Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA7477

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2000
Datum publicatie
09-01-2003
Zaaknummer
98/3461 WET 19
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Mediawet 1, geldigheid: 2000-09-18
Mediawet 1, geldigheid: 2000-09-18
Mediawet 4, geldigheid: 2000-09-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

Uitspraak

reg.nr: 98/3461 WET 19

inzake: 1. RTL/Veronica de Holland Media Groep S.A. (hierna: HMG), gevestigd te Luxemburg,

2. la Compagnie Luxemburgeoise de Télédiffusion UFA (hierna: CLT), gevestigd te Luxemburg, eiseressen,

tegen: het Commissariaat voor de Media, gevestigd te Hilversum, verweerder.

I. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT

Besluit van verweerder van 31 maart 1998.

II. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 20 november 1997 heeft verweerder beslist

- dat HMG voor de programma's van RTL4 en RTL5 als de verantwoordelijke omroeporganisatie geldt,

- dat zij onder de bevoegdheid van Nederland en derhalve onder het toezicht van verweerder valt en

- dat verweerder het verzorgen door HMG en het uitzenden door kabelexploitanten van deze programma's onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde duur zal gedogen.

Tegen dit besluit is namens eiseressen bij bezwaarschrift van 24 december 1997 bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit onder wijziging van de gedoogtermijnen gehandhaafd.

Bij beroepschrift van 27 april 1998 (met bijlagen) heeft mr. E.J. Dommering, advocaat te Amsterdam, namens eiseressen tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank en op de daartoe aangevoerde gronden de rechtbank verzocht het bestreden besluit te vernietigen, zelf in de zaak te voorzien en verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure. Voorts is namens eiseressen ten aanzien van een aantal overgelegde produkties om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht.

Bij brief van 27 april 1998 heeft mr. Dommering voornoemd zich namens eiseressen tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 20 mei 1998 heeft de president dit verzoek toegewezen en het bestreden besluit geschorst (reg.nr. AWB 98/3450 WET).

Bij brief van 25 maart 1999 heeft Scandinavian Broadcasting System SBS 6 B.V. (hierna: SBS), een in Nederland gevestigde omroeporganisatie die het televisieprogramma SBS6 verzorgt, verzocht haar in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen.

Verweerder heeft op 27 april 1999 afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft ten aanzien van een aantal stukken de rechtbank verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de Awb.

Na daartoe door de rechtbank te zijn opgeroepen zijn eiseressen, verweerder en SBS op 20 januari 2000 verschenen ter comparitie teneinde inlichtingen te verstrekken in verband met de verzoeken om toepassing van de artikelen 8:26 en 8:29 van de Awb.

Nadat partijen en SBS daarover overeenstemming hadden bereikt heeft de rechtbank bij brief van 17 april 2000 aan partijen medegedeeld dat met analoge toepassing van artikel 8:29 van de Awb "aan verweerder en SBS thans uitsluitend die door eiseressen in geding gebrachte stukken zullen worden gestuurd ten aanzien waarvan eiseressen geen artikel 8:29 Awb-verzoek hebben gedaan".

Bij beslissing van eveneens 17 april 2000 heeft de rechtbank SBS in de gelegenheid gesteld als partij deel te nemen aan het geding.

Eiseressen en verweerder hebben bij brieven van 13 juni 2000 ieder nog een stuk in het geding gebracht.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank op 15 juni 2000, waar eiseressen zijn verschenen bij gemachtigde mr. Dommering, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G.H.L. Weesing, advocaat te Amsterdam. SBS is zonder kennisgeving niet verschenen. Voorts waren ter zitting aanwezig: M. Fortems, werkzaam bij HMG; G. Lommel, werkzaam bij CLT, alsmede mr. M.P.H. Betzel, juridisch medewerker bij verweerder.

III MOTIVERING

Feiten

Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

In 1989 is CLT, beschikkende over een Luxemburgse concessie, begonnen met het uitzenden van een televisieprogramma op de Nederlandse markt onder de naam RTL-Veronique. Verweerder heeft in 1989 beslist dat het programma RTL-Veronique een van een buitenlandse omroepinstelling, en wel van CLT, afkomstig programma is. Voormeld besluit van verweerder is bevestigd door de (toenmalige) Afdeling rechtspraak van de Raad van State (ARRS) bij uitspraak van 5 september 1990 (AB 1991/372).

In 1990 is de programmanaam RTL-Veronique gewijzigd in RTL4. Vervolgens heeft CLT een tweede op Nederland gericht programma geïntroduceerd, te weten RTL5. In 1995 is CLT binnen haar dochteronderneming, RTL4 S.A., een samenwerking aangegaan met Veronica, hetgeen heeft geresulteerd in de oprichting van HMG. HMG is gevestigd te Luxemburg en houdt mede kantoor te Hilversum.

Voor de programma's RTL4 en RTL5 zijn laatstelijk op 26 april 1995 aan CLT door de Luxemburgse autoriteiten concessies verleend, geldig tot 31 december 2010.

Bij brief van 26 november 1996 heeft verweerder RTL4 S.A. medegedeeld naar aanleiding van een uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 10 september 1996 in de zaak van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (C-222/94) en een voorstel tot wijziging van de Europese omroeprichtlijn, de mogelijkheden te onderzoeken om RTL4 en RTL5 onder Nederlands toezicht te brengen en RTL4 S.A. om een reactie gevraagd.

Naar aanleiding hiervan heeft op 6 februari 1997 een bijeenkomst plaatsgevonden van verweerder met vertegenwoordigers van HMG en RTL4 S.A.

Bij brief van 6 november 1997 heeft SBS verweerder onder verwijzing naar de gewijzigde Europese omroeprichtlijn verzocht haar mede te delen welke commerciële omroepen in zijn beleving onder zijn toezicht vallen.

Nadat eiseressen tegen verweerders primaire besluit bezwaar hadden gemaakt, heeft verweerder SBS bij brief van 23 januari 1998 medegedeeld haar in de bezwaarschriftenprocedure aan te merken als belanghebbende.

SBS is door verweerder op 10 februari 1998 in een besloten hoorzitting separaat van verzoeksters gehoord. HMG en CLT zijn op 13 februari 1998 gehoord, eveneens in een besloten hoorzitting.

Het primaire besluit.

In het primaire besluit, waarvan de inhoud hiervoor kort is weergegeven, heeft verweerder overwogen dat onderzoek van de feitelijke situatie met betrekking tot de programma's RTL4 en RTL5 en toetsing van die situatie aan de criteria van artikel 1 en 2, tweede en derde lid, van de in 1997 gewijzigde Europese omroeprichtlijn uitwijst dat HMG dient te worden aangemerkt als de omroeporganisatie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, en dat HMG de in artikel 2, derde lid, van deze richtlijn bedoelde programmeringsbesluiten in Hilversum neemt. Van dit onderzoek en deze toetsing is verslag gedaan in het ongedateerde stuk van verweerder "RTL4 en RTL5 onder Nederlands toezicht. Een inventarisatie".

Indien en voor zover ervan moet worden uitgegaan dat HMG haar hoofdkantoor in Nederland heeft, wordt HMG op grond van het bepaalde in artikel 2, derde lid, onder a, van de richtlijn geacht in Nederland gevestigd te zijn, waaruit volgt dat HMG onder de bevoegdheid van Nederland en derhalve onder het toezicht van verweerder valt. Ook indien HMG haar hoofdkantoor in Luxemburg heeft, moet naar het oordeel van verweerder HMG op grond van het bepaalde in artikel 2, derde lid, onder b, van de richtlijn worden geacht gevestigd te zijn in Nederland, aangezien het overgrote deel van het personeel dat bij de televisie-omroepactiviteiten van RTL4 en RTL5 betrokken is, in Nederland werkzaam is.

Verweerder heeft verder vastgesteld dat HMG als commerciële omroepinstelling in de zin van de Mediawet (hierna ook: Mw) niet beschikt over de ingevolge artikel 71a van deze wet vereiste toestemming voor het verzorgen van de commerciële omroepprogramma's RTL4 en RTL5 en het kabelexploitanten ingevolge artikel 82h van de Mw niet is toegestaan deze programma's uit te zenden. Vanwege het ontbreken van een wettelijke overgangsregeling heeft verweerder besloten de verzorging door HMG van deze programma's en de uitzendingen daarvan voorlopig te gedogen, mits HMG vóór 6 januari 1998 de in artikel 71a van de Mw bedoelde toestemming aanvraagt en - voor zover de televisieprogramma's RTL4 en RTL5 (inhoudelijk) nog niet voldoen aan de bij of krachtens de Mediawet gestelde eisen - deze zo snel mogelijk, doch uiterlijk voor 1 maart 1998, daaraan aanpast.

Het bestreden besluit.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd onder gewijzigde vaststelling van de afloop van de gedoogtermijnen op 1 mei respectievelijk 1 september 1998.

Verweerder heeft daarbij het volgende overwogen.

Het bezwaar van eiseressen dat zij ten onrechte niet vóór het primaire besluit zijn gehoord is misplaatst. Het was niet nodig CLT in die fase te horen omdat CLT haar belangen bij de programma's RTL4 en RTL5 via haar dochtervennootschap RTL4 S.A. heeft ondergebracht bij (het Comité van Aandeelhouders van) HMG. CLT is bovendien via RTL4 S.A. in de gelegenheid gesteld zich te doen horen. Zowel HMG als RTL4 S.A. waren immers op de bijeenkomst op 6 februari 1997 vertegenwoordigd. Voor zover er niettemin nog van een gebrek in de besluitvoorbereiding sprake zou zijn, dan is dat geheeld doordat eiseressen in de bezwaarprocedure in de gelegenheid zijn gesteld om zich uit te laten over de aan het primaire besluit ten grondslag gelegde feiten en het verslag van het door verweerder daarnaar verrichte onderzoek.

Eiseressen houden volgens verweerder voorts ten onrechte vast aan de uitspraak van de ARRS van 5 september 1990, omdat het daarin slechts ging om de vraag of Nederlandse kabelexploitanten het programma van RTL/V mochten doorgeven, terwijl het thans in het licht van recente rechtspraak van het Hof EG en de gewijzigde omroeprichtlijn gaat om de vraag welke lidstaat over de programma's RTL4 en RTL5 het toezicht moet uitoefenen. Voorts was ten tijde van deze uitspraak van de ARRS nog geen sprake van de samenwerking in HMG met Veronica en de onderbrenging van CLT's belangen bij RTL4 en RTL5 in HMG.

Evenmin slaagt het bezwaar van eiseressen, dat de richtlijn tot wijziging van de oorspronkelijke omroeprichtlijn nog niet in de Mediawet is geïmplementeerd. Met de inwerkingtreding op 1 september 1997 van de wet tot wijziging van de Mediawet is de implementatie van de richtlijn in haar gewijzigde vorm door middel van dynamische verwijzing voltooid. Het middel van dynamische verwijzing is een toelaatbare wijze van implementatie. Dit bezwaar kan eiseressen, ook als het juist zou zijn, overigens niet baten, omdat toetsing van de feitelijke situatie aan de oorspronkelijke richtlijn, gegeven de uitleg als vervat in meerbedoelde jurisprudentie van het Hof, tot geen ander resultaat zou leiden.

Ook het betoog van eiseressen dat met 'redactionele verantwoordelijkheid' in artikel 1 van de gewijzigde richtlijn 'uiteindelijke verantwoordelijkheid' is bedoeld, slaagt niet. Het vindt geen steun in de totstandkomingsgeschiedenis van de wijzigingsrichtlijn. Daarbij is overigens ook van belang dat CLT geen doorslaggevende stem heeft als het gaat om de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de programma's van RTL4 en RTL5. CLT heeft indirect, te weten via dochtervennootschappen, een belang van niet meer dan circa 40% in HMG. Volgens de door eiseressen overgelegde bepalingen van de merger agreement, de overeenkomst inzake de oprichting van HMG, ligt de door CLT bedoelde bestuurlijke of uiteindelijke verantwoordelijkheid bij het comité van aandeelhouders van HMG en niet bij CLT.

Verweerder bestrijdt verder de lezing van eiseressen als zou het begrip 'programmeringsbesluiten' in artikel 2, derde lid, van de gewijzigde richtlijn samenvallen met evengenoemde 'redactionele verantwoordelijkheid'. Volgens verweerder gaat het om de beslissingen aangaande de redactionele verantwoordelijkheid voor de samenstelling van de schema's van de programma's RTL4 en RTL5. Waar dergelijke beslissingen worden genomen is eerder sprake van het daadwerkelijk uitoefenen van een economische activiteit door middel van een duurzame vestiging voor onbepaalde tijd, zoals voor de toepassing van het algemene vestigingsbegrip moet worden bepaald, dan waar de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid wordt gedragen.

Ten slotte volgt verweerder eiseressen ook niet in hun betoog dat primair bij CLT en subsidiair bij HMG een aanzienlijk deel van het in artikel 2, derde lid, van de gewijzigde richtlijn bedoelde personeel werkzaam is. Op grond van zowel de bij zijn onderzoek achterhaalde gegevens als de door eiseressen verstrekte gegevens houdt verweerder het erop dat het merendeel van het relevante personeel bij HMG in Hilversum werkzaam is.

De gronden van het beroep

Eiseressen hebben aan het beroep het volgende ten grondslag gelegd.

Artikel 4:8 van de Awb is wel degelijk geschonden doordat verweerder heeft nagelaten eiseressen uit te nodigen voor een hoorzitting voorafgaande aan het primaire besluit van 20 november 1997. Dit gebrek kan niet kan worden geheeld in de bezwaarfase omdat dan ten onrechte de besluitvormingsfase waarop artikel 4:8 van de Awb ziet zou worden overgeslagen.

Verweerder heeft tot nu toe aanvaard dat - zoals ook de ARRS in 1990 juist heeft geoordeeld - CLT de omroeporganisatie is die de programaa's RTL4 en RTL5 verzorgt en dus onder Luxemburgs toezicht valt. Het is in strijd met de rechtszekerheid hiermee te breken. Met het bestreden besluit roept verweerder bovendien naast de bestaande Luxemburgse, een Nederlandse en dus een dubbele rechtsmacht in het leven; daarmee frustreert verweerder de bedoeling van de richtlijn: onbelemmerde doorgifte van grensoverschrijdende uitzendingen. CLT draagt onverminderd de redactionele verantwoordelijkheid voor het programmeringsbeleid en de schema's van programma's, als in de richtlijn bedoeld. Zij draagt immers de eindverantwoordelijkheid voor de redactionele beslissingen, hetgeen ook de ARRS destijds doorslaggevend achtte. CLT is dan ook nog steeds aan te merken, zoals de Luxemburgse autoriteiten ook doen, als de verantwoordelijke omroeporganisatie. De slechts verduidelijking beogende wijziging van de richtlijn brengt daarin geen verandering.

De samenwerking met Veronica heeft evenmin geleid tot wijziging van deze verantwoordelijkheidsstructuur, zoals reeds blijkt uit de Luxemburgse, aan CLT verleende, concessies en de overgelegde bepalingen van de merger agreement, de overeenkomst waarmee HMG in het leven is geroepen. CLT heeft haar belangen bij RTL4 en RTL5, anders dan verweerder heeft overwogen, niet ondergebracht in HMG. HMG is, sinds het samenwerkingsverband met Veronica, de nieuwe naam van RTL4 S.A.

Ook het personeelscriterium wijst naar CLT te Luxemburg. Het gaat daarbij niet om het personeel dat betrokken is bij het zelf maken van programma's maar om de betrokkenheid bij het vaststellen van het format en de doelgroep en het zorgen voor de uitzending van die programma's.

De door verweerder als methode van implementatie van de wijzigingsrichtlijn genoemde dynamische verwijzing voldoet niet aan de eisen van rechtszekerheid. In de tekst van artikel 1, aanhef en onder ll, en artikel 4 van de gewijzigde Mediawet, alsmede in hun totstandkomingsgeschiedenis, ontbreekt een verwijzing naar de wijziging van de richtlijn. Verweerder kan dan ook niet de gewijzigde tekst van de richtlijn aan eiseressen tegenwerpen.

Ten slotte heeft verweerder volgens eiseressen met zijn besluit miskend, dat verkregen rechtsposities, zoals die van CLT, dienen te worden gerespecteerd en dat bij eventuele wijziging daarin een ruime overgangsperiode in acht dient te worden genomen.

Het verweer

Verweerder heeft aan het gestelde in het bestreden besluit, kort samengevat, toegevoegd dat het de bedoeling is van de Europese regelgeving om, los van ingewikkelde concernverhoudingen en besluitvormingsregels, aan de hand van praktische criteria te doen blijken waar zich het centrum van de activiteiten van de betrokken omroeporganisatie bevindt. Het terzake ingenomen standpunt van verweerder schept geen dubbele rechtsmacht en onderwerpt HMG niet aan dubbel toezicht. Vaststelling dat Nederland de bevoegde lidstaat is die erop toe heeft te zien dat met de programma's RTL4 en RTL5 wordt voldaan aan de terzake geldende regels brengt mee dat Luxemburg naar verweerders oordeel geen rechtsmacht toekomt. De Luxemburgse autoriteiten hebben overigens geen bezwaar aangetekend bij het door de richtlijn in het leven geroepen consultatie-orgaan, zijnde het Contact Comité.

Overwegingen

De rechtbank behandelt eerst het standpunt van eiseressen dat verweerder bij de totstandbrenging van het primaire besluit artikel 4:8 van de Awb heeft geschonden en dat om die reden niet alleen het bestreden besluit maar ook het primaire besluit niet in stand kan blijven.

In artikel 4:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, het die belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

b. die gegevens niet door belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

De rechtbank stelt vast dat verweerder terecht niet heeft bestreden dat het primaire besluit een besluit is waarop deze bepaling van toepassing is. Eiseressen hebben dit besluit immers niet aangevraagd, terwijl zij daarbij wel belanghebbende zijn en verweerder kon verwachten dat zij tegen dat besluit bedenkingen zou hebben, nu het besluit ertoe strekt ten aanzien van de televisieprogramma's RTL4 en RTL5, voor de uitzending waarvan CLT over een Luxemburgse concessie beschikt, HMG in plaats van CLT als omroeporganisatie aan te wijzen en te bepalen dat HMG terzake onder Nederlandse jurisdictie en dus onder toezicht van verweerder valt. Tevens is voldaan aan de in artikel 4:8 onder a en b genoemde voorwaarden.

Met zijn brief van 26 november 1996 evenmin als met de daarop gevolgde bijeenkomst op 6 februari 1997 is aan het hier besproken voorschrift voldaan. In deze periode was verweerder immers nog slechts voornemens te gaan onderzoeken of de voor de uitzending in Nederland van de programma's RTL4 en RTL5 verantwoordelijke organisatie onder Nederlandse mediarechtelijke rechtsmacht viel, terwijl artikel 4:8 ziet op de fase waarin het bestuursorgaan zijn primaire besluitvorming in beginsel heeft afgerond en voornemens is een voor belanghebbende belastende beslissing te nemen.

Ook nadien heeft verweerder eiseressen niet vóór de bekendmaking van zijn primaire beslissing in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. Van een situatie als bedoeld in artikel 4:11 is - verweerder heeft het tegendeel ook niet betoogd - geen sprake. Het voorschrift van artikel 4:8 is dus geschonden.

Anders dan eiseressen hebben betoogd brengt het enkele feit dat artikel 4:8 niet is nageleefd evenwel niet mee dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Dit manco in de aan het primaire besluit voorafgaande besluitvormingsfase leent zich immers in beginsel voor herstel in de bezwaarfase. Eiseressen hebben de rechtbank niet ervan kunnen overtuigen dat en waarom deze herstelmogelijkheid in het onderhavige geval niet heeft opengelegen. Met name is niet gebleken waarom eiseressen de bezwaarfase niet zouden hebben kunnen benutten om middels overlegging van nog andere bewijsstukken dan door hen aan hun bezwaarschrift gehecht en mondelinge toelichting ter hoorzitting datgene onder de aandacht van verweerder te brengen dat zij - indien daartoe in de gelegenheid gesteld - als of ter ondersteuning van hun zienswijze naar voren hadden willen brengen.

Eiseressen hebben in dit verband betoogd dat zij ervoor beducht waren geworden verweerder van meer stukken te voorzien omdat verweerder - anders dan door eiseressen in hun bezwaarschrift verzocht - niet alle bij dat bezwaarschrift overgelegde documenten als vertrouwelijk (en dus - onder toepassing van artikel 7:4, zesde lid, van de Awb - niet aan derden ter inzage te leggen) heeft willen aanmerken.

Dit betoog gaat evenwel niet op. Verweerder heeft met betrekking tot bedoelde documenten correct gehandeld, door eiseressen bij brief van 30 januari 1998 te berichten een deel van die stukken wegens het zijns inziens ontbreken van gewichtige redenen voor geheimhouding niet als vertrouwelijk aan te merken en dat deel van de stukken voor (door verweerder als belanghebbende in de bezwaarfase betrokken) SBS op 5 februari 1998 ter inzage te zullen leggen, tenzij eiseressen voordien op dit punt de president van deze rechtbank om een voorlopige voorziening zouden hebben verzocht. Dat een dergelijke procedure voor eiseressen, zoals zij ter zitting nog hebben verklaard, om redenen van publicitaire aard geen optie was, komt voor hun rekening en brengt niet mee dat verweerders handelwijze in deze ondeugdelijk was. In deze handelwijze hebben eiseressen dan ook geen goede grond voor de door hen bedoelde beduchtheid kunnen vinden.

Dit alles voert op dit punt tot de slotsom dat aan de schending van evengenoemde bepaling op de voet van artikel 6:22 van de Awb wordt voorbijgegaan.

Voor de beoordeling van het beroep ten gronde zijn nader te noemen bepalingen van de Mediawet (zoals gewijzigd bij de op 1 september 1997 in werking getreden wet van 5 juli 1997) en de Europese omroeprichtlijn van belang.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Mw vallen in ieder geval onder de bevoegdheid van Nederland, als bedoeld in artikel 1, onderdelen hh en ii, natuurlijke en rechtspersonen die een televisieprogramma verzorgen en krachtens de Europese richtlijn onder de bevoegdheid van Nederland vallen.

In artikel 1, aanhef en onder hh, van de Mw is bepaald dat onder commerciële omroepinstelling wordt verstaan: een natuurlijke of rechtspersoon die een omroepprogramma verzorgt voor uitzending door middel van een of meer zenders of draadomroepinrichtingen in Nederland en voor de toepassing van deze wet onder de bevoegdheid van Nederland valt, met uitzondering van de instellingen die zendtijd hebben verkregen.

In artikel 1, aanhef en onder ll, van de Mw is bepaald dat onder Europese richtlijn wordt verstaan: richtlijn nr. 89/552/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PbEG L 298).

De Europese omroeprichtlijn 89/552/EEG is gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG, welke wijziging op 30 juli 1997 in werking is getreden. In haar aldus gewijzigde vorm zal de richtlijn hierna worden aangeduid als: de richtlijn. Bij verwijzing naar de oorspronkelijke tekst van de richtlijn wordt zij aangeduid als: richtlijn 89/552/EEG.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de wijziging van de richtlijn 89/552/EEG correct is gemplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving en met name in de op 1 september 1997 van kracht geworden gewijzigde Mediawet.

Naar het oordeel van de rechtbank kan deze vraag in het midden blijven. Ook indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat dit niet het geval is en de richtlijn dus niet in haar gewijzigde vorm aan eiseressen kan worden voorgehouden, geldt immers het volgende.

In dat geval is de ongewijzigde richtlijn 89/552/EEG van toepassing. Artikel 2 daarvan luidt, voor zover hier van belang, dat elke lidstaat erop toeziet dat alle televisie-uitzendingen van televisie-omroeporganisaties die onder zijn bevoegdheid vallen voldoen aan de wettelijke voorschriften voor uitzendingen die bestemd zijn voor het publiek in die lidstaat. Ten aanzien van de vraag welke omroeporganisaties onder de bevoegdheid van enige lidstaat vallen bevat de richtlijn 89/552/EEG geen nadere bepalingen. Het Europese Hof van Justitie heeft bij arrest van 10 september 1996 inzake de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland (zaak C-222/94) overwogen dat voor de bevoegdheidsbepaling het vestigingscriterium dient te worden toegepast en dat problemen bij het vaststellen van de plaats waar de omroeporganisatie gevestigd is een oplossing kunnen vinden door dit criterium uit te leggen als de plaats waar de omroeporganisatie het centrum van zijn activiteiten heeft, met name de plaats waar de beslissingen betreffende het programmeringsbeleid en de definitieve samenstelling van de uit te zenden programma's worden genomen. De rechtbank stelt vast dat in dit arrest reeds de criteria zijn genoemd welke bij de wijziging van de richtlijn daarin zijn opgenomen. Het verschil met de richtlijn is dat het onderhavige arrest geen hiërarchie ten aanzien van de te onderscheiden criteria bevat. Het staat verweerder evenwel vrij om bij toepassing van richtlijn 89/552/EEG (in de ongewijzigde vorm) voor de vraag hoe de verschillende in het arrest genoemde criteria zich tot elkaar verhouden, aansluiting zoeken bij het gestelde in de richtlijn.

Voor de beoordeling van de door verweerder in het bestreden besluit verrichte toetsing is de beantwoording van de partijen verdeeld houdende vraag naar de implementatie van de wijzigingsrichtlijn dus niet van belang.

Artikel 1, aanhef en onder b, van de richtlijn luidt:

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

b) omroeporganisatie: de natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de samenstelling van schema's van televisieprogramma's in de zin van letter a en die deze programma's uitzendt of laat uitzenden door derden.

Artikel 2 van de richtlijn luidt voor zover van belang:

1. Elke lidstaat ziet erop toe dat alle televisie-uitzendingen van omroeporganisaties die onder zijn bevoegdheid vallen, voldoen aan de regels van het recht dat op voor het publiek in die lidstaat bestemde uitzendingen van toepassing is.

2. Voor de toepassing van deze richtlijn worden onder omroeporganisaties die onder de bevoegdheid van een lidstaat vallen, verstaan:

- die welke overeenkomstig lid 3 in die staat gevestigd zijn;

- die waarop lid 4 van toepassing is.

3. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt

a) een omroeporganisatie geacht gevestigd te zijn in een lidstaat, wanneer de omroeporganisatie haar hoofdkantoor in die lidstaat heeft en de programmeringsbesluiten in die lidstaat worden genomen;

b) indien een omroeporganisatie haar hoofdkantoor in een lidstaat heeft maar de programmeringsbesluiten in een andere lidstaat worden genomen, die omroeporganisatie geacht gevestigd te zijn in de lidstaat waar een aanzienlijk deel van het bij de televisieomroepactiviteiten betrokken personeel werkzaam is;

De rechtbank stelt vast dat de omschrijvingen van de begrippen 'commerciële omroepinstelling' in artikel 1, aanhef en onder hh, van de Mw en 'omroeporganisatie' in artikel 1, aanhef en onder b, van de richtlijn niet gelijkluidend zijn. De rechtbank leest voormelde bepalingen zo dat in verband met het gestelde in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Mw de richtlijn van toepassing is voor zover sprake is van een omroeporganisatie als bedoeld in de richtlijn, welke organisatie tevens een commerciële omroepinstelling is als bedoeld in de Mw.

Verweerders besluit dat HMG ten aanzien van de programma's RTL4 en RTL5 is aan te merken als de (commerciële) omroeporganisatie als hiervoor bedoeld en onder Nederlands toezicht valt is wat de feitelijke omstandigheden betreft gebaseerd op de resultaten van het door verweerder gepleegde onderzoek leidend tot het rapport "RTL4 en RTL5 onder Nederlands toezicht. Een inventarisatie".

Ingevolge artikel 3:2 van de Awb dient een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. Voornoemd onderzoek strekte daartoe. Aangezien de Mediawet of enige andere wet verweerder ten aanzien van het vergaren van informatie geen bijzondere bevoegdheden verschaft noch derden (zoals de organisaties waarop het onderzoek zich richt) de verplichting oplegt informatie te verstrekken, en eiseressen eigener beweging of reagerend op verzoeken van verweerder geen verdere informatie hebben verstrekt dan zij bij de bespreking op 6 februari 1997 hadden gedaan, was verweerder aangewezen op openbare bronnen als perspublicaties, jaarverslagen en uittreksels uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel.

Waar verweerder de resultaten van het onderzoek ten grondslag heeft gelegd aan een ambtshalve genomen, voor eiseresssen belastend besluit, moeten aan dat onderzoek, zowel naar de wijze van uitvoering als naar de mate waarin de eraan verbonden conclusies door de inhoud ervan worden gedragen, hoge eisen worden gesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het onderzoek aan deze eisen.

Verweerder heeft in zijn rapport vastgesteld dat ten aanzien van RTL4 en RTL5 de functies van eindredacteur, hoofdredacteur, programmadirecteur en algemeen programmadirecteur bij HMG in Hilversum worden uitgeoefend. Voorts vermeldt het rapport over de onderlinge aandelenverhoudingen dat CLT (middels haar belang van 60% in RTL4 S.A., welke vennootschap via een dochtervennootschap houdster is van 65% van de aandelen in HMG) een belang heeft van 40% in HMG en dat het belang van Veronica in HMG 35% beloopt.

In het rapport komt verweerder tot de conclusie dat HMG de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de samenstelling van de schema's van de televisieprogramma's van RTL4 en RTL5 in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van de richtlijn. Deze conclusie wordt in de eerste plaats gedragen door de bevinding dat de typisch voor deze redactionele verantwoordelijkheid relevante functies als eind- en hoofdredacteur en (algemeen) programmadirecteur in HMG zijn ondergebracht. Voorts wordt gesteld dat de samenwerking met Veronica nu juist in HMG gestalte heeft gekregen en het dus aannnemelijk is dat HMG verantwoordelijk is voor de onderlinge afstemming van de programmering van RTL4 en RTL5 enerzijds en Veronica anderzijds. Uit de verzamelde perspublicaties blijkt dat HMG door alle betrokkenen als de voor RTL4 en RTL5 verantwoordelijke omroeporganisatie wordt beschouwd. Ten slotte wordt gesteld dat de verdeling van aandelen in HMG tussen CLT en Veronica (40 tegenover 35 %) niet aannemelijk maakt dat CLT bij uitsluiting de redactionele verantwoordelijkheid voor de programma's van RTL4 en RTL5 zou dragen.

Verder wordt uit het gegeven dat voornoemde voor de redactionele programmaverantwoordelijkheid relevant geachte functies feitelijk in Hilversum worden uitgeoefend afgeleid dat de programmeringsbesluiten, als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de richtlijn, in Hilversum worden genomen.

Ten slotte heeft verweerder, voor het geval dat HMG niet geacht kan worden haar hoofdkantoor in Nederland te hebben, onder inachtneming van artikel 2, derde lid, onder b, van de richtlijn vastgesteld dat een aanzienlijk deel van het bij de televisieomroepactiviteiten betrokken personeel in Hilversum werkzaam is en dat daarom HMG geacht moet worden in Nederland gevestigd te zijn, zodat aan Nederland rechtsmacht toekomt. Verweerder heeft deze vaststelling gebaseerd op de verklaring van vertegenwoordigers van eiseressen bij de bijeenkomst op 6 februari 1997 dat in Nederland 300 tot 400 personen en in Luxemburg ongeveer 60 personen, overwegend technici, werkzaam zijn en op het onderzoeksgegeven dat bij HMG in Hilversum 549 personen werken. Op grond daarvan heeft verweerder geconcludeerd dat een aanzienlijk deel van het bij de televisieomroepactiviteiten betrokken personeel bij HMG in Nederland werkzaam is.

Naar het oordeel van de rechtbank worden deze conclusies in beginsel door het rapport gedragen en zijn zij daarmee aannemelijk gemaakt.

Hetgeen eiseressen daartegenover hebben gesteld en aan bewijsstukken hebben overgelegd doet aan deze aannemelijkheid niet af.

In dit verband overweegt de rechtbank het volgende.

Eiseressen hebben vooreerst gesteld in de bezwaarfase nog te hebben aangeboden verweerder nog andere dan door hen reeds overgelegde stukken ter inzage te geven en wel, gezien de vertrouwelijkheid, op het hoofdkantoor van CLT te Luxemburg. Verweerder is volgens eiseressen ten onrechte, maar naar het oordeel van de rechtbank terecht niet op dit aanbod ingegaan. Eiseressen hadden immers bij dit aanbod duidelijk gemaakt dat het niet de bedoeling was dat deze stukken het kantoor van CLT zouden verlaten. Een aldus geclausuleerde wijze van kennisneming van stukken verdraagt zich niet met de door verweerder in acht te nemen procedurele beginselen en zou voorts toepassing van het bepaalde in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb onmogelijk maken.

Eiseressen hebben voorts, met een verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Awb, in beroep stukken ingebracht, die niet in de bezwaarfase zijn overgelegd. Eiseressen stellen dat (ook) uit deze stukken blijkt dat de conclusie van verweerder dat HMG onder Nederlands toezicht valt onjuist is.

De rechtbank gaat aan deze stukken voorbij. Eiseressen hebben niet duidelijk gemaakt dat en waarom zij niet in staat waren of anderszins niet van hen kon worden gevergd deze stukken, zoals op hun weg had gelegen, in de bezwaarfase over te leggen, zodat verweerder daarmee bij het nemen van het bestreden besluit en de rechtbank bij de (ex tunc-)beoordeling van dat besluit rekening hadden kunnen houden. Voor zover aan de zijde van eiseressen een rol heeft gespeeld de vrees dat verweerder deze stukken, ondanks een verzoek om geheimhouding, ter inzage voor derden zou leggen, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor, onder 1.6, heeft overwogen.

Anders dan eiseressen ten gronde hebben aangevoerd, was er eind 1996 sprake van zodanige wijzigingen in vergelijking met de situatie die voorlag toen de ARRS haar uitspraak van 5 september 1990 deed dat een mediarechtelijke toetsing van de huidige feitelijke situatie genoegzaam was gerechtvaardigd.

De ARRS was destijds alleen aan de hand van de toenmalige Nederlandse mediawetgeving en zonder de Europese omroeprichtlijn in haar beschouwingen te betrekken tot haar oordeel gekomen. Het Europese Hof van Justitie had in zijn meergenoemd arrest van 10 september 1996 bepaald dat de voor een omroeporganisatie verantwoordelijke lidstaat moest worden bepaald aan de hand van het vestigingscriterium en had voorts criteria ter oplossing van hierbij opkomende problemen gegeven. Deze criteria hadden in de wijzigingsrichtlijn nadere uitwerking gekregen.

Bovendien was CLT in 1995 met Veronica in HMG een samenwerkingsverband aangegaan. Ook deze ontwikkeling leidde tot een andere situatie dan waarover de ARRS in 1990 had geoordeeld.

Eiseressen kunnen dus niet volstaan met het betoog dat er geen aanleiding was de positie van CLT te herbeoordelen, althans anders te beoordelen dan de ARRS in 1990 had gedaan. Evenmin is het door eiseressen ingeroepen beginsel van rechtszekerheid voldoende om hen tot in lengte van dagen te vrijwaren voor een onder gewijzigde (uitleg van) regelgeving en omstandigheden bereikt ander oordeel dan indertijd door verweerder en de ARRS gegeven. Op de door verweerder in acht genomen overgangstermijn wordt hierna, onder 10, teruggekomen.

Eiseressen hebben verder betoogd dat de samenwerking met Veronica in HMG geen wijziging heeft gebracht in de programmatische eindverantwoordelijkheid van CLT voor de programmering van RTL4 en RTL5 en deze vennootschap dus nog steeds de omroeporganisatie is als bedoeld in artikel 1 van de richtlijn en ook nog steeds de in artikel 2, derde lid, van de richtlijn bedoelde programmeringsbesluiten neemt. Eiseressen hebben hierbij onder meer verwezen naar de door hen overgelegde gedeelten van de overeenkomst nopens de oprichting van HMG (merger agreement).

Ook dit betoog treft geen doel.

Wat eiseressen nu ook precies met 'programmatische eindverantwoordelijkheid' op het oog hebben, in elk geval houdt zij niet zonder meer in de redactionele verantwoordelijkheid die volgens de richtlijn bepalend is voor de aanwijzing van de verantwoordelijke omroeporganisatie en laat zij voorts onverlet dat een andere organisatie dan de 'eindverantwoordelijke' met de programmeringsbesluiten is belast. Zonder nadere documentatie over de feitelijke gang van zaken - waarvan eiseressen verweerder niet (tijdig) hebben voorzien - is dit enkele betoog van eiseressen niet voldoende om een einde te maken aan de aannemelijkheid van de conclusie van verweerder dat de redactionele verantwoordelijkheid voor de samenstelling van schema's van de programma's in direct verband staat met de uitoefening van functies als de eind- en hoofdredacteur en (algemeen) programmadirecteur.

Daarbij komt dat uit de overgelegde bepalingen van de merger agreement niet meer kan worden afgeleid dan dat het bestuur van HMG bevoegd is voorstellen te doen tot substantiële wijziging van profiel, positionering of identiteit van RTL4, RTL5 en Veronica en dat een dergelijk voorstel de instemming behoeft van het comité van aandeelhouders van HMG. Deze bevoegdheden betreffen dus bevoegdheden van (organen van) HMG. CLT deelt niet als zodanig, maar als (indirect) aandeelhoudster van HMG in deze bevoegdheden. Deze regeling maakt CLT dan ook niet tot verantwoordelijke uit eigen hoofde ten aanzien van RTL4 en RTL5. Voorts neemt CLT voor 40% deel in het kapitaal van HMG, terwijl Veronica houdster is van 35% van de HMG-aandelen, zodat ook uit dien hoofde er geen sprake is van een exclusieve bevoegdheid van CLT. Het kan en mag zo zijn, dat CLT haar in het comité van aandeelhouders in te nemen standpunt binnen eigen gelederen voorbereidt, maar er is geen aanknopingspunt geboden voor het oordeel dat dit standpunt ook bepalend is voor de uitkomst van het overleg in dit aandeelhouderscomité van HMG.

Hierbij is niet beslissend - partijen zijn daarover verdeeld en de rechtbank kan op basis van de voorhanden stukken de vraag niet beantwoorden - of RTL4 S.A. na het aangaan van het samenwerkingsverband met Veronica haar naam heeft gewijzigd in HMG dan wel eerstgenoemde naast HMG is blijven bestaan.

Eiseressen hebben zich voorts ter onderbouwing van hun in 6.4 weergegeven standpunt beroepen op de geldende Luxemburgse concessies voor RTL4 en RTL5 en de bijbehorende 'Cahiers des Charges' alsmede op de correspondentie tussen de Luxemburgse Eerste Minister en Nederlandse voor de media verantwoordelijke Staatssecretaris en het door de Luxemburgse evenknie van verweerder, de Commission indépendente de la radiodiffusion (CIR), uigebrachte rapport. Volgens eiseressen leidt het bestreden besluit tot dubbele rechtsmacht en dubbel toezicht en is dat onbestaanbaar en onaanvaardbaar.

Uit de overgelegde, uit begin 1998 daterende, correspondentie blijkt dat beide bewindslieden zich stellen achter de door de respectieve, onder hen ressorterende, voor de media verantwoordelijke bestuursorganen ingenomen standpunten, erop neerkomende dat de voor de programma's RTL4 en RTL5 verantwoordelijke omroeporganisatie te Hilversum respectievelijk te Luxemburg is gevestigd en dat dus aan Nederland respectievelijk Luxemburg de rechtsmacht toekomt op deze organisatie toezicht te houden. De Luxemburgse Eerste Minister baseert zich hierbij op een rapport dat, nadat hij over het primaire besluit van verweerder was ingelicht, op zijn verzoek door de CIR is uitgebracht.

De rechtbank onderkent dat ongegrondverklaring van het beroep niet meebrengt dat een einde komt aan de rechtsgeldigheid van de aan hen verleende Luxemburgse concessies en dus leidt tot de onderwerping van de voor de uitzending van RTL4 en RTL5 verantwoordelijk gehouden organisatie aan toezicht van zowel Luxemburg als Nederland, op grond van door beide landen geclaimde rechtsmacht.

Deze omstandigheid brengt, anders dan eiseressen op dit punt beogen, niet de onhoudbaarheid van het bestreden besluit mee. Gelet op de aan hem in de Mediawet toegekende bevoegdheid, heeft verweerder zich terecht ertoe beperkt te onderzoeken of, en uiteindelijk te beslissen dat hij bevoegd is toezicht ten aanzien van programma's van RTL4 en RTL5 uit te oefenen. Aan het hiervoor gesignaleerde probleem van dubbel toezicht zullen eiseressen het hoofd kunnen bieden door bij ongegrondverklaring van het beroep en aanvaarding dan wel bekrachtiging in hoger beroep van die beslissing de Luxemburgse autoriteiten te verzoeken om beëindiging van hun toezicht en intrekking van de concessies en bij eventuele weigering dat oordeel voor te leggen aan de terzake bevoegde Luxemburgse rechter en zo nodig aan het Europese Hof van Justitie.

Eiseressen hebben zich ook nog beroepen op de uitspraak van de Franse Conseil d'Etat van 25 november 1998. In deze uitspraak heeft de Conseil d'Etat, kort samengevat, geoordeeld dat het op Frankrijk gerichte programma RTL9, dat deels wordt voorzien door een Franse productiemaatschappij, wordt uitgezonden door een in Luxemburg gevestigde vennootschap en tot de competentie van de Luxemburgse autoriteiten behoort. Het beroep op deze uitspraak kan niet tot een andere uitkomst van het onderhavige geding leiden, reeds vanwege de verschillen in de beoordeelde feitelijke situatie. De rechtbank wijst daarbij met name op de vaststelling door de Conseil d'Etat dat besluiten met betrekking tot de programmering en de uiteindelijke samenstelling van de programma's worden genomen in Luxemburg, terwijl de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat de programmeringsbesluiten ten aanzien van RTL4 en RTL5 in Nederland worden genomen.

Partijen zijn het er niet over eens wat nu precies het onderscheid is, zo het al bestaat, tussen het begrip 'redactionele verantwoordelijkheid voor de samenstelling van schema's van televisieprogramma's' in artikel 1, onder b, van de richtlijn en het begrip 'programmeringsbesluiten' in artikel 2, derde lid, onder a en b, van de richtlijn. De richtlijn zelf geeft hierover geen uitsluitsel. De rechtbank laat dit in het midden. Zoals hiervoor is gebleken, behoort de vaststelling van (wijziging van) profiel, positionering en identiteit van de programma's RTL4 en RTL5 tot de bevoegdheid van (bepaalde organen van) HMG. Bij zowel de zojuist genoemde redactionele verantwoordelijkheid als de programmeringsbesluiten gaat het - naar voor de hand ligt aan te nemen - om de nadere uitwerking en invulling van de programmering van RTL4 en RTL5 binnen het vastgestelde kader van hun profiel, positionering en identiteit. De plaats waar deze uitwerking en invulling geschiedt wijst naar het oordeel van de rechtbank ook eerder de plaats aan waar het centrum van de actviteiten ligt, hetgeen volgens meergenoemd arrest van het Europese Hof van Justitie de kern is van het vestigingscriterium, dan de plaats waar de door eiseressen beoogde uiteindelijke of bestuurlijke verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend. Mede gelet op de bij genoemde uitwerking en invulling onontbeerlijk te achten betrokkenheid van functionarissen als de (eind- en hoofd)redacteur en de (algemeen) programmadirecteur en bij gebrek aan overtuigende aanwijzingen voor een ander oordeel, deelt de rechtbank de conclusie van verweerder dat HMG zowel deze redactionele verantwoordelijkheid draagt en dus de voor de uitzendingen van RTL4 en RTL5 verantwoordelijke omroeporganisatie is als de programmeringsbesluiten neemt.

Eiseressen verwijten verweerder niet te hebben onderzocht welke deel van het personeel moet worden toegerekend aan de wezenlijke omroepactiviteiten ten behoeve van RTL4 en RTL 5 en welk deel aan andere activiteiten als Veronica, productie, marketing en administratie.

Dit verweer is ontoereikend. Mede gelet op de bedrijfsomschrijving van HMG in het handelsregister (het verzorgen c.q. aanleveren van internationale en nationale radio- en televisieprogramma's) mocht verweerder het in beginsel erop houden dat het bij HMG werkzame personeel bij de televisieomroepactiviteiten van HMG betrokken is. Ook als ermee rekening moet worden gehouden dat een deel van deze actviteiten ten behoeve van Veronica plaatsvinden is de conclusie waartoe verweerder op dit punt geraakt niet ongefundeerd. Het had op de weg van eiseressen gelegen om wélgedocumenteerd een andere benadering ingang te doen vinden. Dat heeft zij nagelaten. De rechtbank deelt thans dan ook de conclusie van verweerder.

Dit alles voert tot de slotsom dat verweerder op juiste gronden heeft geconcludeerd dat HMG de voor RTL4 en RTL5 verantwoordelijke omroeporganisatie in de zin van de richtlijn en de Mediawet is, voor de toepassing van de richtlijn in geacht moet worden in Nederland te zijn gevestigd en derhalve onder Nederlands toezicht valt. Dat HMG, zoals blijkt uit de uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, haar hoofdkantoor in Luxemburg heeft, kan aan deze slotsom, gelet op het bepaalde in artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van de richtlijn niet afdoen.

Ingevolge artikel 71a, eerste lid, van de Mw is het een commerciële omroepinstelling slechts toegestaan een omroepprogramma te verzorgen dat bedoeld is te worden uitgezonden door middel van een of meer zenders of draadomroepinrichtingen, indien zij daarvoor toestemming van het Commissariaat voor de Media heeft verkregen.

In artikel 82h, aanhef en onder a, van de Mw is bepaald dat onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, het een beheerder van een draadomroepinrichting is toegestaan programma's van derden uit te zenden, indien de persoon of instelling die verantwoordelijk is voor vorm en inhoud van het programma, krachtens deze wet of krachtens de op die persoon of instelling van toepassing zijnde buitenlandse regelgeving gerechtigd is een voor uitzending bestemd programma te verzorgen.

Vast staat dat HMG voor het verzorgen en (doen) uitzenden van de programma's RTL4 en RTL5 geen toestemming heeft als bedoeld in artikel 71a, eerste lid, van de Mw. De rechtbank is van oordeel dat verweerder HMG, onder aankondiging de huidige illegale situatie zolang te gedogen, een toereikende termijn heeft geboden om deze toestemming aan te vragen en de programma's RTL4 en RTL5 inhoudelijk te laten voldoen aan de bij of krachtens de Mediawet gestelde eisen. Aan het zonder enige specifieke toelichting opgeworpen bezwaar van eiseressen dat deze overgangstermijnen te kort zijn gaat de rechtbank voorbij.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De rechtbank stelt vast dat de president bij toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening niet heeft bepaald wanneer deze voorziening vervalt. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:85, tweede lid, onder c, van de Awb vervalt een voorlopige voorziening zodra de rechtbank uitspraak heeft gedaan, tenzij bij de uitspraak een later tijdstip is bepaald. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is, voor zover hier van belang, artikel 8:85 van de Awb van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Op grond daarvan zou gesteld kunnen worden dat ingeval van hoger beroep de voorlopige voorziening niet vervalt maar nog steeds geldt. In verband hiermee en ter voorkoming van misverstand op dit punt ziet de rechtbank aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:72, zesde lid, van de Awb op de hierna aangegeven wijze.

De rechtbank ziet geen aanleiding gebruik te maken van de haar in de artikelen 8:74, tweede lid, en 8:75 van de Awb gegeven bevoegdheden.

Beslist wordt als volgt.

IV BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiseressen ongegrond;

- bepaalt dat de bij uitspraak door de president van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 1998 getroffen voorlopige voorziening (reg.nr. Awb 98/3450 WET) zes weken na toezending van deze uitspraak vervalt.

Gewezen door mr. A.H. Kist, voorzitter, en mrs. B.J. van Ettekoven en M.A. Broekhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. van de Ven, griffier,

en uitgesproken door op: 18 september 2000

door mr. A.H. Kist, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Coll:

D: B