Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA7422

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
13/010374-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 13/010374-99

datum uitspraak: 10 oktober 2000

op tegenspraak

+-------------------+

| VERKORT VONNIS |

+-------------------+

van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, vijfde meervoudige kamer A, in de strafzaak tegen:

STICHTING [verdachte]

gevestigd [adres], [woonplaats].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de onderzoeken op de terechtzittingen van 26 september 2000.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht.

De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

3. Waardering van het bewijs.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 25 juni 1997 en 27 juni 1997 te Amsterdam telkens opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering, krachtens artikel 551 van het Wetboek van Strafvordering, gedaan op 25 juni 1997 door [politie-ambtenaar 1], als brigadier met een algemene opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 141, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering en werkzaam bij de Regiopolitie Utrecht, district Binnensticht en op 27 juni 1997 door [politie-ambtenaar 2], brigadier van politie regio Utrecht, district Binnensticht, welke brigadiers van politie waren belast en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft directie van verdachte telkens opzettelijk, nadat deze ambtenaren directie van haar verdachte, telkens had gevorderd bescheiden dan wel afschriften van bescheiden, waaruit de identiteit van de persoon die het E-mailadres "noway@dds.nl" aanhield of had aangehouden bij haar, verdachte (als provider), kon blijken, telkens geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering;

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdediging.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit.

Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij nimmer aan de vordering heeft kunnen voldoen, nu de bedoelde gegevens niet als voorwerp zoals bedoeld in artikel 551 van het Wetboek van Strafvordering -dat wil zeggen bijvoorbeeld als bescheiden-, doch slecht digitaal voorhanden waren. In zoverre is er in de ogen van de verdediging sprake geweest van overmacht, zodat verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging. De officier van justitie heeft zich hier ter terechtzitting van 26 september 2000 bij aangesloten.

De rechtbank volgt dit betoog niet. Hierbij is het volgende van belang.

Op 25 juni 1997 heeft de -toenmalige- Stichting [verdachte] per fax een vordering ex artikel 551 van het Wetboek van Strafvordering ontvangen, gedaan door brigadier van regiopolitie Utrecht [politie-ambtenaar 1]. Eenzelfde vordering is op 27 juni 1997 mondeling gedaan door [politie-ambtenaar 2], brigadier van regiopolitie Utrecht.

Namens de Stichting [verdachte] heeft [de woordvoerder] op 27 juni 1997 mondeling aan [politie-ambtenaar 2] meegedeeld dat hij weigerde aan deze vordering te voldoen. Deze weigering is door de [woordvoerder] op 1 juli 1997 in een brief gericht aan de regiopolitie Utrecht en op 8 juli 1997 ten overstaan van de verbalisant [politie-ambtenaar 3] herhaald. Van deze laatste weigering is een ambtsedig proces-verbaal opgemaakt. De [woordvoerder] heeft zich bij deze weigeringen -kort gezegd- steeds op het standpunt gesteld dat een dergelijke vordering in zijn ogen gedaan diende te worden door een rechter-commissaris en dat een vordering ex artikel 551 van het Wetboek van Strafvordering te weinig bescherming bood aan de privacy van de bewoners (lees: internetgebruikers) van [verdachte].

Naar het oordeel van de rechtbank valt -gelet op de tekst van het artikel en de wetsgeschiedenis- niet in te zien waarom een dergelijke vordering niet op grond van artikel 551 van het Wetboek van Strafvordering zou mogen worden gedaan. Met deze weigering heeft de Stichting [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank dan ook opzettelijk geweigerd aan een rechtmatige vordering te voldoen als bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. Dat tot op zekere hoogte aannemelijk is geworden dat het voor verdachte niet mogelijk was om aan de vordering te voldoen, zoals later in de procedure is gesteld, maakt dat niet anders. Hierbij is van belang dat verdachte uitdrukkelijk heeft geweigerd en zich niet heeft beroepen op een eventuele onmogelijkheid om aan de vordering te voldoen. Door aldus te handelen heeft hij het onderzoek van de politie belemmerd alvorens te bezien of hij aan de vordering zou kunnen voldoen.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte of diens rechtsopvolger uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Geen straf of maatregel.

Op grond van de omstandigheden waaronder het bewezen geachte is begaan en die zich na het begaan van het bewezen geachte hebben voorgedaan, zal geen straf of maatregel aan verdachte worden opgelegd. Hierbij is het volgende van belang.

In 1997 stond de opsporing van strafbare feiten gepleegd op of door middel van het internet nog in de kinderschoenen en was er sprake van een tijdsgewricht waarin betrokkenen niet altijd konden overzien wat toelaatbaar en mogelijk was. Verdachte heeft zich destijds op een, weliswaar achteraf gebleken, onjuist standpunt gesteld, doch verdachte heeft nadat er een vordering door de RC was gedaan onmiddellijk medewerking aan het onderzoek verleend, zodat het onderzoek slechts enige dagen vertraging heeft opgelopen. Voorts heeft de rechtbank gewicht toegekend aan het tijdsverloop in de onderhavige procedure. Tenslotte heeft de rechtbank enig belang gehecht aan het feit dat niet onaannemelijk is dat het voor verdachte niet mogelijk was om het gevorderde te overhandigen, nu deze gegevens op het kantoor aan de [adres] slechts digitaal voorhanden waren.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

8. Beslissing:

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr J.A.C. Bartels, voorzitter,

mrs J. Thomas en J.C. Boeree, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 oktober 2000.