgenoemde stukken staat vermeld dat bij de uitlevering de verkorte procedure is toegepast en dat verdachte (als opgeëist persoon) daarbij afstand heeft gedaan van de door het specialiteitsbeginsel geboden bescherming.

Tevens blijkt uit een fax van het Home office d.d. 22 juni 2001 dat ingevolge artikel 14, vierde lid van de Extradition Act 1989 instemming met de verkorte procedure met zich brengt dat, doordat de Extradition Act niet langer van toepassing is, ook afstand wordt gedaan van de door het specialiteitsbeginsel geboden bescherming. De rechtbank neemt daarom aan -wat er ook zij van de in de beschikking waarin over de toelaatbaarheid wordt beslist, opgenomen omschrijving der feiten waarvoor uitlevering is verzocht- dat het specialiteitsbeginsel niet van toepassing is, zodat het verweer op dit punt wordt verworpen.

De raadsvrouw heeft tevens gesteld dat verdachte zich van dit gevolg niet bewust is geweest en dat zodoende bij de uitlevering gehandeld is in strijd met artikel 14 van het Europees Uitleveringsverdrag.

De rechtbank constateert dat uit eerdergenoemde afstandsverklaring blijkt dat verdachte bij het doen van afstand over de strekking is voorgelicht; de rechtbank leidt dit af uit de zinsnede "having been duly legally advised". Om die reden acht de rechtbank geen strijd aanwezig met artikel 14 van het Europees Uitleveringsverdrag, nu mag worden aangenomen dat uitdrukkelijk afstand van de bescherming van het specialiteitsbeginsel is gedaan. De rechtbank verwerpt het verweer daarom ook op dit punt.

De rechtbank acht de officier van justitie derhalve ontvankelijk ten aanzien van beide feiten zoals telastegelegd.

3. Waardering van het bewijs.

3.1. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen, hetgeen onder 2 primair en subsidiair is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij in de periode van 1 januari 2000 tot 10 oktober 2000 te Amsterdam en/of elders in Nederland en te Groot-Brittannië heeft deelgenomen aan een organisatie welke werd gevormd door hem, verdachte, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en ene [medeverdachte 10] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het opzettelijk binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van heroïne, welke deelneming bestond uit het:

· houden van besprekingen en

· verschaffen van inlichtingen en het geven van aanwijzingen met betrekking tot de uitvoering van die misdrijven en

· onderhouden van contacten met de transporteur(s) van de heroïne en

· regelen van bestemmingsadressen en het doen overbrengen van de heroïne

terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld;

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdediging.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft voorts het volgende overwogen.

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een organisatie die een transportlijn beheerde waarlangs vanuit Turkije heroïne in Nederland werd ingevoerd met als belangrijk doel de doorvoer naar Engeland. In Engeland werd een netwerk van afnemers onderhouden waarbij naar het oordeel van de rechtbank verdachte als distributeur optrad. In dat kader heeft verdachte een leidinggevende rol binnen de organisatie gespeeld waarbij hij zowel met de Turkse als met de Engelse zijde contact had, evenals met de vervoerders van die heroïne. Ook had verdachte bemoeienis met de financiering van de heroïne en droeg hij er zorg voor dat gelden werden geïnd en doorgestuurd.

Uit de stukken blijkt dat door genoemde organisatie verschillende partijen heroïne vanuit Turkije via Nederland naar Engeland zijn vervoerd. Een poging aldus een hoeveelheid van 125 kilo heroïne door te voeren is mislukt. Deze partij drugs werd in Nederland onderschept. Verdachte heeft ervoor gekozen zich merendeels op zijn zwijgrecht te beroepen waardoor de rechtbank geen inzicht heeft kunnen krijgen in zijn beweegredenen. De met de verkoop van heroïne te behalen winsten in Engeland zijn, hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is, aanzienlijk groter dan in Nederland, zodat de rechtbank aanneemt dat financieel gewin de drijfveer is geweest voor verdachte.

Het is de rechtbank niet bekend of verdachte ooit voor drugsdelicten veroordeeld is geweest. Desondanks is de rechtbank van mening dat de ernst van het bewezenverklaarde feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt van een langere duur dan door de officier van justitie is geëist.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straf is gegrond op artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing:

Verklaart het onder 2 primair en subsidiair telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

· deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl verdachte binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Gonggrijp-van Mourik voorzitter,

mrs. J. Kloosterhuis en P.K. van Riemsdijk rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. C.B. de Vroom-Lenssen en M.B. de Boer griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2001.