Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2001:AB2450

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
AWB 97/7018 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM

SECTOR BESTUURSRECHT

Meervoudige kamer

UITSPRAAK

reg.nr: AWB 97/7018 AKW

inzake: [eiseres], wonende in [woonplaats], eiseres,

tegen : de Sociale Verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen, verweerder.

1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT

Besluit van verweerder van 7 mei 1997, registratienummer Afd. 7/AKW 1791,

Afd. 8/KB 440.441.595.

2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 29 januari 1997 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij over het vierde kwartaal van 1996 en het eerste kwartaal van 1997 geen recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor haar dochter, geboren op [geboortedatum].

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het besluit van 29 januari 1997 gehandhaafd.

Namens eiseres heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, op 4 juni 1997 beroep ingesteld en op daartoe op 15 december 1997 aangevoerde gronden verzocht het bestreden besluit te vernietigen.

Verweerder heeft op 30 september 1997 afschriften van op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden en op 15 januari 1998 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 maart 1998 heeft verweerder een aantal vragen van deze rechtbank beantwoord.

De zaak is, tezamen met vier zaken waarin dezelfde problematiek een rol speelt, behandeld ter zitting van de rechtbank in een meervoudige kamer op 26 maart 1998. Eiseres is daar verschenen bij gemachtigde mr. De Roy van Zuydewijn. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G.A. van Egdom, mr. A.H. Gersie en mr. H.P. van Bommel, juridisch medewerkers bij de Sociale Verzekeringsbank.

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens heropend en bij beslissing van 28 januari 1999 een aantal prejudiciële vragen ter beantwoording voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof).

Bij arrest van 20 maart 2001 (zaak C-33/99), gepubliceerd in USZ 2001/144, heeft het Hof de vragen van de rechtbank beantwoord.

De zaak is opnieuw behandeld ter zitting van de rechtbank in een meervoudige kamer op

17 mei 2001, waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigde mr. De Roy van Zuydewijn en waar verweerder, zoals aangekondigd, niet is verschenen.

3. MOTIVERING

Eiseres heeft de Spaanse nationaliteit. Zij heeft enige tijd in Nederland gewoond en gewerkt en is, nadat zij arbeidsongeschikt is geworden, met behoud van haar Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering naar Spanje teruggekeerd. Uit hoofde van haar arbeidsongeschiktheidsuitkering was zij ten tijde hier van belang verzekerd ingevolge de AKW. [de dochter van eiseres] volgde tot en met het studiejaar 1995/1996 een opleiding aan het "Instituto de Educatión Secundaria y Profesional" te Puenteceso. Met ingang van het studiejaar 1996/1997 is zij gaan studeren aan de "Facultad de Ciencias Economicas y Empresariales" van de universiteit van La Coruña.

Tot 1 oktober 1986 had de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van de AKW recht op kinderbijslag voor door hem verzorgde eigen, aangehuwde en pleegkinderen tussen de 16 en 27 jaar, die in belangrijke mate door hem werden onderhouden en wier voor werkzaamheden beschikbare tijd in beslag werd genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding. Met ingang van 1 oktober 1986 is de leeftijdsgrens van 27 jaar naar 18 jaar verlaagd. Het nieuwe AKW-regime is echter niet onmiddellijk in volle omvang op alle AKW-verzekerden van toepassing geworden. Voor kinderen geboren vóór 1 oktober 1986 is een overgangsregeling getroffen op grond waarvan, conform het oude regime, tot het bereiken van de 27-jarige leeftijd recht bleef bestaan op kinderbijslag. Deze overgangsregeling was laatstelijk neergelegd in artikel 26 van de AKW.

Bij wet van 21 december 1995, Stb. 1995,691, is artikel 26 van de AKW per 1 januari 1996 geschrapt. In de wet van 21 december 1995 is een overgangsregeling opgenomen op grond waarvan het recht op kinderbijslag onder bepaalde omstandigheden, ondanks het wegvallen van artikel 26 van de AKW, nog enige tijd blijft bestaan. Voor zover voor het onderhavige geding van belang behelst deze overgangsregeling dat voor een kind dat op 30 september 1995 17 jaar of ouder is het recht op kinderbijslag wordt voortgezet zolang het kind dezelfde opleiding blijft volgen die het op 1 oktober 1995 volgde.

Eiseres heeft op grond van deze laatste overgangsregeling nog tot en met het derde kwartaal van 1996 kinderbijslag ontvangen voor [de dochter van eiseres]. Met ingang van het vierde kwartaal van 1996 heeft verweerder de kinderbijslag voor [de dochter van eiseres] beëindigd aangezien [de dochter van eiseres] op 1 oktober 1996 niet langer hetzelfde onderwijs volgde als op 1 oktober 1995.

Tussen partijen is niet in geschil dat [de dochter van eiseres] met ingang van het vierde kwartaal van 1996 niet langer hetzelfde onderwijs volgde dat zij op 1 oktober 1995 volgde. Ook de rechtbank gaat daarvan uit en concludeert dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat op basis van de in geding zijnde overgangsregeling eiseres met ingang van het vierde kwartaal 1996 niet langer recht heeft op kinderbijslag voor haar dochter [de dochter van eiseres].

Eiseres betwist dit op zich ook niet, maar stelt zich op het standpunt dat de onderhavige regeling, hetzij in het algemeen, hetzij in haar individuele situatie, buiten toepassing dient te worden gelaten wegens strijd met het in het internationale recht verankerde verbod van discriminatie, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidbeginsel en in verband met onrechtmatige wetgeving.

Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de onderhavige regeling in strijd is met het verbod van discriminatie een beroep gedaan op de volgende bepalingen van internationaal recht:

artikel 3 van Verordening (EEG) 1408/71;

artikel 7 van Verordening (EEG) 1612/68;

artikel 48 van het EEG-Verdrag (sinds 1 mei 1999: artikel 39);

artikel 4 van het Verdrag met Spanje;

artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en;

artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR).

Subsidiair heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder bij het beëindigen van haar recht op kinderbijslag een uitlooptermijn van twee kwartalen na kennisgeving van de beëindiging in acht had moeten nemen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Met zijn beslissing van 28 januari 1999 heeft de rechtbank een aantal vragen aan het Hof voorgelegd. Bij het formuleren van deze vragen is de rechtbank uitgegaan van de gedachte dat, indien de in het kader van de AKW getroffen overgangsregeling in onderlinge samenhang zou kunnen worden beschouwd met het recht op een prestatie ingevolge de

Wet op de Studiefinanciering (WSF), er sprake zou kunnen zijn van strijd met een of meer, in de beslissing genoemde, communautaire bepalingen.

In zijn arrest, met name in rechtsoverweging 24, geeft het Hof aan dat de beëindiging van het recht op kinderbijslag en het al dan niet openen van een recht op een prestatie ingevolge de WSF voor de toetsing aan artikel 3 van Verordening (EEG) 1408/71, artikel 7 van Verordening (EEG) 1612/68 en artikel 48 van het EEG-Verdrag afzonderlijk moeten worden beschouwd.

Het Hof verbindt aan het feit dat het van oordeel is dat de beëindiging van het recht op kinderbijslag en het al dan niet openen van een recht op een prestatie ingevolge de WSF afzonderlijk moeten worden beschouwd niet de conclusie dat de door deze rechtbank gestelde vragen geen verband houden met een reëel geschil, met het voorwerp van de bij deze rechtbank aanhangige gedingen, of dat zij geen effect kunnen hebben op de afloop van deze gedingen. Om de rechtbank in staat te stellen zich op adequate wijze van zijn taak te kwijten gaat het Hof in het arrest zowel in op de in het kader van de AKW getroffen overgangsregeling als op de WSF.

De rechtbank stelt zich na kennisneming van het arrest van het Hof op het standpunt dat voor de beantwoording van de, in het onderhavige geding voorliggende, vraag of de in de wet van 21 december 1995 neergelegde overgangsregeling buiten toepassing dient te worden gelaten wegens strijd met artikel 3 van Verordening (EEG) 1408/71, artikel 7 van Verordening (EEG) 1612/68 of artikel 48 van het EEG-Verdrag, slechts dient te worden gekeken naar die overgangsregeling zelf en niet (ook) naar de WSF.

De rechtbank leidt uit het arrest van het Hof af dat de onderhavige regeling inzake de geleidelijke afschaffing van kinderbijslag voor studerenden tussen 18 en 27 jaar geen onderscheid naar nationaliteit maakt en als zodanig geen inbreuk vormt op genoemde bepalingen. De rechtbank wijst in dit verband met name op de rechtsoverwegingen 27 en 30 van het arrest. In rechtsoverweging 30 geeft het Hof uitdrukkelijk aan dat genoemde bepalingen zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat de kinderbijslag voor studerenden tussen 18 en 27 jaar geleidelijk afschaft, voor zover die afschaffing, zoals het geval is bij de in het hoofdgeding omstreden regeling, plaatsvindt zonder discriminatie op grond van nationaliteit.

De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar betoog dat sprake is van indirecte discriminatie. Eiseres is bij dit betoog uitgegaan van de premisse dat de wijzigingen in de kinderbijslagwetgeving in samenhang moeten worden beschouwd met het recht op een prestatie ingevolge de WSF. Eiseres heeft een vergelijking getrokken tussen personen zoals zij, die voor hun kinderen geen recht meer hebben op kinderbijslag, terwijl hun kinderen ook geen recht hebben op een prestatie ingevolge de WSF en personen die weliswaar geen recht meer hebben op kinderbijslag, maar wier kinderen daarvoor in de plaats een prestatie ingevolge de WSF krijgen.

Zoals hiervoor aangegeven dienen het recht op kinderbijslag ingevolge de AKW en het recht op een prestatie ingevolge de WSF afzonderlijk te worden beschouwd. Als er al sprake is van ongelijke behandeling ligt deze niet op het terrein van de AKW, maar op het terrein van de WSF. Het recht op studiefinanciering is echter geen voorwerp van de onderhavige procedure.

Het beroep van eiseres op artikel 4 van het Verdrag met Spanje, artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR kan evenmin slagen als haar beroep op voornoemde communautaire bepalingen. Ook hier geldt naar het oordeel van de rechtbank dat de beëindiging van het recht op kinderbijslag afzonderlijk dient te worden beschouwd van het recht op een prestatie ingevolge de WSF, terwijl, zoals hierboven aangegeven, binnen de onderhavige kinderbijslagregeling geen onderscheid wordt gemaakt naar nationaliteit. De rechtbank laat daarbij in het midden of het recht op kinderbijslag kan worden beschouwd als een eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

Met betrekking tot het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie als uitgangspunt geldt dat artikel 120 van de Grondwet een verbod inhoudt om een wet in formele zin te toetsen aan dergelijke beginselen. De rechtbank wijst in dit verband op het zogenoemde Harmonisatiewet arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, gepubliceerd in NJ 1989/469 en, recentelijk nog, de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van

24 januari 2001, gepubliceerd in USZ 2001/49. Van "niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden", welke volgens diezelfde rechtspraak aanleiding zouden kunnen vormen om strikte wetstoepassing achterwege te laten, is hier niet gebleken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidbeginsel kan derhalve niet slagen. Hetzelfde geldt voor het beroep van eiseres op onrechtmatige wetgeving, dat, zo begrijpt de rechtbank, eveneens is gebaseerd op genoemde beginselen.

De rechtbank merkt in dit verband op dat eiseres ter onderbouwing van haar beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel heeft aangevoerd dat zij op het moment waarop haar dochter zich inschreef voor de universiteit nog niet op de hoogte was van de wijziging van de regelgeving waar het hier om gaat. Eiseres heeft daarbij aangegeven pas door verweerders besluit van 29 januari 1997 op de hoogte te zijn geraakt van deze wijziging. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. Zoals hierboven aangegeven is de bepaling waaraan eiseres haar recht op kinderbijslag ontleende bij wet van 21 december 1995, gepubliceerd in Stb. 1995, 691, geschrapt. Eiseres had hiervan derhalve ruim voor aanvang van het cursusjaar 1996/1997 kennis kunnen nemen. Dat zij dat, naar gesteld, niet heeft gedaan dient voor haar rekening en risico te blijven. De rechtbank merkt in dit verband op dat, zoals de Centrale Raad van Beroep bijvoorbeeld in de uitspraak van 1 april 1998, gepubliceerd in RSV 1998/182, heeft aangegeven, ook van iemand die in het buitenland verblijft mag worden verwacht dat hij maatregelen treft om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen in Nederland die voor hem van belang zijn.

Voor een uitlooptermijn als door eiseres subsidiair bepleit ziet de rechtbank onder de hiervoor omschreven omstandigheden geen aanleiding.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep van eiseres ongegrond dient te worden verklaard. De rechtbank komt derhalve niet toe aan de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding.

Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht aan eiseres ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

4. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. M.C. Bruning, voorzitter, mr. J.F.A. Graafland en mr. R.B. Kleiss, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.I. van der Kris als griffier,

en uitgesproken in het openbaar op:

door mr. M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

AK