Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2001:AB0008

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
13/038012-97
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM

Parketnummer: 13/038012-97

BESCHIKKING

op het ter terechtzitting van 5 februari 2001 gedane wrakingsverzoek van de voorzitter en rechters van de 'Clickfondskamer' in de zaak van de verdachte:

[verzoeker]

[geboorteplaats en -datum],

[adres en woonplaats]

1. Procesgang.

De behandeling van dit wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 5 februari 2001. Daarbij zijn de raadslieden van verdachte, mr V.L. Koppe en mr A.A. Franken, advocaten te Amsterdam, en de officieren van justitie mr H.J. de Graaff en J.H. Tonino ter openbare terechtzitting gehoord. De voorzitter en rechters van de 'Clickfondskamer', mrs M.J.L. Mastboom, P.H.M. Kuster en J.L. Bruinsma zijn op hun verzoek in raadkamer gehoord. De voorzitter van de wrakingskamer heeft nadien verslag gedaan van hetgeen zij in raadkamer hebben verklaard.

De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.

Van de behandeling van dit wrakingsverzoek is een proces-verbaal ter terechtzitting opgemaakt.

2. Beoordeling.

2.1.

De rechtbank heeft het volgende overwogen.

Het wrakingsverzoek berust -zakelijk weergegeven- op de volgende gronden:

1. De wijze van financiering waardoor de instelling van de Clickfondskamer mogelijk werd;

2. Het feit dat de beschikking van de raadkamer van deze rechtbank van 21-12-00 in de zaak [verzoeker] gegeven is door een combinatie die thans als Clickfondskamer de zaak behandelt.

Beide gronden, reeds ieder voor zich, vormen naar het oordeel van de verdediging uitzonderlijke omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen opleveren dat de vrees bij [verzoeker] dat de Clickfondskamer jegens hem partijdig is, objectief gerechtvaardigd is.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn.

Er kunnen zich echter uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens een verdachte vooringenomen zou zijn, althans dat een bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het onderzoek van de wrakingskamer richt zich daarom op de vraag of zich in deze zaak zulke omstandigheden voordoen.

De rechtbank zal de beide voornoemde gronden afzonderlijk bespreken.

1. De wijze van financiering.

1. Aansluitend bij de beslissing van deze rechtbank op het wrakingsverzoek in de zaak Anthonie, welke bij de wrakingskamer bekend is, heeft de verdediging gesteld dat de onpartijdigheid van de leden van de Clickfondskamer in het geding is nu extra financiering heeft plaatsgevonden, geoormerkt voor de afdoening van beursfraudezaken.

De rechtbank merkt hierover het volgende op.

Vaststaat dat door het Ministerie van Justitie aan deze rechtbank extra middelen ter

beschikking zijn gesteld ter financiering van de extra werklast voortvloeiend uit het

voornemen van het Openbaar Ministerie bij deze rechtbank beursfraude zaken aan te

brengen.

In de brief van mr. J.A.J. Peeters, voorzitter van de sector Strafrecht van deze rechtbank d.d. 22-1-2000 is uiteengezet dat op de wijze van aanwending van deze middelen door het management van deze rechtbank geen invloed wordt uitgeoefend door het Ministerie van Justitie noch door enig ander departement. Evenmin zijn de middelen afhankelijk gesteld van het functioneren van de zogenaamde Clickfondskamer. De stelling van de verdediging is derhalve ten aanzien van de oormerking onjuist. Daaraan doet niet af dat tijdens de jaarlijkse begrotingsgesprekken tussen het management van de rechtbank en het Ministerie de doelmatige aanwending van de in totaal beschikbaar gestelde middelen onderwerp van bespreking is. De rechtbank zal deze brief, die bij de verdediging en het Openbaar Ministerie bekend is, aanhechten. Zij beschouwt de inhoud daarvan als hier ingelast.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat door het verstrekken van deze middelen de onpartijdigheid van de leden van de Clickfondskamer zou kunnen worden aangetast noch dat een bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

Voorzover het wrakingsverzoek is gebaseerd op financieringsargumenten zal de rechtbank het verzoek derhalve als ongegrond afwijzen.

2. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de door de verdediging aangehaalde brief van

de president en de procureur-generaal bij de Hoge Raad is geschreven in het kader van de herstructurering van de financiering van de zittende magistratuur, de instelling van de Raad voor de Rechtspraak en de aan haar toegekende bevoegdheden. In dat kader bevat die brief een waardevolle bijdrage aan die discussie. Het is echter niet zo dat de daar naar voren gebrachte argumenten rechtstreeks toepasbaar zijn op de hierboven weergegeven wijze van financiering.

2. De functiecumulatie

1. De verdediging heeft ter zitting verklaard geen verzoek tot de Clickfondskamer te hebben gericht tot het horen van eerder door de RC geweigerde getuigen omdat zij er bij voorbaat van uitgaat dat dit zinloos is: zij verwacht dat de beslissing gelet op de door deze combinatie gegeven beschikking voor haar negatief zal zijn. Dit uitgangspunt acht de rechtbank op drijfzand gebaseerd en in zoverre is de veronderstelde objectieve vrees voor partijdigheid prematuur. Van de rechter mag op grond van zijn professionaliteit worden verwacht dat hij in iedere fase van een procedure de nodige objectiviteit bezit.

Uitgaande van de door de verdediging tevens aan de orde gestelde functiecumulatie heeft de rechtbank het volgende overwogen.

De wetgever heeft ten aanzien van de samenstelling van de raadkamer weinig beperkende regels gesteld. De onverenigbaarheid van het lidmaatschap van de raadkamer en het optreden als zittingsrechter in dezelfde zaak is in 1974 vervallen, terwijl artikel 21 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering juist aanbeveelt de raadkamer, die na aanvang van de zitting een beslissing moet nemen, zoveel mogelijk samen te stellen uit de zittingsrechters. In het onderhavige geval hebben overwegingen van efficiency er toe geleid dat de combinatie van de Clickfondskamer als raadkamer is opgetreden.

De vraag is dus of de door die raadkamer genomen beslissing een zo uitzonderlijke omstandigheid vormt dat deze bij voorbaat de objectieve vrees rechtbaardigt dat deze combinatie thans als Clickfondskamer vooringenomen zou zijn.

2. De rechtbank stelt vast dat die beslissing van de raadkamer is gegeven op het beroep tegen de beslissing van de Rechter-commissaris tot afwijzing van het verzoek tot heropening van het gerechtelijk vooronderzoek teneinde getuigen te horen.

De raadkamer heeft de beslissing van de Rechter-commissaris en de gronden waarop deze berustte, onderschreven voor wat betreft de getuigen welke waren gevraagd in het kader van de KIO-zaak.

Wat betreft de getuigen welke gevraagd waren in verband met een mogelijk te voeren niet-ontvankelijkheidsverweer heeft de raadkamer overwogen dat dit verzoek naar haar oordeel subsidiair was gedaan, namelijk voor het geval de officier van justitie niet bereid zou zijn -al dan niet bij nader proces-verbaal- te antwoorden op gerichte vragen over zijn handelen tijdens het opsporingsonderzoek in de zaak- [verzoeker]. De raadkamer is daarbij gemotiveerd uitgegaan van de bereidheid van de officier van justitie hiertoe. De rechtbank stelt vast dat door de verdediging een dergelijk gericht verzoek daarna niet is gedaan.

3. De rechtbank merkt hierover het volgende op.

Bij de beslissing van een raadkamer welke zich richt op de beoordeling van de beslissing van de Rechter-commissaris het gerechtelijk vooronderzoek niet te heropenen teneinde getuigen te horen, vormen de loop van het gerechtelijk vooronderzoek en het belang van de voortgang van de zaak beslissingscriteria naast de beoordeling van de verzochte getuigen. Bij een beslissing ter zitting op een verzoek tot het horen van getuigen spelen primair de wettelijke criteria of door het afwijzen van het verzoek de verdediging redelijkerwijs in haar belangen kan worden geschaad dan wel of het horen van die getuigen noodzakelijk is alsmede op grond van de rechtspraak het onmiddellijkheidsvereiste.

4. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan uit de gelijke samenstelling van de raadkamer niet, althans in redelijkheid niet, worden afgeleid dat de ‘Clickfondskamer’ als strafkamer reeds een standpunt zou hebben ingenomen over de beslissing op een eventueel verzoek ter terechtzitting om getuigen te (doen) horen.

Op grond hiervan is de wrakingskamer van oordeel dat de raadkamerbeschikking van 21 december 2000 geen aanwijzing oplevert dat de ‘Clickfondskamer’ als zittingsrechter jegens verdachte vooringenomen zou zijn, althans de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

Het verzoek om wraking, dat kennelijk van het tegendeel uitgaat, dient daarom ongegrond te worden verklaard.

2. Beslissing.

De wrakingskamer wijst beide verzoeken tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door

mr A.N.A. Josephus Jitta, voorzitter,

mrs M. Gonggrijp-van Mourik en E.M.M. Gabel, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2001.

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

Sector Strafrecht

De weledelgestrenge heer mr. M. Zee

Sectorvoorzitter

J.A.J. Peeters

22 januari 2001

Parketnr.:13.038010-97 (Clickfonds)

Betreft: Clickfonds

Geachte heer Zee,

Zowel mr. Mastboom als mr. Gisolf verzochten mij in mijn hoedanigheid van voorzitter van de strafsector en derhalve verantwoordelijk voor de organisatie van dat onderdeel van de rechtbank te reageren op Uw opmerking in Uw bovengenoemde brief over de financiering van de zogenoemde Clickfondszaken.

Het lijkt mij goed eerst enkele opmerkingen te maken over de financiering van de rechtbank in het algemeen.

In jaarlijkse begrotingsgesprekken wordt tussen het Ministerie van Justitie en de rechtbank besproken welke vraag naar rechtspraak door de rechtbank voor het komende budgetjaar wordt verwacht en welk budget nodig is voor de afdoening daarvan.

Indien de rechtbank om welke reden dan ook extra vraag naar rechtspraak verwacht vraagt zij om extra middelen. Zo’n extra vraag kan zich in iedere sector voordoen.

Indien die middelen niet worden verstrekt deelt de rechtbank aan het departement mee dat zij slechts een deel van de verwachte vraag zal kunnen afdoen.

Welk deel wordt behandeld hangt, wat de strafsector betreft, af van de zaken die het OM verkiest aan te brengen, kennende de beperkte capaciteit van de rechtbank. De rechtbank heeft daar geen invloed op.

In het vooroverleg met het OM over de behoefte van het OM aan zittingsruimte is enige jaren geleden gebleken dat het OM voornemens was een aantal voor de strafsector zeer bewerkelijke strafzaken in verband met verdenking van beursfraude aan te brengen. Dergelijke zaken spelen uit hun aard uitsluitend of nagenoeg uitsluitend in Amsterdam.

De rechtbank heeft daarop aan het departement van Justitie te kennen gegeven dat voor de uitvoering van dat extra werk hetzij nadere financiering nodig was, hetzij de keuze zou moeten worden gemaakt om minder zaken van het gebruikelijke pakket af te doen.

Kennelijk omdat het departement die laatste keuze ongewenst vond zijn toen ter financiering van de extra vraag vanwege de Clickfondszaken extra middelen aan de rechtbank toegekend.

Dit alles betreft uitsluitend de financiering van de organisatie van de rechtspraak. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij het bestuur van de rechtbank. De organisatie van de rechtspraak en de rechtspraak zelf zijn strikt gescheiden.

Het is de rechtbank bekend dat het Ministerie van Justitie van het Ministerie van Financiën een bijdrage ontvangt ter voorziening in de extra lasten voor het departement van Justitie tengevolge van de budgetverhoging voor onze rechtbank in verband met de werklastverzwaring. De rechtbank zelf onderhoudt geen contacten met het Ministerie van Financiën en ontvangt uitsluitend middelen van het Ministerie van Justitie.

In Uw brief lijkt de suggestie besloten dat de leden van de kamer die de Clickfondszaken behandelt vanwege de financiële bijdrage van het Ministerie van Financiën aan het departement van Justitie niet onpartijdig zouden zijn of kunnen zijn. Het lijkt mij in dit verband goed U er op te wijzen dat geen contacten tussen de leden van die kamer en enig departement over deze zaken en de financiering van de berechting ervan bestaan. Evenmin onderhoudt de rechtbank in verband met deze zaken enig contact met het Ministerie van Financiën. Over de zaken zelf wordt uiteraard door de rechtbank ook geen contact met het Ministerie van Justitie onderhouden.

Graag verneem ik van U van wie U hebt vernomen dat de rechters die met de behandeling van de Clickfondszaken zijn belast in verband met de financiering daarvan hun uren dienen te verantwoorden.

Dat is niet het geval, en ik zou graag degene van wie U dit hebt vernomen benaderen om hem of haar op de onjuistheid van dit bericht attent te kunnen maken.

Ik vertrouw er op dat ik met het bovenstaande Uw opmerkingen over de financiering van de rechtbank zodanig heb beantwoord dat ik de uit Uw brief blijkende twijfel over de professionaliteit van de rechters die de Clickfondszaken behandelen bij U heb weggenomen.

Hoogachtend,

J.A.J. Peeters

Sectorvoorzitter.