Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA8673

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99.2492 H
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

Beschikking van de rechter-commissaris

Sector: civiel recht

Kamer:

Rekestnummer: 99.2492 H

Datum beschikking:

Partijen:

1. DE COÖPERATIEVE VERENIGING TOT EXPLOITATIE VAN EEN

PARKEERGARAGE "HERENGRACHT 179 -197", gevestigd te Amsterdam,

2-29: [verzoekers 2-19] (leden van deze vereniging; "Herengrachtparkeerders")

verzoekers ,

procureur mr. S.M. van der Stoel,

tegen :

1. [verweerder 1] (vennoot F&F)

2. [verweerder 2] (vennoot F&F)

3. [verweerder 3] (architect)

4. [verweerder 4; getuige] (de notaris)

5-18 [verweerders 5-18] ("Singelparkeerders")

verweerders,

correspondentieadres voor verweerder sub 1 voor al hetgeen onderhavige procedure aangaat:

mr. P.J. Siekman, advocaat te Hoofddorp, postbus 670, 2130 AR Hoofddorp;

de diverse procureurs voor verweerders zijn;

voor verweerder sub 2: mr. R.A. IJsendijk;

voor verweerder sub 3: mr. B.S. Friedberg;

voor verweerder sub 4: mr. Ph.N.M. Creijghton;

voor verweerder/ster sub 5,6,7,8,11,12,14,15,16,17,18: mr. J.E.M. Polak;

voor verweerder sub 10 en 13: eerst mr. R. Ridder, thans mr. P.C.J. Twaalfhoven.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter gelegenheid van het op 23 oktober 2000 tussen partijen gehouden voorlopig getuigenverhoor is mr. [getuige], notaris te Amsterdam (hierna: de notaris), verweerder onder 4, gehoord als partijgetuige. De relevante pagina’s uit het proces verbaal zijn als bijlage 1 aan deze beschikking gehecht.

De notaris heeft zich bij zijn verhoor ten aanzien van het merendeel van de gestelde vragen beroepen op zijn verschoningsrecht.

In overleg met de notaris en alle raadslieden heeft de rechter-commissaris bepaald dat de raadslieden hun standpunt ten aanzien van het gedane beroep op het verschoningsrecht schriftelijk aan de rechter-commissaris kenbaar zouden kunnen maken, waarna de rechter-commissaris bij afzonderlijke beschikking daarop zou beslissen.

De beschikking is bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Standpunt notaris

1. De notaris heeft zich ter onderbouwing van zijn beroep op het in artikel 192 Rv geregelde verschoningsrecht beroepen op de rechtspraak van de Hoge Raad zoals deze tot uiting komt in de arresten Ogem (NJ 1986, 173), Tomol/Van Eijck (NJ 1993, 467), Kilbarr (NJ 1995, 3) en Van Olst/Ontvanger (NJ 2000, 341). Uit het arrest Van Olst/Ontvanger leidt de notaris af dat hij slechts zou behoeven te antwoorden op vragen als die gaan over zakelijke transacties waarvan van meet af aan de bedoeling was dat deze voor derden rechtsgevolgen hadden. Hier ging het echter om de verkoop en overdracht van onroerende zaken en dan ook nog in de niet-zakelijke sfeer.

2. De door de verzoekers gevraagde gegevens zijn niet bedoeld om de transacties met de Singelparkeerders uit te leggen, maar om te onderzoeken of er gronden zijn om van de bij de transacties betrokkenen schadevergoeding te vorderen. Dit belang betekent dat de gevraagde gegevens ten opzichte van verzoekers als aan de notaris toevertrouwd dienen te worden beschouwd.

2. Standpunt verzoekers

1. De verzoekers hebben naar voren gebracht dat de getuige [verweerder 2] heeft verklaard dat bij de overdracht aan de Singelparkeerders aan hen is uitgelegd dat zij geen parkeerplaats kochten maar een onverdeeld aandeel in een onroerende zaak. Een daartoe in de transportakte opgenomen beding, kort gezegd inhoudende dat het de koper bekend is dat de gemeente geen parkeervergunning heeft gegeven en dat het gebruik voor eigen risico komt, is aan de kopers voorgedragen en toegelicht, aldus [verweerder 2]. De op 30 oktober 2000 gehoorde getuige Walberk (één van de Singelparkeerders) heeft verklaard dat de notaris geen nadere uitleg omtrent de opgenomen voorwaarde heeft gegeven. Er is sprake van een tegenstrijdigheid tussen de afgelegde verklaringen, waarover alleen de notaris duidelijkheid kan verstrekken. Het belang van verzoekers te weten of de notaris aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan weegt zwaarder dan het belang van de notaris zich op zijn verschoningsrecht te kunnen beroepen, aldus verzoekers.

2. Zijn beroep op het verschoningsrecht dient voorts te worden verworpen omdat het niet gaat om mededelingen die hem als notaris zijn toevertrouwd zoals bedoeld in HR 11 maart 1994, NJ 1995, 3.

3. Verzoekers zijn onmiddellijk belanghebbende bij de informatieverstrekking door de notaris over feiten en omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de verkoop van F&F aan de Singelparkeerders van een onverdeeld aandeel aan de Singelzijde.

4. De transportakten waarin de onder 2.1 bedoelde voorwaarde is opgenomen zijn bij het kadaster op te vragen, zodat het ook om deze reden geen aan de notaris toevertrouwde gegevens betreft.

5. Verzoekers wensen ook in de gelegenheid te worden gesteld door de notaris wel beantwoorde vragen opnieuw te stellen, omdat de notaris deze maar gedeeltelijk heeft willen beantwoorden.

3. Standpunt verweerders

1. Verweerder [verweerder 2] is van mening dat de vragen die zien op de totstandkoming en uitleg van de transacties tussen F&F en de Singelparkeerders op grond van HR 11 maart 1994 NJ 1995, 3 beantwoord moeten worden. Het ligt bij dergelijke transacties niet voor de hand snel het vertrouwelijke karakter aan te nemen van die transacties zelf of van feiten die voor de uitleg daarvan van belang zijn. Dit strookt ook met hetgeen in de wet is bepaald omtrent de verplichting van de notaris een notariële akte of uittreksel daarvan aan een onmiddellijke belanghebbende af te geven.

De vragen 2, 3, en 4 van mr. Boot hebben betrekking op een transactie waarbij de coöperatieve vereniging zelf partij was, zodat de notaris volgens [verweerder 2] uit dien hoofde geen beroep toekomt op zijn verschoningsrecht.

[verweerder 2] brengt naar voren dat het verschoningrecht niet kan worden gebruikt om omstandigheden verborgen te houden welke van belang zijn om de mogelijke aansprakelijkheid van de notaris vast te stellen.

2. Verweerder [verweerder 3] heeft aangevoerd dat de uitspraken waarop de notaris zich heeft beroepen gevallen betreffen waarin de figuur van de notaris zelf niet in het geding was. Nu het in deze zaak niet gaat om de toevertrouwde gegevens, maar om de figuur van de notaris zelf en zijn eigen betrokkenheid bij de totstandkoming van diverse transacties, komt hem geen beroep op het verschoningsrecht toe.

3. De verweerders onder 5, 6, 7, 8, 11, 12, 14, 15, 16, 17 en 18 hebben verklaard zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

4. Beoordeling

1. De rechter-commissaris overweegt ten aanzien van het beroep van de notaris op zijn verschoningsrecht het volgende.

De aan de notaris gestelde vragen hebben (met uitzondering van de vragen 2, 3 en 4 van mr. Boot, waarop in overweging 4.12 wordt ingegaan) geen betrekking op transacties waarbij verzoekers van dit voorlopig getuigenverhoor partij waren. Anders dan in eerdere rechtspraak gaat het echter in het onderhavige geval om een reeks van transacties met betrekking tot één en dezelfde parkeergarage. Verzoekers onder 2 tot en met 29 (tussen partijen aangeduid als de Herengrachtparkeerders) hebben daarbij met dezelfde wederpartij (de inmiddels failliete vennootschap onder firma F&F) gecontracteerd als de verweerders onder 5 tot en met 18 (tussen partijen bekend als de Singelparkeerders). De notaris trad als (project-)notaris op in alle transacties voor het gehele appartementencomplex, zowel in de overdrachten van F&F aan verzoekers onder 2 tot en met 29 als aan verweerders onder 5 tot en met 18. In zijn publieke functie als notaris zal hij zich mogelijk moeten verantwoorden tegenover verzoekers, indien het zo is dat hij door mee te werken aan de levering van parkeerplaatsen aan Singelparkeerders de rechten van de Herengrachtparkeerders heeft aangetast.

2. Het verschoningsrecht is gericht op de bescherming van de vertrouwelijkheid van het verkeer tussen notaris en cliënt. In beginsel bepaalt de notaris zelf welke informatie vertrouwelijk is en onder het verschoningsrecht valt.

In het licht van de bijzondere positie van de notaris in deze zaak als mogelijk (mede-) aansprakelijke persoon komt de notaris echter in het onderhavige geval niet het recht toe zelf te bepalen hoe ver zijn verschoningrecht strekt. Voorkomen moet worden dat de notaris met een onterecht beroep op het verschoningsrecht het zicht ontneemt op eigen mogelijk onrechtmatig handelen.

Als een van de bewijsthema’s in het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is ten aanzien van de notaris genoemd: ‘…in hoeverre door [getuige] terzake de noodzakelijke zorgvuldigheid is betracht.’ Het eigen handelen van de notaris kan daarom in dit voorlopig getuigenverhoor aan de orde worden gesteld.

3. De rechter-commissaris zal - gezien het onder 4.2 aangegeven doel van het verschoningsrecht - bij elke vraag moeten toetsen of aannemelijk is dat de beantwoording van die vraag feiten aan het licht kan brengen die verborgen behoren te blijven.

Daarbij zal gelden dat in ieder geval vragen die gericht zijn op het overleg tussen cliënten en de notaris en het door de notaris aan zijn cliënten gegeven advies niet beantwoord behoeven te worden.

Vragen die erop zijn gericht te kunnen beoordelen of de notaris heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend notaris in de gegeven omstandigheden verwacht mocht worden, zullen in beginsel wel beantwoord moeten worden. Daarbij is onder meer van belang vast te stellen over welke informatie de notaris heeft beschikt, welke maatregelen hij heeft genomen nadat problemen waren gebleken en wat de gang van zaken bij de ten overstaan van de notaris gepasseerde akten is geweest.

4. Voor zover zou worden geoordeeld dat in beginsel een beroep op het verschoningsrecht kan worden gedaan, is dat niet meer het geval voor zover andere getuigen reeds over het onderwerp waarop de te stellen vraag betrekking heeft hebben verklaard. Dit heeft immers tot gevolg dat niet kan worden gezegd dat de notaris door de vraag te beantwoorden, zou openbaren hetgeen verborgen moet blijven. Van hem mag ten minste gevraagd worden dat hij ingaat op de door andere getuigen afgelegde verklaringen en, zo hij deze niet kan bevestigen, aangeeft wat er volgens hem wel is gebeurd. Hij handelt daarmee ook niet in strijd met zijn geheimhoudingsplicht, aangezien hij dan verklaart over hetgeen niet meer geheim is.

Juist nu de positie van de notaris als mogelijk mede-aansprakelijke persoon in het geding is, mag de notaris ook niet het recht worden ontzegd over dat wat inmiddels niet meer geheim is gebleven zijn visie te geven.

5. Aan deze beschikking wordt als bijlage 2 een overzicht gehecht van de naar het oordeel van de rechter-commissaris van belang zijnde passages uit eerdere getuigenverhoren in deze zaak waarover de notaris zich in een nader verhoor zal moeten uitlaten. Om proceseconomische redenen zal van de notaris ook mogen verwacht dat hij reageert op een na zijn verhoor op 30 november 2000 in deze zaak afgelegde verklaring.

6. Een aantal vragen is zo algemeen, dat gezegd kan worden dat een volledig antwoord mogelijk elementen zou bevatten die onder het verschoningsrecht vallen. De rechter-commissaris zal aangeven in hoeverre de notaris deze vragen zal moeten beantwoorden.

7. Thans zal de rechter-commissaris ten aanzien van de door de notaris niet beantwoorde vragen aangeven of - en zo ja in hoeverre - de notaris deze vragen, gezien het onder 4.1-4.6 overwogene, onbeantwoord kan laten met een beroep op het verschoningsrecht.

rechter-commissaris vragen 1-4

8. Deze vragen zijn te algemeen om van de notaris een volledig antwoord te verwachten. Door verschillende getuigen is verklaard dat het probleem was dat in de eerste bouwvergunning 34 parkeerplaatsen waren vergund en in bouwvergunning II een uitbreiding van de parkeergarage, maar nog steeds het zelfde aantal van 34 parkeerplaatsen. Ook uit de verklaringen van andere getuigen is duidelijk dat daarover tussen de F&F als verkoper van de appartementen en de notaris overleg is gevoerd. Gezien hetgeen onder 4.4 werd overwogen mag van de notaris worden verwacht dat hij kennis neemt van bijlage 2, passages A,D, F, G, H, J, L, N en P en aangeeft of hetgeen door andere getuigen is verklaard juist is en zo niet, zijn visie daartegenover stelt.

rechter-commissaris vraag 6 en 7

9. Ook al zijn de in deze vragen bedoelde tekeningen mogelijk via F&F bij de notaris gekomen, gezien de zakelijke aard van de onderhavige transactie is niet aannemelijk dat deze tekeningen een vertrouwelijk karakter hadden en dus als aan de notaris toevertrouwd moeten gelden. Voor de beoordeling van het handelen van de notaris is van belang van welke tekeningen hij is uitgegaan. Een beroep op het verschoningsrecht zal de notaris niet vrijstaan, gezien hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 werd overwogen, mede gezien de door andere getuigen afgelegde verklaringen (bijlage 2, passages B, C, G, I, K, M, N en Q).

rechter-commissaris vraag 8

10. Uitgangspunt is dat de notaris deze vragen niet hoeft te beantwoorden, aangezien het hier gaat om de situatie waarin zijn cliënte F&F zich tot hem gewend heeft om zijn advies in te winnen en hier het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot een notaris moet kunnen wenden in beginsel zwaarder weegt dan de waarheidsvinding.

Dat is gezien hetgeen onder 4.4 werd overwogen evenwel anders voor zover eerder gehoorde getuigen reeds over deze vraag hebben verklaard. De notaris zal daarom zijn commentaar moeten geven op bijlage 2, passage D.

mr. Boot vraag 1

11. De notaris zal de door de rechter-commissaris gestelde nadere vraag moeten beantwoorden, gezien hetgeen onder 4.3 werd overwogen. Deze vraag is immers gericht op het eigen handelen van de notaris. Ook als het zo zou zijn dat de parkeernorm door F&F aan de notaris zou zijn medegedeeld, is dit een mededeling omtrent hetgeen openbaar is, en kan deze om die reden niet als aan de notaris toevertrouwd gelden.

mr. Boot vraag 2, 3 en 4

12. De vragen 2, 3 en 4 van mr. Boot hebben betrekking op transacties waarbij verzoeker onder 1 rechtstreeks was betrokken. De vragen betreffen alleen de transacties zelf, en niet hetgeen partijen ter voorbereiding daarvan met de notaris hebben besproken. Nu het hier gaat om vragen van verzoekers van het voorlopig getuigenverhoor, staat vast dat zij wensen dat de notaris deze beantwoordt. Wat de bescherming van de vertrouwelijkheid van de andere contractspartij (F&F) betreft, moet worden vooropgesteld dat het hier gaat om zakelijke transacties, die naar hun aard niet vertrouwelijk zijn, aangezien zij uitmonden in een in de openbare registers in te schrijven akte. Nu het gaat om de overdracht van een absoluut recht, heeft dit werking tegenover een ieder.

Ook van een uitdrukkelijk uitgesproken wens van de andere contractspartij, F&F dat transacties als zodanig geheimgehouden zouden moeten worden, is niet gebleken. Deze wens is gezien de aard van de transactie ook niet aannemelijk.

Tenslotte hebben verschillende getuigen over de transacties verklaard, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte bijlage 2, passages C en E.

Dit alles betekent dat de notaris zich niet op zijn verschoningsrecht kan beroepen.

mr. Boot vraag 5

13. Deze vraag betreft openbare gegevens. De notaris kan zich niet beroepen op het verschoningsrecht.

mr. Boot vragen 6, 7, 8 en 9

14. Hetgeen onder 4.9 werd overwogen is hier van overeenkomstige toepassing.

mr. Boot vraag 10

15. Hiervoor geldt hetgeen onder 4.8 werd overwogen.

mr. Boot vraag 11

16. Deze vraag is door de getuige reeds gedeeltelijk beantwoord in zijn antwoord op de vijfde vraag van de rechter-commissaris. Voor zover deze vraag hierbij betrekt het met [verweerder 2] en [verweerder1] gevoerde overleg, kan de notaris zich op zijn verschoningsrecht beroepen. Dat is gezien hetgeen onder 4.4 werd overwogen evenwel anders voor zover eerder gehoorde getuigen reeds over deze vraag hebben verklaard. De notaris zal daarom moeten aangeven of hetgeen door andere getuigen is verklaard (bijlage 2 passages D, I, J, L, N, P) juist is en zo niet zijn visie daartegenover moeten stellen.

mr. Boot vraag 12

17. Gezien hetgeen onder 4.4 is overwogen kan de notaris zich hier niet op het verschoningsrecht beroepen. Hij zal moeten reageren op de in bijlage 2 onder O, R,S en T opgenomen gedeelten van de verklaringen van andere getuigen.

mr. Boot vraag 13

18. Deze vraag betreft in het kadaster gepubliceerde en dus openbare gegevens. De notaris kan zich niet beroepen op het verschoningsrecht.

mr. Boot vraag 14

19. De notaris behoeft deze vraag niet te beantwoorden, aangezien het hier gaat om de situatie waarin zijn cliënte F&F zich tot hem gewend heeft om zijn advies in te winnen en hier het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot een notaris moet kunnen wenden in beginsel zwaarder weegt dan de waarheidsvinding. De in de overwegingen 4.3-4.4 besproken uitzonderingen doen zich hier niet voor.

mr. Boot vraag 15

20. Dat de bouwvergunningen I en II aan de notaris als projectnotaris bekend waren ligt voor de hand en is ook niet geheim, gezien hetgeen andere getuigen daarover hebben verklaard (bijlage 2, passages C, I en K). Nu de beantwoording van deze vraag bovendien van belang kan zijn voor de vaststelling van de aansprakelijkheid van de notaris, zal hij zich niet op zijn verschoningsrecht kunnen beroepen.

mr. Boot vraag 18

21. Deze vraag betreft in het kadaster gepubliceerde en dus openbare gegevens. De notaris kan zich niet beroepen op het verschoningsrecht.

mr. Boot vraag 20, 21 en 22

22. Gezien hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen zal de getuigde deze vragen moeten beantwoorden. Het betreft de in bijlage 2 opgenomen passages G, H en I. In het kader van deze vragen zal de rechter-commissaris de notaris bij gelegenheid van een te bevelen nader verhoor vragen eveneens te reageren op de passages R, S en T, welke afkomstig zijn uit een later getuigenverhoor in deze zaak.

mr. IJsendijk, vraag 1-3

23. Hiervoor geldt hetgeen is overwogen onder 4.8.

mr. Friedberg, vraag 1 (tweede deel) en 2

24. Hetgeen onder 4.9 werd overwogen is ook hier van toepassing.

mr. Friedberg, vragen 3, 4 en 5

25. Hiervoor geldt wat onder 4.8 werd overwogen.

conclusie

1. Het voorafgaande leidt ertoe dat de notaris in een nader verhoor de vragen ten aanzien waarvan hij zich ten onrechte op zijn verschoningsrecht heeft beroepen alsnog zal moeten beantwoorden.

2. Bij het nadere verhoor van de getuige, zullen verzoekers ook in de gelegenheid zijn aan de notaris gestelde vragen die nog niet volledig zijn beantwoord alsnog te stellen. Immers alle partijen zullen bij die gelegenheid opnieuw in de gelegenheid worden gesteld vragen te stellen. Daarbij zal ook kunnen worden ingegaan op de thans nog niet maar op dat moment al wel gehouden verhoren van andere getuigen in deze zaak.

BESLISSING

De rechter-commissaris:

staat de getuige toe zich te beroepen op zijn verschoningsrecht zoals hierboven in de overwegingen 4.8-4.25 aangegeven;

bepaalt dat hem voor het overige geen beroep op het verschoningsrecht toekomt;

bepaalt dat een nader verhoor van de getuige mr. [getuige] dient plaats te vinden op een nader te bepalen tijdstip.

Aldus gegeven door mr. , rechter-commissaris, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van , in tegenwoordigheid van de griffier.

Bijlage 1

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM

proces-verbaal van VOORLOPIG GETUIGENVERHOOR.

Heden, 23 oktober 2000, heeft mr. R.H.C. Jongeneel, bij beschikking dezer rechtbank van 23 november 1999 te dezen benoemd tot rechter-commissaris, bijgestaan door mr. Y.M. te Beek als griffier, in het gebouw der rechtbank gelegenheid gegeven tot de voortzetting van de enquête aan de zijde van verzoekers

(…)

De heren [getuige2] en [getuige] zijn als partijgetuigen gehoord.

Nadat iedere hierna genoemde, afzonderlijk gehoorde, getuige had meegedeeld niet in familie- of dienstbetrekking tot één der partijen te staan en op de bij de wet bepaalde wijze de eed had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, (één en ander voorzover niet anders is vermeld) is door de getuigen verklaard als volgt:

[getuige], 52 jaar oud, wonende te Amsterdam, notaris van beroep.

U zegt mij dat u mij vragen zult stellen en dat ik per vraag zal moeten aangeven of ik mij op mijn verschoningsrecht als notaris beroep. De raadslieden zullen vervolgens aangeven tegen welk beroep op het verschoningsrecht zij bezwaar maken. U zult daar later op beslissen. Ik kan mij met deze gang van zaken verenigen. U zegt mij dat ik desgewenst over de vraag of ik mij op mijn verschoningsrecht dien te beroepen met mijn raadsman kan overleggen en dat de zitting hiervoor zonodig zal worden geschorst.

Vragen van de rechter-commissaris:

1. Op welk moment hebt u in de gaten gekregen dat er een probleem was met de parkeerplaatsen van de complexen Herengracht 179-197 en Singel 194-198?

2. Hoe kwam u erachter dat er een probleem was?

3. Wat was het probleem?

4. Met wie hebt u over dit probleem overleg gevoerd?

5. Welke oplossing hebt u gevonden?

6. Op basis van welke tekening hebt u de laatste 16 parkeerplaatsen die zijn geleverd toebedeeld?

7. Op welk moment hebt u voor het eerst de tekening gezien die behoorde bij de tweede bouwvergunning?

8. Hebt U ontdekt dat op de tweede bouwvergunning niet 50 maar 34 plaatsen stonden en daarvan F&F op de hoogte gesteld of heeft iemand van F&F dit ontdekt en met u contact opgenomen?

9. Hebt u met de gemeente Amsteram contact gehad over de verleende bouwvergunning II? Zo ja, met wie, wat hebt u gevraagd en wat is daarop geantwoord?

10. De getuige Vermeulen Windsant heeft in haar verhoor van 5 april 2000 verklaard dat de Coöperatieve Vereniging op 17 februari 1997 een gesprek met u heeft gehad. Is dit juist? Klopt het dat u tijdens dit gesprek hebt gezegd dat u niets afwist van de tweede bouwvergunning en dat u niets hebt geweten dat u de 34 leden van de Coöperatieve Vereniging iets had aangedaan?

De getuige verklaart:

Ik beroep mij ten aanzien van de vragen 1,2,3,4,6,7 en 8 op mijn verschoningsrecht.

Vraag 5 beantwoord ik als volgt:

In de overdrachtsakten met betrekking tot de parkeerplaatsen in het Singelgedeelte is een bepaling opgenomen die ook voor derden ter inzage ligt bij het kadaster en die inhoudt dat geen vergunning is afgegeven en dat dit geheel voor rekening en risico van kopers komt.

Vraag 9 beantwoord ik als volgt:

In februari 1997 heb ik met mevrouw Jansma een gesprek gehad. Ik had dat gesprek samen met de heer Jansen, de vorige voorzitter van de Coöperatie. Ten aanzien van de inhoud van dit gesprek beroep ik mij op mijn verschoningsrecht. U vraagt mij welk van de in deze procedure betrokken partijen in dit gesprek betrokken was op grond waarvan ik mij op mijn verschoningsrecht beroep. Ik hoor mijn raadsman zeggen dat in dit gesprek zaken zijn besproken waarvan anderen dan verzoekers van dit voorlopig getuigenverhoor zouden kunnen menen dat die mij in mijn hoedanigheid als notaris zijn toevertrouwd.

Vraag 10 beantwoord ik als volgt:

Het klopt dat ik op 17 februari 1997 een gesprek heb gehad met de Coöperatieve Vereniging. Ik heb toen gezegd dat ik niets afwist van de consequenties van een tweede bouwvergunning. Het is mogelijk dat ik ook gezegd heb dat mij niet bekend was dat ik de 34 leden van de Coöperatieve Vereniging iets had aangedaan.

Vragen van mr. Boot:

1. Was u als notaris in Amsterdam op de hoogte van de parkeernorm voor dat bouwvergunning I is afgegeven?

2. Heeft u op basis van bouwvergunning I op 17 maart 1995 de Coöperatieve Vereniging Herengracht opgericht?

3. Heeft u de parkeerrechten in 33 stuks verdeeld?

4. Heeft u de statuten van de Coöperatieve Vereniging in januari 1996 gewijzigd ten behoeve van een uitbreiding van de 33 parkeerplaatsen naar 34 parkeerplaatsen?

5. Heeft u op 18 maart 1995 reeds een overgroot deel van de parkeerplaatsen getransporteerd aan bewoners van de Herengracht?

6. Welke tekeningen heeft u daarbij gebruikt?

7. Van wie heeft u bouwvergunning I toegezonden gekregen?

8. Was u op de hoogte van aanvraag bouwvergunning II?

9. Wie heeft u bouwvergunning II toegezonden en klopt het dat op bouwvergunning II eveneens 34 parkeerplaatsen waren toegestaan?

10. Heeft u vervolgens gesprekken gevoerd met [verweerder 2] en [verweerder1] en wat is de inhoud van de gesprekken geweest?

11. Is het juist dat u in overleg met [verweerder 2] en [verweerder1] een oplossing heeft gezocht voor de uitbreiding van de 16 parkeerplaatsen aan de Singelzijde door het verlenen van het recht op een onverdeeld aandeel en dus geen recht op een parkeerplaats en in de koopakten een clausule op te nemen dat dat recht alleen zou worden verworven indien uitbreiding met 16 plaatsen, dus van 34 naar 50 parkeerplaatsen, was toegestaan en de kopers voor eigen rekening en risico kochten?

12. Heeft u deze clausule aan ieder van de 16 kopers voorgelezen?

13. Is het juist dat de eerste akte voor de 16 extra plaatsen is verleden op 16 januari 1996?

14. De VOF F&F is op 26 april 1996 aangeschreven dat parkeer- plaatsen in afwijking van vergunning II waren gerealiseerd. Bent u daarvan op de hoogte gesteld?

15. Heeft u de tekeningen behorende bij de bouwvergunningen I en II naast elkaar gelegd? Heeft u geverifieerd of er wellicht overlap bestond tussen de parkeerplaatsen aan de Singelzijde en die aan de Herengrachtzijde c.q. tussen bouwvergunning I en II?

16. Is het juist dat u bij brief in februari 1997 de gemeente nog heeft verzocht tekeningen behorende bij bouwvergunning I en II toe te sturen?

17. Heeft u deze tekeningen op 7 februari 1997 ontvangen?

18. Heeft u tussen februari 1996 en 7 februari 1997 nog akten gepasseerd met betrekking tot de 16 parkeerplaatsen aan de Singelzijde met vorengenoemde beding?

19. Heeft u de heer De Jager in 1997 nog verzekerd dat betaling van zijn parkeerplaats aan de Herengrachtzijde zonder problemen kon geschieden omdat rechtsgeldig een bouwvergunning tot stand was gekomen?

20. Is hetgeen de getuige [verweerder1] heeft verklaard op 29 mei 2000 (proces-verbaal pagina 18, 4e alinea en bovenaan pagina 19) juist?

21. Is hetgeen de getuige [verweerder1] heeft verklaard op 29 mei 2000 (proces-verbaal pagina 20, 2e alinea) juist?

22. Is hetgeen de getuige [verweerder1] heeft verklaard op 29 mei 2000 (proces-verbaal pagina 22, laatste alinea t/m pagina 23, 1e alinea en 2e alinea) juist?

De getuige verklaart:

Ten aanzien van de vragen 2,3,4,5,6,7,8,9,10,11,12,13,14,15,

18,20,21 en 22 beroep ik mij op mijn verschoningsrecht. De andere vragen beantwoord ik als volgt:

Vraag 1 beantwoord ik als volgt:

In de periode daarvoor was ik van de parkeernorm niet op de hoogte. De rechter-commissaris vraagt wanneer ik daarvan op de hoogte ben gekomen. Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht.

Vraag 16 beantwoord ik als volgt:

Het is juist dat ik de tekeningen heb opgevraagd bij de gemeente. Ik dacht dat dat was in het gesprek dat ik samen met de heer Jansen heb gehad met mevrouw Jansma maar het is ook mogelikj dat ik heb nog bij brief heb gedaan, ik kan dat niet exact zeggen.

Vraag 17 beantwoord ik als volgt:

Ik weet dat niet precies. Ik zou dat in mijn dossier moeten nagaan.

Vraag 19 beantwoord ik als volgt:

Ik kan mij dat niet herinneren. Ik zou ook niet durven zeggen dat ik het niet gezegd heb. Ik kan mij wel herinneren dat de eindafrekening van de heer De Jager een tijd op zich heeft laten wachten. Dat had te maken met afspraken tussen partijen.

Vragen van mr. IJsendijk:

Uit verklaringen van eerdere getuigen blijkt dat kort na het verlenen van bouwvergunning II een bespreking heeft plaatsgevonden bij u op kantoor waarbij u, [verweerder 2], [verweerder1] en [verweerder 3] aanwezig waren.

1. Is dit juist?

2. Is bij die bespreking de tekening behorende bij de aanvraag van bouwvergunning II aan de orde geweest? Zo ja, is daar gesproken over wijzigingen in die tekening?

3. Zo ja, door wie is daar dan over gesproken en wat is daarover dan besproken?

De getuige verklaart:

Ten aanzien van deze vragen beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.

Vragen van mr. Friedberg:

1. Wat doet u in het algemeen als vergunningstekeningen bij een bouwvergunning ontbreken en heeft u in dit geval de ontbrekende tekeningen direct opgevraagd?

2. Is het juist dat de levering heeft plaatsgevonden op basis van tekeningen die zijn gebruikt voor de aanvraag van de bouwvergunning? Zo ja, waarom?

3. Kunt u aangeven waarom er gekozen is voor de levering van een onverdeelde garage in de wetenschap dat er geen vergunning was afgegeven?

4. Met wie is dit besproken en wie heeft hiervoor het accoord gegeven?

5. Kunt u aangeven waarom ervoor gekozen is om alle risico's van deze situatie bij de kopers van deze onverdeelde parkeerplaatsen te leggen?

De getuige verklaart:

Ten aanzien van alle vragen behalve het eerste deel van vraag 1 beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.

Vraag 1 (eerste deel) beantwoord ik als volgt:

Het gaat mij om de splitsingstekeningen. Ik moet weten voor hoeveel appartementen vergunning is verleend. Voor de rest controleer ik tekeningen niet.

Voorgelezen, volhard en getekend.

Taxe: nihil.

In overleg met partijen wordt het voorlopig getuigenverhoor voortgezet (…)

Elk van de raadslieden zegt toe binnen twee weken een schriftelijke beschouwing te geven over de vraag op welke vragen de getuige [getuige] zich ten onrechte op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. De rechter-commissaris zegt toe ernaar te streven vervolgens binnen twee weken een beschikking te geven.

Waarvan proces-verbaal.

bijlage 2

(…)