Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2001:AB0271

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG 01/227JRB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

FK/JRB

vonnis 27 februari 2001

DE PRESIDENT VAN DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM, RECHTSPREKENDE IN KORT GEDING in de zaak:

rolnummer KG 01/227JRB van:

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon PROVINCIE FRYSLAN,

zetelende te Leeuwarden,

2. de STICHTING FRYSKE AKADEMY, gevestigd te Leeuwarden,

3. [eiser 3], wonende te [woonplaats]

4. [eiser 4], wonende te [woonplaats],

e i s e r s bij dagvaarding van 19 februari 2001,

procureur mr. C.Ch. Mout,

advocaat mr. J.V. van Ophem te Leeuwarden,

t e g e n :

de rechtspersoon UNIVERSTTEIT VAN AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

g e d a a g d e ,

procureur mr. P.A.M. Witteveen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE :

Ter terechtzitting van 21 februari 2001 hebben eisers gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met dien verstande dat eisers de dagvaarding hebben gewijzigd in die zin dat onder punt 1 in het lichaam van de dagvaarding en onder punt 1 van het dictum in plaats van "studiejaar 2001-2002" dient te worden gelezen "studiejaar 2002-2003" en eisers hun vordering als weergegeven onder punt 1 van het petitum hebben gewijzigd in die zin dat na "Informatie Beheer Groep" dient te worden ingevoegd "al dan niet voorwaardelijk of voorlopig".

Gedaagde heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening.

Na verder debat hebben partijen stukken, waaronder van weerszijden producties en pleitnotities, overgelegd voor vonniswijzing.

Eisers worden hierna tezamen aangeduid met de provincie c.s. en ieder afzonderlijk met de provincie, de Fryske Akademy, [eiser 3] en [eiser 4]. Gedaagde wordt met de UvA aangeduid.

GRONDEN VAN DE BESLISSING :

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten:

a. In de jaren 1992 en 1993 is tussen enerzijds de provincie en de Fryske Akademy en anderzijds de UvA overeengekomen dat de UvA een doctoraalopleiding in de Friese taal zou openstellen. De financiering hiervan kwam voor een groot deel voor rekening van de provincie, c.q. de Fryske Akademy, en voor een kleiner deel ten laste van de UvA. In dat kader vervielen door de provincie gefinancierde bijzondere leerstoelen in de Friese taal bij de universiteiten van Amsterdam, Utrecht en Leiden. De doctoraalopleiding is van start gegaan in september 1994.

b. Het onderwijs in de Friese taal wordt bij de UvA gegeven door [eiser 3] en [eiser 4] als bijzonder hoogleraren en door wetenschappelijke medewerkers van de Fryske Akademy, die daarvoor allen voor 0,4 Fte zijn aangesteld.

c. De Friese taal wordt verder alleen nog als hoofdvak gegeven op de Rijks Universiteit te Groningen (RUG). De UvA is in het najaar van 1999 met de RUG overeengekomen dat de UvA haar opleiding zal beëindigen, waartegenover de RUG de opleiding Nieuw Grieks zal staken. Deze beide opleidingen (behorende tot de groep "Kleine Letteren") zullen derhalve verder alleen nog monolocaal gegeven worden, te weten het Fries in Groningen en het Nieuw Grieks in Amsterdam. Deze afspraken zijn gemaakt in het kader van het zogenaamde Letteren 2000+ convenant, een samenwerkingsafspraak tussen de zes Nederlandse universiteiten met Letterenfaculteiten.

d. Het College van Bestuur van de UvA heeft in zijn vergadering van 11 januari 2001 besloten tot het voornemen tot opheffing van de doctoraalopleiding in de Friese taal en letterkunde.

e. In art.6.15 lid 2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is bepaald dat het besluit om een wetenschappelijke opleiding te beëindigen uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het eerste studiejaar voor de propedeutische fase door het instellingsbestuur gemeld dient te worden aan het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO). Het CROHO wordt geadministeerd door de Informatie Beheer Groep (IBG).

f. Het CROHO heeft bij faxbrief van 20 februari 2001 aan de UvA bericht:

"Gezien de situatie kunnen wij ons vinden in de afhandeling zoals hieronder geschetst.

U meldt ons vóór 28 februari 2001 de datum einde instroom voor de opleiding Fries. Wij zullen echter accoord gaan met de intrekking van de datum einde instroom indien dit ons uiterlijk 1 april door U gemeld wordt."

g. Minister van Onderwijs Hermans heeft op 9 februari 2001 in zijn antwoord op vragen in de Tweede Kamer als zijn mening gegeven dat de hiervoor onder c. genoemde afspraken tussen de UvA en de Universiteit te Groningen niet strijdig zijn met de Bestuursafspraak Friese taal en cultuur uit 1993.

2. De provincie c.s. vorderen - na aanvulling van de eis ter zitting - dat het de UvA op straffe van een dwangsom verboden wordt de doctoraalopleiding Friese taal vóór of met ingang van het studiejaar 2002-2003 op te heffen en om in het jaar 2001 aan het CROHO (IBG) al dan niet voorwaardelijk te kennen te geven dat zij de doctoraalopleiding Fries niet langer zal verzorgen. Daartoe voeren de provincie c.s. het volgende aan.

Het besluit om met deze opleiding te stoppen, is een schending van de in 1992/1993 gemaakte afspraken, die er op zagen dat de UvA de opleiding duurzaam zou bieden.

De provincie c.s. hebben in dat kader drie bijzondere leerstoelen prijs gegeven.

Het is voor de Friese taalcultuur van groot belang dat de opleiding niet alleen in Groningen, maar ook - in een bredere context - in Amsterdam gegeven kan worden. Het financieel belang voor de UvA om met de opleiding te stoppen is bovendien zeer gering, omdat de meeste kosten daarvan door de provincie betaald worden.

Voorts handelt de UvA onrechtmatig, omdat het College van Bestuur haar besluit heeft genomen zonder behoorlijk overleg met de provincie c.s. te plegen.

De afmelding bij het CROHO is ten slotte prematuur, omdat de UvA haar besluitvorming nog niet formeel heeft kunnen afronden.

3. De UvA heeft hier het volgende tegenover gesteld.

Er is een onbalans tussen de verplichtingen van de UvA om de opleidingsfaciliteit in stand te houden en het aantal studenten dat daar gebruik van maakt. In sommige jaren hebben er één of twee studenten ingeschreven gestaan en in andere jaren geen enkele.

In Groningen is de situatie vergelijkbaar. De concentratie van opleidingen die wordt beoogd past in het convenant dat tussen de diverse Universiteiten is overeengekomen. De UvA stoot de Friese taal als onderdeel van haar onderwijs- en wetenschappelijke takenpakket ook niet af. Het blijft mogelijk om het Fries als keuzevak bij de UvA te volgen en wetenschappelijk onderzoek te verrichten.

Het afmelden per 28 februari 2001 heeft ten gevolge dat de instroom van propedeuse studenten pas per 1 september 2002 zal stoppen. Alle studenten die op dat moment staan ingeschreven zullen hun studie in de jaren daarna nog binnen de gestelde wettelijke termijnen bij de UvA kunnen voltooien. Er zijn in 1992/1993 voorts geen afspraken gemaakt over de continuïteit van de opleiding en daarvoor zijn geen garanties gegeven. Met betrekking tot het al dan niet voortzetten van de opleiding Friese taal gelden geen andere criteria dan voor andere opleidingen binnen de UvA.

Ten slotte heeft de UvA over haar voornemen wel degelijk overleg gepleegd met de Fryske Akademy en met de provincie. De Fryske Akademy is reeds in het voorjaar van 2000 geïnformeerd over de zorgen van de UvA met betrekking tot deze opleiding en er hebben besprekingen plaats gevonden. In oktober 2000 en januari 2001 is over deze kwestie gecorrespondeerd. Op 24 januari 2001 heeft een gesprek plaats gevonden tussen het College van Bestuur van de UvA en de Fryske Akademy en op 7 februari 2001 is overleg gepleegd met Gedeputeerde Staten van Friesland.

Ook thans is de UvA nog bereid om te overleggen of er mogelijkheden zijn om aan de bezwaren van de provincie c.s. tegemoet te komen.

De UvA heeft verder nog toegelicht dat de formele besluitvorming om een opleiding te staken een langdurig proces is, waarbij na een principe-besluit van het College van Bestuur nog het advies moet worden ingewonnen van de Centrale Ondernemingsraad en de Centrale Studentenraad en vervolgens goedkeuring moet worden verkregen van de Raad van Toezicht. Dit proces kan niet tijdig voor 28 februari 2001 worden afgerond, zodat de melding onder het hiervoor genoemde voorbehoud dient plaats te vinden.

Wanneer deze methode niet toelaatbaar zou zijn, zou nog eens een jaar verloren gaan en kan de instroom van nieuwe studenten niet eerder dan per 1 september 2003 worden beëindigd.

Beoordeling van het geschil

4. Ook indien aangenomen wordt dat het bij de in 1992/1993 gemaakte afspraken de bedoeling was om de doctoraalopleiding Fries duurzaam aan de UvA open te stellen, betekent dat niet dat de UvA deze opleiding niet kan beëindigen indien zij daar zwaarwichtige redenen voor heeft. Aan de UvA komt de beleidsvrijheid toe om hierover te oordelen en voor ingrijpen van de kort geding rechter is slechts plaats indien de UvA in redelijkheid niet tot haar besluit heeft kunnen komen of bij haar besluitvorming anderszins door haar in acht te nemen normen heeft geschonden.

5. Partijen verschillen van mening over de vraag hoeveel doctoraalstudenten in de Friese taal de afgelopen jaren bij de UvA ingeschreven hebben gestaan, doch vast staat dat dit er bijzonder weinig zijn geweest, in elk geval minder dan tien en op dit moment maximaal twee. Aan deze omstandigheid kon de UvA in redelijkheid een zwaarwegend argument ontlenen om de opleiding te beëindigen. Bij dit oordeel speelt tevens een rol dat de opleiding Fries aan de Universiteit te Groningen gehandhaafd blijft, dat de instroom van nieuwe studenten nog tot 1 september 2002 mogelijk blijft en dat de UvA zich er toe heeft verbonden dat ingeschreven studenten hun studie kunnen afmaken. Dat dit laatste door ingrijpen van de IBG verhinderd zal of zou kunnen worden, is niet aannemelijk gemaakt.

6. De UvA heeft voorts met de door haar overlegde correspondentie en besprekingsverslagen in voldoende mate aangetoond dat de provincie c.s. tijdig geïnformeerd zijn over het voornemen de opleiding te beëindigen en dat de provincie c.s. hun mening daarover kenbaar konden maken en ook hebben gemaakt. Het besluit van de UvA kan derhalve niet als nietig of onrechtmatig worden geoordeeld omdat de provincie c.s. bij de voorbereiding daarvan niet zijn betrokken.

7. De door de UvA voorgenomen melding aan het CROHO onder het voorbehoud dat de melding weer wordt ingetrokken indien de formele besluitvorming niet voor 1 april 2001 is afgerond, komt neer op een melding onder ontbindende voorwaarde. Of een dergelijke melding in overeenstemming is met het voorschrift van art.6.15 lid 2 WHW, is een vraag die in dit geding niet ter beoordeling staat.

8. Uit deze overwegingen volgt dat de gevraagde voorziening afgewezen dient te worden met veroordeling van de provincie c.s. in de kosten van dit geding.

B E S L I S S I N G :

1. Weigert de gevraagde voorziening.

2. Veroordeelt de provincie c.s hoofdelijk in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van de UvA begroot op ƒ 400,= wegens vastrecht en op ƒ 1.550,= aan salaris procureur.

3. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door de vice-president mr J.R. Branbergen, fungerend president der Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 27 februari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.: