Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA8706

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
13/120075-98
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 13/120075-98

datum uitspraak: 30 november 2000

op tegenspraak (verdachte is niet verschenen, doch de raadsman is uitdrukkelijk gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen)

VERKORT VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, meervoudige kamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats- en datum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres]

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 7 en 16 november 2000.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

2.1 Geldigheid van de dagvaarding

2.1.1.

De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van de plaatsbepaling "buiten Nederland" in het onder 1. en 3. telastegelegde partieel nietig zou moeten worden verklaard, nu deze aanduiding zo vaag is dat verdachte zich hiertegen niet kan verdedigen en bovendien niet valt na te gaan met deze enkele aanduiding of er sprake is van dubbele strafbaarheid als vereist in artikel 5, eerste lid, sub 2. van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Dit verweer slaagt, op de daartoe aangevoerde gronden. De dagvaarding zal dan ook op dit punt partieel nietig worden verklaard.

2.1.2

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het zinsdeel "het (opzettelijk) verrichten van andere hand- en spandiensten met betrekking tot de te plegen misdrijven" in het onder 3. telastegelegde partieel nietig zou moeten worden verklaard, nu de telastelegging op dit onderdeel onduidelijk is en derhalve niet geldt als een voldoende opgave van het feit in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De rechtbank is van oordeel dat genoemd zinsdeel een voldoende opgave van het feit behelst. Het verweer wordt dan ook verworpen.

3. Waardering van het bewijs

3.1 Ten aanzien van de niet-ambtelijke omkoping

De raadsman heeft bij pleidooi betoogd dat de telastegelegde niet-ambtelijke omkoping niet kan worden bewezen. De rechtbank zal ter beoordeling van dit verweer eerst nagaan wat de bedoeling van de wetgever is geweest bij de invoering van artikel 328ter Sr. Vervolgens zal de rechtbank, uitgaande van deze bedoeling, op grond van de door haar als vaststaand aan te nemen omstandigheden en de stellingen van verdachte beoordelen of dit verweer slaagt.

3.1.1 Totstandkoming en strekking van artikel 328ter Sr

De wetgever heeft in 1967 strafbaar gesteld het handelen of nalaten ten behoeve van een derde door een werknemer of een lasthebber in het kader van een arbeids/lastgevingsver-houding tegen enigerlei vorm van beloning, waarvan de werkgever/lastgever in strijd met de goede trouw niet op de hoogte werd gebracht.

Blijkens de wetsgeschiedenis is deze strafbaarstelling ingegeven door de vrees van de wetgever voor verval van de publieke moraal. Het vertrouwen dat een werkgever of lastgever een werknemer of lasthebber moet schenken zal toenemen waar bevoegdheden meer worden gedelegeerd en specialisatie binnen ondernemingen voortschrijdt. In een maatschappij waarin de welvaart toeneemt, zo overwoog de wetgever, zal de verleiding toenemen om zich op normatief onregelmatige wijze bezit toe te eigenen. Wanneer daartegen niet strafrechtelijk kon worden opgetreden, zo vreesde de wetgever, dreigde omkoping een maatschappelijk geaccepteerd verschijnsel te worden waarmee een verzwakking van de publieke moraal gepaard zou gaan, nu was gebleken dat niet iedereen het moreel verwerpelijke van dergelijk handelen aanstonds inzag. Voorts achtte de wetgever bescherming van vertrouwensverhoudingen bij het vervullen van contracten, meer in het bijzonder in de dienstbetrekking, van openbaar belang.

Voorop stond derhalve het waarborgen van de zuiverheid van de dienstbetrekking. Een ondergeschikte rol speelde het belang van de eerlijkheid van de economische mededinging. Mede in verband met een preventieve werking die diende uit te gaan van deze strafbaarstelling, werd daaraan een hoge geldboete gekoppeld.

De wetgever heeft voorts met zoveel woorden overwogen dat het delict zich niet leende voor

vervolging niet anders dan op klachte. Het openbaar belang vergde vervolging en van werkgevers hoefden geen aangiftes te worden verwacht, gelet op de negatieve publiciteit die dat zou meebrengen voor het bedrijf en op het mogelijk aan het licht komen van een gebrek aan controle of een onjuist beleid van de werkgever. Daarnaast valt in de toelichting op het wetsvoorstel te lezen dat men tevens het achterwege blijven van aangiftes vreesde, omdat werkgevers ook niet altijd de verwerpelijkheid van het strafbaar gestelde handelen zouden inzien.

3.1.2 Conclusies van de rechtbank

De rechtbank acht bewezen het aan verdachte telastegelegde "het namens de Stichting MN Services accepteren van effectentransacties tegen niet optimale koersen". Zij komt tot dit oordeel op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder het proces-verbaal Crim.org. 140WvSr in het dossier met nummer HA9728/3007 waarin de na te noemen handelwijze is beschreven.

Op grond van deze bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden geacht dat verdachte afspraken met [S.] had ter zake van het afnemen van door [S.] door middel van FTC aangeboden pakketten effecten voor een prijs die [S.] convenieerde en hem in staat stelde met zijn eigen vennootschappen winst te maken, welke niet noodzakelijkerwijze de optimaal te verkrijgen prijs van dat moment was. Dat er wel werd gehandeld binnen de bestaande bandbreedte, doet hieraan niet af. In ruil daarvoor ontving verdachte betalingen van [S.]. Van een en ander is de werkgever van verdachte nimmer door verdachte op de hoogte gesteld, hetgeen, gelet op de aard van het gedrag dat is verzwegen, niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt. De rechtbank acht bij deze bewezenverklaring doorslaggevend dat verdachte zelf geen andersluidende aannemelijk te achten verklaring voor het patroon zoals zich dat uit het dossier laat opmaken heeft gegeven.

Aldus heeft verdachte, de strekking en geschiedenis van artikel 328ter Sr als hiervoor weergegeven in aanmerking nemend, gehandeld in strijd met dit artikel.

3.2 Ten aanzien van het niet doen van een juiste en/of volledige aangifte

De raadsman heeft betoogd dat uit het dossier niet is vast te stellen dat de door de FIOD geconstateerde onverklaarde stortingen op de rekening van verdachte niet zonder meer als inkomsten kunnen worden aangemerkt, zodat daarmee niet is komen vast te staan dat deze in het kader van de Inkomstenbelasting hadden moeten worden opgegeven.

De rechtbank acht onder meer op grond van de aantekeningen in de agenda van [S.] bewezen dat bedragen zijn uitgekeerd aan verdachte, welke vergoedingen betroffen voor door verdachte verleende diensten als hiervoor uiteengezet. Daarmee is sprake van giften, welke naar het oordeel van de rechtbank, onder verwijzing naar het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 1984 (NJ 1985, 320), als irreguliere inkomsten uit of in verband met de dienstbetrekking in de aangiftes inkomstenbelasting van verdachte hadden moeten worden opgenomen.

3.3 Ten aanzien van de criminele organisatie

Ter zake van het onder 3. telastegelegde overweegt de rechtbank nog het volgende. Zij acht bewezen op grond van de door haar te bezigen bewijsmiddelen dat verdachte samen met [Van Z.] en [S.] gedurende geruime tijd in een gestructureerd samenwerkings-verband heeft geopereerd, welk opereren als passieve dan wel actieve omkoping in de zin van artikel 328ter Sr, meermalen gepleegd, dient te worden aangemerkt. Aldus is er sprake van een organisatie die tot doel heeft het plegen van misdrijven.

4. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

4.1 Bewezenverklaring

Van hetgeen is telastegelegd acht de rechtbank in het licht van het voorgaande bewezen dat:

ten aanzien van het onder 1. telastegelegde

hij in de periode van 16 februari 1993 tot en met 30 september 1997 in Nederland, terwijl hij, verdachte, werkzaam was, anders dan als ambtenaar, in dienstbetrekking bij Stichting MN Services, naar aanleiding van hetgeen, hij, verdachte, in zijn dienstbetrekking heeft gedaan, te weten het accepteren (namens Stichting MN Services) van effectentransacties tegen niet optimale koersen, geld heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.

ten aanzien van het onder 2. telastegelegde

hij in de periode van 16 juni 1992 tot en met 28 november 1997 te Bussum telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, inzake de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte, toen en daar telkens opzettelijk onjuist en onvolledig opgegeven, door middel van een telkens door of vanwege hem, verdachte, ingevuld en ondertekend en bij de Inspecteur der Directe Belastingen te Hilversum ingeleverd aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over respectievelijk 1991 en 1992 en 1993 en 1994 en 1995 en 1996 (zijnde telkens een formulier als bedoeld in artikel 7 lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen), dat zijn belastbaar inkomen bedroeg respectievelijk ƒ 120.413,= (1991) en ƒ 126.948,= (1992) en ƒ 148.732,= (1993) en ƒ184.269,= (1994) en ƒ 157.073,= (1995) en ƒ 150.077,= (1996), terwijl dat belastbaar inkomen telkens meer bedroeg, zulks terwijl daarvan telkens het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven.

ten aanzien van het onder 3. telastegelegde

hij in de periode van 1 januari 1991 tot en met 25 mei 1998 te Rijswijk, gemeente Rijswijk, heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door verdachte en [S.] en [Van Z.], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten omkoping, welke deelneming bestond uit het namens de Stichting MN Services accepteren van (effecten)transacties tegen niet optimale koersen.

4.2 Verbetering van fouten

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdediging.

4.3 Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezengeachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Ten nadele van verdachte geldt het volgende. Onder 3.1.1 is uitvoerig uiteengezet wat de wetgever ertoe heeft gebracht om het aannemen en verzwijgen van giften in de werksfeer door niet-ambtenaren strafbaar te stellen. Hetgeen door de rechtbank in deze zaak bewezen wordt geacht, is naar haar oordeel bij uitstek een voorbeeld van een handelen in strijd met de integriteit en de openheid die de wetgever heeft bedoeld te beschermen. Verdachte heeft daarbij gehandeld uit puur financieel gewin en volgens een zo geraffineerde methode, dat ontdekking nagenoeg uitgesloten was. Voorts heeft de omkoping vele jaren geduurd en plaatsgevonden in de vorm van een criminele organisatie.

Het vorenstaande rechtvaardigt, gelet op de maatschappelijke impact, naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf en tevens, gelet op het beoogde financiële gewin, het opleggen van een geldboete. Verdachte heeft ten slotte de aldus ontvangen irreguliere inkomsten verzwegen voor de belastingdienst. Dat als gevolg daarvan geen inkomstenbelasting is geheven, strekt eveneens de gehele maatschappij tot nadeel. De sanctie voor de belastingfraude brengt de rechtbank tot uitdrukking in een (verhoging van de) geldboete.

Ten voordele van verdachte laat de rechtbank meewegen dat de vervolging van verdachte

diepingrijpende gevolgen heeft gehad in zijn persoonlijke levenssfeer, nu verdachte als gevolg hiervan zijn baan is kwijtgeraakt en het uitzicht op een nieuwe werkkring in de beleggingswereld als zeer beperkt moet worden ingeschat. Ook de grote mate van publiciteit rond de aanhouding en vervolging van verdachte is een voor verdachte belastende omstandigheid, die de rechtbank zal laten meewegen in het bepalen van de strafmaat. Voorts laat de rechtbank de geruime tijd die is verstreken tussen het laatste verhoor van verdachte en de uiteindelijke berechting in het voordeel van verdachte meewegen.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank het schriftelijk door verdachte gedane aanbod tot het verrichten van vervangende arbeid zal honoreren en dienovereenkomstig het deel van de gevangenisstraf dat zij in onvoorwaardelijke vorm overweegt op te leggen, zal omzetten in vervangende arbeid. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Tevens acht zij, gelet op de duur van het vergrijp, de rol van verdachte en het voordeel dat verdachte van het bewezengeachte heeft genoten, een geldboete als na te noemen gerechtvaardigd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b, 23, 24, 24c, 57, 140 en 328ter van het Wetboek van Strafrecht en artikel 68 (oud) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is aangegeven;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 telastegelegde:

anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd

ten aanzien van het onder 2 telastegelegde:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd

ten aanzien van het onder 3 telastegelegde:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte, in plaats van tot een gevangenisstraf van 6 maanden tot het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte in het kader van een project van de Reclassering Nederland, ressort Amsterdam (onderhouds- en verzorgingswerk of huishoudelijke werkzaamheden en keukenwerk of administratief werk), te voltooien binnen

een termijn van 1 jaar, die aanvangt binnen een termijn van 3 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van deze straf in mindering zal worden gebracht volgens de maatstaf van 2 uur per dag.

Veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Beveelt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van ƒ 600.000,= (zeshonderdduizend gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 jaar.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.L. Mastboom, voorzitter,

mrs. P.H.M. Kuster en J.L. Bruinsma, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.S. Zwerwer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 november 2000.