Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:ZF1246

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2000
Datum publicatie
16-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/4646 GEMWT en AWB 00/4383 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoekers aangeschreven de bewoning van een atelier annex hooi- en werktuigenberging op het perceel […] […] […] te C zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na verzending van het besluit, te staken en de goederen welke niet strikt noodzakelijk zijn in een atelier annex hooi- en werktuigenberging te verwijderen. Dwangsom

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht afdeling voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK ALS BEDOELD IN DE ARTIKELEN 8:84 EN 8:86 VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

reg.nrs.: AWB 00/4646 GEMWT en AWB 00/4383 GEMWT

inzake : A en B, verzoekers,

tegen : het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ouder-Amstel, verweerder.

1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT

Besluit van verweerder van 9 augustus 2000, kenmerk: Awbnr. 328.

2. FEITEN EN PROCESVERLOOP

Bij besluit van 17 april 1997 heeft verweerder verzoekers aangeschreven de bewoning van een atelier annex hooi- en werktuigenberging op het perceel […] […] […] te C zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na verzending van het besluit, te staken en de goederen welke niet strikt noodzakelijk zijn in een atelier annex hooi- en werktuigenberging te verwijderen. Tevens is medegedeeld dat indien niet aan deze aanschrijving wordt voldaan, een dwangsom van f 10.000,- per week (met een maximum van f 250.000,-) wordt verbeurd.

Verzoekers hebben daartegen op 28 mei 1997 een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 6 oktober 1998 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Daartegen hebben verzoekers beroep bij de rechtbank ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening bij de president van de rechtbank ingediend. Het verzoek is ter zitting van 2 december 1998 ingetrokken, nadat door de gemachtigde van verweerder was meegedeeld dat de bij het bestreden besluit opgelegde dwangsom niet zal worden verbeurd totdat dat besluit onherroepelijk is geworden.

Bij uitspraak van 2 mei 2000 (reg.nr. AWB 98/9382 GEMWT) -een exemplaar daarvan is gehecht aan deze uitspraak- heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit van 6 oktober 1998 vernietigd. Voor de feiten verwijst de president naar voormelde uitspraak.

Verweerder heeft vervolgens, ter voorbereiding van een nieuwe beslissing op bezwaar, een nader onderzoek ingesteld.

Op 7 juni 2000 hebben twee medewerkers van de gemeente Ouder-Amstel het in geding zijnde perceel bezocht en van de plaatsopneming proces-verbaal gemaakt. Tevens is ter plaatse een aantal foto’s gemaakt.

Op 11 juli 2000 is een hoorzitting gehouden.

Op 24 juli 2000 is het perceel bezocht door de voorzitter en de secretaris van de bezwaarschriftencommisie. Hiervan is een verslag gemaakt.

Bij schrijven van 27 september 2000 heeft verweerder meegedeeld zich niet langer gebonden te achten aan de tijdens de zitting van 2 december 1998 namens verweerder gedane mededeling.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van 28 mei 1997 gegrond verklaard ten aanzien van het bezwaar tegen het staken van de bewoning van het litigieuze pand, alsmede ten aanzien van het bezwaar dat in genoemd besluit niet duidelijk was aangegeven welke voorzieningen uit het pand moesten worden verwijderd.

Verweerder heeft in het bestreden besluit tevens bepaald dat verzoekers binnen 6 weken na verzending van het besluit de volgende voorzieningen dienen te verwijderen: uit de keuken: de oven, de kookplaat, de vaatwasser en de afzuigkap, en uit de trapkast van het atelier: de wasmachine en de droger. Voorts is bepaald dat indien hieraan niet of niet tijdig wordt voldaan op grond van artikel 136 van de Gemeentewet na bedoelde datum een dwangsom wordt verbeurd van f 2.000,- per week met een maximum van f 100.000,-, welk bedrag zonodig bij dwangbevel zal worden ingevorderd. Daarbij is overwogen dat de gronden waarop het perceel is gesitueerd de bestemming „agrarische doeleinden“ hebben, waarop geen gebouwen mogen worden opgericht. In 1990 is het atelier annex hooi- en werktuigenberging met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 50, achtste lid, van de Woningwet tot stand gekomen. De verklaring van geen bezwaar, de vrijstelling en de op grond daarvan verleende bouwvergunning zijn destijds verleend nadat vaststond dat het pand niet voor andere doeleinden zou worden gebruikt dan waarvoor vergunning was aangevraagd. Er zijn geen bijzondere omstandigheden bekend op grond waarvan het betrokken pand thans mogelijk anders zou moeten kunnen worden gebruikt. Voorts is overwogen dat uit onderzoek verricht op 16 januari 1997, 7 juni 2000 en 24 juli 2000 niet ondubbelzinnig duidelijk is geworden dat het pand daadwerkelijk wordt bewoond, dan wel voor een groot deel qua inrichting niet als atelier kan worden beschouwd. Wel is, gelet op de inrichting en het aangetroffen meubilair in het pand, de indruk gewekt dat het pand wordt bewoond of bewoond gaat worden. Het geheel is wat betreft inrichting zonder noemenswaardige ingrepen geschikt te maken voor onmiddellijke bewoning. Verweerder voert het beleid om in de polder De Ronde Hoep geen uitbreiding van burgerwoningen toe te staan. Verzoekers dienen het atelier zodanig in te richten dat het zich onderscheidt van een woning.

Tegen dit besluit heeft mr. E.D.M. Knegt, advocaat te Amsterdam, namens verzoekers bij beroepschrift van 15 september 2000, beroep bij de rechtbank ingesteld. Op daartoe aangevoerde gronden is verzocht het bestreden besluit te vernietigen en verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure.

Bij brief van 12 oktober 2000 heeft mr. Knegt, voornoemd, zich namens verzoekers tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft desgevraagd de op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden.

Het verzoek is op 16 november 2000 ter zitting behandeld. Verzoekers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.H. van Gemund, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Woltering, bestuursjuridisch medewerker sector Bestuurszaken, en J.G.T. van Putten, beleidsmedewerker ruimtelijke ordening sector Ruimte.

3. MOTIVERING

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Ingevolge artikel 8:86 Awb is de president bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De president is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. Nu partijen in de uitnodiging voor de zitting zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86 Awb, bestaat er geen beletsel voor toepassing van dat artikel.

Verzoekers hebben in de eerste plaats gesteld dat verweerder gebonden is aan zijn toezegging gedaan op de zitting van 2 december 1998. Uitvoering van het bestreden besluit achten verzoekers voorts strijdig met het vertrouwensbeginsel.

De president deelt het standpunt van verzoekers niet. Ter zitting van 2 december 1998 heeft de gemachtigde van verweerder slechts meegedeeld dat de werking van het besluit van 6 oktober 1998 was opgeschort. Voorts ziet de president geen aanleiding voor het oordeel dat verzoekers aan die mededeling het vertrouwen konden ontlenen dat verweerder op voorhand zou afzien van uitvoering van toekomstige besluiten.

Met betrekking tot het bestreden besluit wordt overwogen als volgt.

Voor de wettelijke grondslag van het bestreden besluit verwijst de president naar hetgeen daaromtrent is overwogen op bladzijde 4 en 5 van de uitspraak van de rechtbank van 2 mei 2000.

Aan het thans bestreden besluit ligt opnieuw ten grondslag het standpunt van verweerder dat sprake is van overtreding van artikel 22 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan „De Ronde Hoep 1973 – Eerste herziening en aanvulling. Daarin is bepaald dat het niet is toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken, op een wijze of tot een doel strijdig met de bij dit plan aan deze gronden en bouwwerken gegeven bestemming.

Zoals reeds in de uitspraak van de rechtbank van 2 mei 2000 is vastgesteld rust op het in geding zijnde perceel de bestemming „agrarische doeleinden“. Oprichting van het litigieuze perceel als atelier annex werktuigen- en hooiberging is evenwel mogelijk gemaakt door middel van een anticipatieprocedure.

Vastgesteld wordt dat het naar de mening van verweerder niet zonder meer vaststaat dat het perceel […] […] […] wordt bewoond. Gelet hierop kan de stelling van verzoekers dat zij in X wonen en binnenkort zullen verhuizen naar de gemeente D onbesproken worden gelaten.

Aan het bestreden besluit ligt thans ten grondslag het standpunt dat het perceel zodanig is ingericht dat dit op eenvoudige wijze voor bewoning geschikt is te maken. In verband daarmee heeft verweerder gelast een aantal in het bestreden besluit nader aangeduide voorzieningen te verwijderen.

Beantwoord dient te worden of verweerder terecht heeft geoordeeld dat het gebruik van voormelde voorzieningen niet kan worden gerekend tot activiteiten waarvoor een atelier is opgericht.

Met betrekking tot de wasmachine heeft verzoekster gesteld dat deze nodig is voor het wassen van bepaalde stoffen alvorens deze worden vermaakt tot kleding. Ter zitting heeft verzoekster gesteld dat zij de wasmachine tevens gebruikt voor het wassen van de badjassen, die aan klanten worden aangeboden tijdens of na het passen van kleding.

De president acht voldoende aannemelijk gemaakt dat de wasmachine wordt gebruikt voor werkzaamheden verband houdend met de werkzaamheden in het atelier. Het bestreden besluit berust in zoverre op een onjuiste feitelijke grondslag en komt dan ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Ten aanzien van de voorzieningen in de keuken wordt overwogen als volgt.

Naar de president aan de hand van de onderzoeksverslagen en de door verweerder overgelegde foto’s heeft kunnen vaststellen zijn in het perceel keukenvoorzieningen aangebracht, die gelijkwaardig zijn aan voorzieningen die in een woning worden aangebracht.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is wat betreft het gebruik van deze voorzieningen het volgende naar voren gekomen. Verzoekster heeft aangegeven dat zij in het atelier één bruidsjurk per maand maakt. Daarnaast vermaakt zij andere kleding. Verzoekster stelt dat de keukenvoorzieningen noodzakelijk zijn in verband met het ontvangen van klanten. Naast het presenteren van koffie en thee worden hapjes klaargemaakt tijdens het houden van (bruidsjurken)shows, die twee- tot driemaal per maand worden gehouden. Voor de shows worden circa 20 tot 30 mensen ontvangen. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij de shows organiseert samen met een ander, die aldaar haar kleding verkoopt. Verzoekster heeft tenslotte aangegeven dat de keuken tot de standaarduitrusting van een werkruimte hoort waar gedurende een lange tijd gewerkt wordt en tussen het werk gepauzeerd wordt.

Uit het vorenstaande blijkt naar het oordeel van de president genoegzaam dat het gebruik van de in geding zijnde keukenvoorzieningen geen verband houdt met atelierwerkzaamheden, maar met andere activiteiten. Dat verzoekster tijdens haar naaiwerkzaamheden moet kunnen pauzeren en daartoe bijvoorbeeld een kop koffie of een kop thee moet kunnen maken voor haarzelf dan wel voor een klant kan op zichzelf niet onredelijk worden geacht. Echter, niet valt in te zien dat verzoekster daartoe zou zijn aangewezen op voorzieningen als een oven, een kookplaat, een vaatwasser en een afzuigkap. De president heeft hierbij in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat verzoekster in verband met de omvang van het werk haar werkzaamheden tezamen met één of meerdere mensen verricht. Voorts is niet gebleken dat verzoekster in verband met haar atelierwerkzaamheden grote aantallen bezoekers moet ontvangen. Verzoekster heeft aangegeven het atelier, behalve voor het naaien van kleding, ook te gebruiken als gelegenheid voor het houden van (mode)shows, in verband waarmee onder meer voedsel wordt voorbereid. Het zeer regelmatig houden van voormelde shows kan naar het oordeel van de president evenwel niet worden beschouwd als een activiteit waarvoor het atelier is opgericht.

Ten aanzien van de droger overweegt de president dat niet is gebleken dat het gebruik ervan (direct) verband houdt met de werkzaamheden in het atelier.

Uit het vorenstaande volgt dat het gebruik van de oven, de kookplaat, de vaatwasser, de afzuigkap en de droger strijdig is met het ter plaatse toegestane gebruik als atelier. Verweerder was derhalve bevoegd om verzoekster –onder oplegging van een dwangsom- te gelasten deze voorzieningen te verwijderen.

De vraag of verweerder van zijn bevoegdheid in redelijkheid gebruik heeft gemaakt beantwoordt de president bevestigend. Daarbij is in aanmerking genomen dat verweerder het beleid voert om ter plaatse geen woonfunctie toe te staan, terwijl het perceel –naar de president uit de ingezonden verslagen van plaatsopneming en de ter zitting getoonde foto’s is gebleken- met de huidige inrichting tevens op eenvoudige wijze als woonruimte in gebruik kan worden genomen.

Voorts is naar het oordeel van de president –anders dan verzoekers hebben gesteld- niet komen vast te staan dat sprake is van andere, gelijke gevallen waarin verweerder het strijdige gebruik wel heeft toegestaan.

Hetgeen overigens door verzoekers is aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel.

Gelet op voorgaande overwegingen dient het beroep, voor zover betrekking hebbend op het opleggen van een last onder dwangsom tot verwijdering van de wasmachine gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit in zoverre te worden vernietigd, en dient het beroep voor het overige ongegrond te worden verklaard.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

De president ziet in het vorenstaande aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van de procedures, gevallen aan de zijde van verzoekers en begroot op f 1.420,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voorts zal de rechtbank verweerder veroordelen tot vergoeding van het griffierecht.

Beslist wordt als volgt.

4. BESLISSING

De president,

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover gericht tegen het opleggen van een last onder dwangsom tot verwijdering van de wasmachine, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door verzoekers gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 1.420,- (zegge: eenduizendveertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de gemeente Ouder-Amstel aan verzoekers;

- bepaalt dat de gemeente Ouder-Amstel het betaalde griffierecht ad (2 x f 225,- =) f 450,- (zegge: vierhonderd en vijftig gulden) aan verzoekers vergoedt.

Gewezen door mr. A.W.P. Letschert, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, griffier,

en uitgesproken in het openbaar op:

door mr. A.W.P. Letschert, in tegenwoordigheid van de griffier.

de griffier, de president,

Tegen deze uitspraak kunnen, voorzover deze betreft het oordeel in de hoofdzaak (reg.nr. AWB 00/4383 GEMWT) een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na de datum van toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Coll.:

D: B