Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2001:AB0007

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
13.038 010/97
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 13.038 010/97

Beschikking van 29 januari 2001

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM

WRAKINGSKAMER

Beschikking op het op 24 januari 2001 ter griffie van deze rechtbank ingekomen schriftelijk verzoek tot wraking van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank onder voorzitterschap van mr. M.J.L. Mastboom, belast met de zogenoemde Clickfondszaken, van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

v e r z o e k e r,

raadsman: mr. M. Zee,

advocaat te Purmerend.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Nadat mr. Mastboom te kennen had gegeven dat hij en zijn kamergenoten mrs. P.H.M. Kuster en J.L. Bruinsma, allen leden van deze rechtbank, niet in de wraking berustten, is het verzoek behandeld in raadkamer op 25 januari 2001 in aanwezigheid van de officier van justitie.

Ter zitting heeft verzoeker bij monde van zijn raadsman verzocht om wraking van de leden van de wrakingskamer. Het onderzoek in raadkamer is daarop geschorst.

Nadat een andere meervoudige kamer van deze rechtbank het verzoek om wraking van de wrakingskamer had afgewezen, is de behandeling in raadkamer hervat en voltooid.

Van de behandeling in raadkamer is proces-verbaal opgemaakt.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Verzoeker is bij dagvaarding van 16 januari 2001 gedagvaard om terecht te staan voor de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, tegen de leden waarvan het wrakingsverzoek is gericht, op 5 en 7 februari 2001. Deze kamer wordt verder ook de Clickfondskamer genoemd.

Verzoeker heeft bij brief van zijn raadsman van 17 januari 2001 mr. Mastboom en de leden van zijn kamer verzocht op de gronden waarop ook het onderhavige wrakingsverzoek is gebaseerd, de behandeling van zijn strafzaak over te dragen.

Mr. Mastboom heeft bij brief van 22 januari 2001 geantwoord dat de door verzoeker gegeven argumenten voor hem en zijn kamergenoten geen aanleiding zijn om aan zijn verzoek te voldoen en voorts bericht dat hij aan de voorzitter van de strafsector van deze rechtbank heeft gevraagd het onderdeel van verzoekers brief waarin de wijze van financiering van de Clickfondskamer aan de orde wordt gesteld te beantwoorden.

Bij brief van 22 januari 2001 aan mr. Zee heeft mr. J.A.J. Peeters, voorzitter van de strafsector van deze rechtbank, een nadere toelichting op de financiering van de Clickfondszaken gegeven.

Het wrakingsverzoek is in de eerste plaats gebaseerd op de grond dat de Clickfondskamer in eerdere Clickfondszaken een tweetal in de zaak tegen verzoeker relevante rechtsvragen onjuist en zeer ten nadele van desbetreffende verdachten heeft beantwoord op een wijze die niet aansluit bij de jurisprudentie en op zodanige wijze dat niet kan worden gezegd dat een onpartijdig rechter hiertoe in redelijkheid had kunnen en mogen komen.

Voorts legt verzoeker het volgende aan zijn verzoek om wraking ten grondslag.

Het ministerie van Financiën heeft ten behoeve van de uit de zogenoemde Operatie Clickfonds voortvloeiende strafzaken extra middelen aan het ministerie van Justitie ter beschikking gesteld, waarmee de Clickfondskamer wordt gefinancierd. Verzoeker houdt het voor staatrechtelijk onjuist dat de onafhankelijke rechtspraak in financiële zin is geïntegreerd in en deel uitmaakt van een door een ander departement dan dat van Justitie gefinancierd project. Volgens verzoeker is daarmee sprake van oneigenlijke en onjuiste bemoeienis van politiek-bestuurlijke zijde met de rechtspraak. Daarnaast geldt dat de rechterlijke macht haar werkzaamheden niet behoort te verrichten in een schijn van financiële ondergeschiktheid of afhankelijkheid en is het risico aanwezig dat de rechterlijke macht als onderdeel van de Operatie Clickfonds bewust of onbewust zal streven naar succes van de operatie in de vorm van een zo groot mogelijke fiscaliteit. Ten slotte is de kans aanwezig dat de Clickfondskamer door bij uitstek beursfraudezaken te behandelen en door haar omgang met de speciale officier van justitie en FIOD-eenheid komt bloot te staan aan het gevaar van deformatie als gevolg van de dynamiek van deze bijzondere bedrijfskolom.

Deze omstandigheden bijeen roepen volgens verzoeker de kans in het leven dat de onafhankelijkheid op enigerlei wijze wordt aangetast.

Naar de tekst van artikel 512 Sv. kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden een procespartij een objectief te rechtvaardigen grond geven voor de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

De eerstaangevoerde grond kan geen doel treffen.

De omstandigheid dat de rechter wiens wraking wordt gevraagd eerder in een andere zaak op een ook voor de zaak van de verzoeker relevant punt een oordeel heeft gegeven dat de verzoeker - al dan niet terecht - voor onjuist houdt, levert geen objectieve rechtvaardiging op voor de vrees dat het deze rechter in de zaak van de verzoeker aan onpartijdigheid en onbevangenheid ontbreekt of zal ontbreken.

Bij de beoordeling van de tweede grond gaat de rechtbank voor wat betreft de financieringsachtergrond van de Clickfondskamer uit van voornoemde brief van mr. Peeters, nu de inhoud daarvan door verzoeker, evenmin overigens als door de officier van justitie, ter discussie is gesteld. De rechtbank leidt uit deze brief af dat voor de behandeling van de Clickfondszaken door het ministerie van Justitie extra middelen aan de rechtbank zijn toegekend en dat dit ministerie van het ministerie van Financiën een bijdrage ontvangt in deze extra lasten. In dit financieringsverband zijn, zo blijkt verder uit de brief van mr. Peeters, geen voorwaarden of eisen gesteld of afspraken gemaakt die de rechtspraak in de Clickfondszaken betreffen. Op de uitoefening van de aan de Clickfondskamer toevertrouwde rechterlijke werkzaamheden is de wijze van financiering van deze rechtspraak dus niet van invloed. Verzoeker heeft ook overigens niet duidelijk kunnen maken waarin concreet de invloed van hun wetenschap omtrent deze financieringsachtergrond op de leden van de Clickfondskamer tot uitdrukking zou kunnen komen en welke vrees hij te dien aanzien koestert. Zijn opmerking dat men het woord spreekt van wie men het brood eet is daarvoor te eenvoudig en te algemeen en daarom onvoldoende. Ten aanzien van alle overheidsrechtspraak geldt immers enerzijds dat zij wordt gefinancierd door de overheid en anderzijds dat de overheid daarin vaak (en in strafzaken: zonder uitzondering) partij is.

Dit voert tot de slotsom dat ook in dit verband niet is gebleken van feiten of omstandigheden die verzoeker een objectief te rechtvaardigen grond geven voor de vrees dat het de leden van de Clickfondskamer in verzoekers strafzaak aan onpartijdigheid zal ontbreken.

Verzoeker alle vrijheid latende de financiering van de Clickfondszaken ter discussie te stellen, moet worden vastgesteld dat een wrakingsverzoek daarvoor niet het juiste kader is.

BESLISSING

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking van de leden van de Clickfondskamer af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.G. Bauduin, voorzitter, en mrs. A.H. Kist en T. van Peijpe, leden van genoemde kamer, en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2001 in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier.