Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA7423

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
13/047252-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 13/047252-00

datum uitspraak: 10 oktober 2000

op tegenspraak

+-------------------+

| VERKORT VONNIS |

+-------------------+

van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, vijfde meervoudige kamer A, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [woonplaats],

gedetineerd in Huis van Bewaring .

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 september 2000

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

3. Waardering van het bewijs.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het primair telastegelegde,

op 29 maart 2000 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, een opgerold tafelkleedje om de nek en de keel van die [slachtoffer] gebonden en aangedraaid en die [slachtoffer] meermalen met kracht in het gezicht geslagen en met zijn vingers in de ogen van die [slachtoffer] geprikt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdediging.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Naar de geestvermogens en de persoonlijkheidsstructuur van verdachte zijn onderzoeken ingesteld door respectievelijk M.L. Stek, psychiater te Amsterdam, en drs J.M. Oudejans, psycholoog te Amsterdam. Zij komen in hun rapporten tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van het hem telastegelegde feit lijdende was aan een ziekelijke stoornis zijner geestvermogen in de zin van schizofrenie, paranoïde type. Indien dit feit door de rechtbank bewezen wordt geacht, achten zij verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Nu niet is gebleken dat verdachte ontoerekeningsvatbaar is en ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en de maatregel.

De hierna te noemen oplegging van straffen en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Maatregel.

Het rapport d.d. 28 juni 2000 van psychiater M.L. Stek houdt onder meer in -zakelijk weergegeven:

Onderzochte komt naar voren als een lichamelijke vitale 65-jarige man die vanaf zijn 49-ste jaar lijdt aan paranoïde psychotische episodes. Er zijn sterke aanwijzingen dat er tevoren sprake was van een gecompenseerd evenwicht waarbij gesproken kan worden van affectieve en pedagogische tekorten in de vroege jeugd, gekoppeld aan het op jonge leeftijd verliezen van zijn vader als jongste binnen het gezin in oorlogstijd. Hoewel er vanuit de voorgeschiedenis aanwijzingen zijn van een matige intelligentie op grond van het BLO-onderwijs en de stagnatie binnen het normale onderwijs, kan niet worden gesproken van zwakbegaafdheid. De premorbide begaafdheid poneert als laag gemiddeld. Tot vrij recent heeft episodisch alcoholabusus, waarover geen ziektebesef en inzicht bestaat bij onderzochte, een zeker rol gespeeld in verdachtes bestaan.

Bij onderzochte is sprake van langdurige institutionalisering vanaf midden jaren tachtig tot recent. Het wonen binnen een psychiatrische setting kan leiden tot het versterken van gedrag zoals manipuleren met regels en grenzen.

Conclusie en advies.

Onderzochte is lijdende aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van schizofrenie, paranoïde type, laat ontstaan, dan wel een waanstoornis, episodisch alcoholabusus en in aanleg laag gemiddelde intellectuele vermogens.

Van groot belang lijkt het feit dat onderzochte een aantal maanden voorafgaande aan het telastegelegde niet of vrijwel geen antipsychotische medicijnen heeft ingenomen. Gezien de ernst en de duur van de stoornis is het aannemelijk dat hierdoor de paranoïde belevingen en de hiermee gepaard gaande emotionele ontregeling met uitingen van angst en agressie in sterkere mate aanwezig zijn geweest dan in episodes met regelmatig antipsychoticagebruik.

De ziekelijke stoornis van de geestvermogens beïnvloedde in zeer sterke mate de gedragskeuzes van onderzochte op het moment van de telastegelegde gebeurtenis. In de beleving van onderzochte was er vanuit de psychotische gedachtengang weinig alternatief voor zijn handelen. Dit wordt des te meer aannemelijk, gezien het verloop van de incidenten vanaf eind 1999 tot aan het moment van de telastegelegde gebeurtenis waarbij onderzochte separatie afdwong, op inadequate wijze alternatieven trachtte te vinden voor huisvesting en zich verbaal en motorisch agressief uitte naar medebewoners en hulpverleners. Bij onderzochte is sprake geweest van enige vooroverweging. Hij heeft zijn handelen uitgevoerd met een zekere rationaliteit zij het dan ook gekleurd door zijn paranoïde bevindingen.

Er is bij onderzochte geen enkele sprake van ziektebesef noch van inzicht in eigen functioneren dienaangaande. Hij uit zich stenisch dreigend ten aanzien van de bij de behandeling betrokken medewerkers.

Gezien de stoornis van onderzochte, het geringe ziektebesef en de als hoog ingeschatte kans op recidive lijkt levenslange intensieve begeleiding geïndiceerd. Van primair belang is hierbij dat onderzochte op controleerbare wijze antipsychotische medicatie blijft gebruiken binnen een voldoende gestructureerde setting. Geadviseerd wordt bij onderzochte een tbs-maatregel op te leggen.

Het rapport d.d. 28 juni 2000 van psycholoog J.M. Oudejans houdt onder meer in -zakelijk weergegeven:

Onderzochte is een intellectueel beperkte man die lijdt aan een ernstige duurzame geestelijke ziekte, te weten een paranoïde psychose, in het kader van een schizofrenie van het paranoïde type. Onderzochte is in concreto vanuit zijn psychose de overtuiging toegedaan dat bepaalde personen in [de inrichting] hem benadeelden, achterstelden bij andere patiënten, geen kans gaven om meer zelfstandig te wonen, geld afhandig maakten, lastig vielen en er in het algemeen op uit waren hem het leven zuur te maken. De weerzin van onderzochte tegen het verblijf in [de inrichting] en het gevoel geen uitweg meer te zien wordt direct bepaald door paranoïde-psychotische gedachten en angsten. Een direct verband tussen de psychotische overwegingen en het telastegelegde kan echter niet gelegd worden. De psychotische overwegingen bepalen de weerzin en de aandrang om te vluchten voor de vermeende benadeling door zijn belagers in [de inrichting], maar sluiten in principe niet alle handelingsalternatieven uit waar het gaat om de manier waarop hij met die angsten en weerzin omgaat. Gegeven zijn onvermogen (en angst) om zelfstandig te functioneren en zijn afhankelijkheid van psychiatrische begeleiding zijn er voor hem wellicht niet veel gedragsalternatieven geweest, maar niettemin is het niet volkomen vanzelfsprekend -en vanuit de aard van de stoornis begrijpelijk- dat onderzochte er voor kiest iemand te doden om aan zijn belagers te ontsnappen. Ook de tijdspanne die verloopt tussen het plan om iemand te doden en het telastegelegde vormt een indicatie voor de inschatting dat er sprake is geweest van een zekere berekening en een zekere -zij het zeer beperkte- mate van wils- en keuzevrijheid ten tijde van het plegen van het telastegelegde, indien bewezen.

Conclusie en advies.

Onderzochte is lijdende aan een ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, in het kader van een schizofrenie van het paranoïde type, die zeer nauw samenhangt met het telaste-gelegde, zij het dat er geen volkomen sluitend verband bestaat. In de aanloop tot het telastegelegde verslechterde onderzochtes psychische toestand, in de zin dat zijn weerzin tegen het verblijf in het psychiatrisch centrum onder invloed van oplaaiende paranoïde gedachten en angsten groeide en hoog opliep. Deze paranoïde gedachten en angsten vormden de voedingsbodem voor het dwingende verlangen om weg te komen uit het psychiatrisch centrum, en beperkten de beschikbaarheid van gedragsalternatieven in hoge mate, zij het dat er ook sprake is van enige mate van berekening en overweging en niet geconcludeerd kan worden dat het telastegelegde direct uit de psychische overwegingen voortvloeit. Onderzochte heeft ten tijde van het plegen van het hem telastegelegde weliswaar de ongeoorloofd hiervan kunnen inzien, doch is in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid te bepalen. Onderzochte is ook thans psychotisch, en de agressieve en paranoïde fixatie op bepaalde medewerkers van het psychiatrisch centrum is geenszins verbleekt, zodat geconcludeerd kan worden dat de kans op herhaling van soortgelijke feiten als thans telastegelegd zeer groot is. Onderzochte is op grond van zijn ernstige stoornis niet in staat om zonder psychiatrische begeleiding zelfstandig te functioneren en is om die reden blijvend afhankelijk van behandelaars. Teneinde de kans op herhaling te verminderen is het noodzakelijk dat onderzochte voor zijn ernstige stoornis behandeld en duurzaam begeleid wordt.

Geadviseerd wordt om onderzochte een terbeschikkingstelling op te leggen met bevel tot verpleging van overheidswege.

Slechts die klinische situatie en dat juridische kader bieden mogelijkheden om onderzochte adequaat te behandelen en voldoende waarborgen met betrekking tot de veiligheid van de maatschappij.

De rechtbank neemt deze conclusies en adviezen over en maakte die tot de hare. De rechtbank is ook van mening dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling is vereist. De persoonlijkheid van verdachte, de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd nopen tot de oplegging van vorenbedoelde maatregel, die immers in het leven is geroepen ter beveiliging van de maatschappij.

Verdachte dient op grond van het vorenstaande ter beschikking te worden gesteld en van overheidswege te worden verpleegd, mede aangezien het bewezen geachte een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

Straf.

Naast de maatregel van terbeschikkingstelling dient ook een gevangenisstraf te worden opgelegd om recht te doen aan de ernst van het feit.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft een willekeurige 78-jarige niets vermoedende medebewoonster van psychiatrisch centrum [de inrichting] op een gruwelijke wijze, namelijk door haar met een opgerold tafelkleedje te wurgen en in het gezicht te slaan en met zijn vingers in de ogen te prikken, in haar slaap om het leven gebracht. Dit feit heeft een grote schok en gevoelens van afschuw teweeggebracht zowel bij de nabestaande(n) alsook in de omgeving van het slachtoffer.

De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte een langdurige behandeling zal moeten ondergaan. De rechtbank acht het in het belang van verdachte en in het belang van de bescherming van de maatschappij, dat de behandeling zo spoedig mogelijk een aanvang neemt. In die omstandigheid, daarbij in ogenschouw genomen de lange wachttijden die momenteel bestaan voor plaat-sing van verdachte in een tbs-inrichting, ziet de rechtbank aanleiding om de duur van de gevangenisstraf enigszins te matigen en een vrijheidsstraf van na te noemen duur op te leggen.

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een meerkleurig tafelkleedje dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het bewezen geachte feit is begaan.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] en de schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van F. 6.537,76.

De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straffen en de op te leggen maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing:

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair telastegelegde:

Moord.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart verbeurd:

1 tafelkleed, meerkleurig.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1 hemd, kleur wit

1 onderbroek, kleur groen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres], [woonplaats] toe en veroordeelt verdachte te betalen F. 6.537,76 aan de benadeelde partij.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen de som van F. 6.537,76 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 65 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr J.A.C. Bartels, voorzitter,

mrs B.J.L.M. van Dijk en J. Thomas, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 oktober 2000.