Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA7342

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
Rekestnummer: 00/3019
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet toezicht kredietwezen 1992
Wet toezicht kredietwezen 1992 64
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 218
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2001, 530
JOR 2000/244 met annotatie van K. Frielink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 13.038012/97

Rekestnummer: 00/3019

+---------------+

¦ BESCHIKKING ¦

+---------------+

op het klaagschrift van:

De Nederlandse Bank N.V (DNB), gevestigd te Amsterdam.

1. Procesgang.

1.1 In het kader van een gerechtelijk vooronderzoek in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer tegen [verdachte] heeft de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank op 18 mei 2000 een bevel ex artikel 105 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gericht aan klaagster. Dit bevel is op 26 mei 2000 aan klaagster betekend. Het bevel heeft betrekking op gespreksverslagen en/of andere notities, in welke vorm dan ook, die zien op alle contacten tussen enerzijds medewerkers van klaagster en anderzijds medewerkers van het openbaar ministerie en/of de FIOD, betrekking hebbend op het zogenoemde clickfondsonderzoek, zowel van vóór als van na 1997.

1.2 Klaagster heeft aan dit bevel voldaan door verstrekking van een aantal naar het inzicht van klaagster daarvoor in aanmerking komende notities in een verzegelde envelop, vergezeld van het verzoek de envelop gesloten te laten en de notities niet aan het strafdossier toe te voegen totdat in gewijsde op een door klaagster in te dienen klaagschrift zou zijn beslist.

1.3 De stukken worden, als aangekondigd in het bevel tot uitlevering, geacht vanaf het moment van overhandiging in beslag te zijn genomen. In afwachting van de behandeling door deze rechtbank van een door klaagster in te dienen klaagschrift tegen deze inbeslagneming heeft de rechter-commissaris de stukken in de verzegelde envelop in een kluis geborgen. Deze zijn derhalve (nog) niet aan het strafdossier toegevoegd.

1.4 Het vervolgens ingediende klaagschrift strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen en zich in een verzegelde enveloppe bevindende notities, met dien verstande dat van de inhoud van de stukken op generlei wijze gebruik mag worden gemaakt en dat eventueel daarvan gemaakte kopieën worden vernietigd.

1.5 Het klaagschrift is op 14 juli 2000 ter griffie van deze rechtbank ingekomen. De rechtbank heeft op 21 september 2000 de officier van justitie, de raadslieden van klager, mrs. C.Ch. Mout en A.J.P. Tillema, alsmede de raadsman van verdachte [verdachte], mr V. Koppe, in raadkamer gehoord.

2. Beoordeling.

2.1 Verschoningsrecht ex artikel 218 Sv

2.1.1 Klaagster stelt zich op het standpunt dat op haar, gelet op het bepaalde in artikel 64, eerste en tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992) een strikte geheimhoudingsplicht rust op grond waarvan haar een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 Sv toekomt voor wat betreft de in beslag genomen notities. Dit verschoningsrecht zou meebrengen dat slechts klaagster bevoegd en in staat is te beoordelen of de gevraagde stukken voor afgifte in aanmerking komen. Daarbij heeft zij er voorts op gewezen dat het bepaalde in artikel 64, derde lid, Wtk 1992, slechts ziet op het als getuige of deskundige in strafzaken afleggen van een verklaring.

2.1.2 De rechtbank is van oordeel dat het bepaalde in artikel 64, derde lid, Wtk 1992, ook geacht moet worden betrekking te hebben op een bevel tot uitlevering als hier aan de orde. Het zou immers niet passen in het wettelijk systeem dat omtrent gegevens of inlichtingen als bedoeld in dat artikellid in het kader van een strafrechtelijk onderzoek wel mondeling, doch niet schriftelijk informatie zou kunnen worden verkregen, of andersom, niet zou hoeven worden verklaard maar wel zou moeten worden uitgeleverd. De rechtbank vindt voor deze opvatting steun in het wettelijk systeem. Daarin is de behandeling van mondelinge informatie afkomstig van "gewone" getuigen onderworpen aan eenzelfde regime als "gewone" schriftelijke informatie. Hetzelfde geldt voor de van verschoningsgerechtigden afkomstige mondelinge en schriftelijke informatie.

2.1.3 Ten aanzien van de geheimhoudingsplicht geldt het volgende. De rechter-commissaris heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klaagster zich niet op de geheimhoudingsplicht als opgenomen in artikel 64 Wtk 1992 kan beroepen, aangezien er geen sprake is van informatie die is verstrekt door onder toezicht van klaagster staande instellingen.

2.1.4 De rechtbank volgt klaagster in haar stelling dat de rechter-commissaris er in vorenstaande redenering aan voorbij heeft gezien dat de geheimhoudingsplicht van klaagster, gelet op het bepaalde in artikel 64, eerste lid, Wtk 1992, betrekking heeft op alle gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens die wet bepaalde omtrent afzonderlijke ondernemingen of instellingen zijn verstrekt. De geheimhoudingsplicht strekt derhalve verder dan de rechter-commissaris primair heeft aangenomen. De rechtbank deelt het overigens door klaagster ingenomen standpunt echter niet.

2.1.5 Klaagster bevindt zich als toezichthoudend orgaan in de financiële wereld in een ambivalente positie. In verband met haar taakstelling zal zij enerzijds het vertrouwen moeten behouden van en discretie moeten betrachten jegens de instellingen waarop zij toezicht uitoefent. Anderzijds brengt juist dit uit te oefenen toezicht mee dat waar nodig eventuele misstanden aan de kaak moeten worden gesteld en hiertegen in een openbaar strafproces in het publiek belang moet kunnen worden opgetreden.

2.1.6 In zijn arrest van 22 juli 1986 (NJ 1986/823) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat onder de toen geldende Wet toezicht kredietwezen de daarin opgenomen geheimhoudingsplicht van klaagster niet aldus moet worden verstaan dat deze een verschoningsrecht voor klaagster meebrengt. Wel, zo heeft de Hoge Raad bepaald naar aanleiding van de beantwoording van prejudiciële vragen op dit punt, kan er plaats zijn voor het toekennen van een verschoningsrecht van beperkter aard. Er zal dan een belangenafweging moeten volgen - door de rechter - tussen "het voor de rechtsbedeling fundamentele belang van de waarheidsvinding en het belang van de handhaving van de vertrouwelijkheid van bepaalde inlichtingen". Aldus heeft de Hoge Raad een evenwicht gevonden ter zake van de hiervoor genoemde schijnbaar tegenstrijdige taakstellingen van klaagster.

2.1.7 Deze mede op de ter zake geldende EG-richtlijn gestoelde opvatting van de Hoge Raad is blijkens de daarbij behorende Memorie van Toelichting in het huidige artikel 60 (thans vernummerd tot artikel 64) van de Wtk 1992 gecodificeerd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de hierna opgenomen passage uit die Memorie van Toelichting:

"De in artikel 60, derde lid, Wtk 1992 neergelegde regeling houdt in dat de getuigplicht zoals geregeld in het Wetboek van Strafvordering (Sv) en de daarmee samenhangende bepalingen gewoon van toepassing zijn op de onder de werking van artikel 60, tweede lid, Wtk 1992 vallende personen. Dit betekent dat de bedoelde personen in een strafprocedure zowel als getuige of deskundige in een gerechtelijk vooronderzoek (....) in beginsel een verklaring moeten afleggen omtrent de in artikel 60, eerste lid, Wtk 1992 bedoelde gegevens en inlichtingen. Of en in hoeverre de voornoemde personen bij het afleggen van een verklaring als getuige of deskundige in verband met hun geheimhoudingsplicht ook een beroep kunnen doen op een verschoningsrecht op grond van artikel 218 Sv staat vervolgens aan de rechter ter beoordeling."

2.1.8 In zijn arrest van 4 januari 2000, (NJ 2000/537) heeft de Hoge Raad zijn oordeel als hiervoor weergegeven herhaald.

2.1.9 Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank, zij het op andere gronden dan de rechter-commissaris, tot het oordeel dat aan klaagster geen verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 Sv toekomt. Daarmee is tevens het standpunt van klaagster dat de beoordeling in hoeverre de gevraagde informatie kan worden prijsgegeven aan haar is, verworpen.

3.2 Een beperkt verschoningsrecht.

3.2.1 Gelet op de ter zake geldende jurisprudentie en de wetsgeschiedenis van het huidige artikel 64 Wtk 1992 komt klaagster mogelijkerwijs wel een meer beperkt verschoningsrecht toe. Ter vaststelling daarvan dient de rechter casu quo de rechter-commissaris het belang van klaagster bij vertrouwelijkheid af te wegen tegen het belang van de waarheidsvinding.

3.2.2 Blijkens de inhoud van de brief van de rechter-commissaris aan klaagster van 29 mei 2000 is de hiervoor bedoelde belangenafweging subsidiair door de rechter-commissaris verricht. Aan de rechtbank komt hier slechts een marginale toetsing van de oordeelsvorming van de rechter-commissaris toe.

3.2.3 Allereerst constateert de rechtbank dat het aan klaagster is om argumenten aan te voeren op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat het belang van de handhaving van de vertrouwelijkheid in het geval van nu juist deze stukken zwaarder weegt. Klaagster heeft echter slechts zeer in het algemeen aangevoerd dat vertrouwelijkheid te allen tijde dient te prevaleren in verband met een ongestoorde uitoefening van haar toezichtfunctie en zich overigens op het standpunt gesteld dat slechts zij een dergelijke belangenafweging kan maken.

3.2.4 Ter zitting heeft klaagster een vijftal argumenten aangevoerd op grond waarvan zij van mening is dat de door de rechter-commissaris verrichte belangenafweging geen stand kan houden. Het gaat hierbij om het volgende:

- besloten had kunnen worden tot het (nader) horen van getuigen, zodat het bevel disproportioneel is;

- niet is aangegeven waarom de gevraagde stukken van belang kunnen zijn voor de waarheidsvinding;

- ten onrechte is klaagster niet in de gelegenheid gesteld een belangenafweging te maken;

- ten onrechte heeft de rechter-commissaris gemeend een belangenafweging te kunnen maken, terwijl de inhoud van de stukken hem niet bekend is;

- de belangenafweging als gemaakt door de rechter-commissaris is ondeugdelijk, nu hij van een verkeerde vooronderstelling is uitgegaan.

3.2.5 Gebleken is dat voorafgaand aan het bevel tot uitlevering de getuige [getuige], werkzaam bij klaagster, in het gerechtelijk vooronderzoek is gehoord. Uit dat verhoor is gebleken dat er gespreksverslagen als gevraagd bestaan. Ter zitting heeft de raadsman van [verdachte] nader toegelicht dat hij aan de rechter-commissaris heeft kenbaar gemaakt over de inbeslaggenomen bescheiden te willen kunnen beschikken met het oog op de waarheidsvinding, meer in het bijzonder teneinde de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie nader te kunnen onderzoeken. De stukken zijn derhalve gevraagd in het kader van de op de voet van de artikelen 348 en 350 Sv door de rechtbank te beantwoorden vragen, en dienen aldus de waarheidsvinding. De getuige [getuige] heeft terzake, naar de raadsman van [verdachte] ter terechtzitting heeft verklaard, onvoldoende opheldering gegeven.

3.2.6 Met het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank afdoende komen vast te staan welk doel de gevraagde stukken moeten dienen, terwijl voorts in de omstandigheden als hiervoor geschetst niet kan worden gesproken van een disproportioneel middel.

3.2.7 Als besproken onder 2.1.4 kan de rechtbank voorts klaagster nageven dat de rechter-commissaris primair een verkeerd uitgangspunt heeft gehanteerd. Dit hoeft echter niet in de weg te staan aan het aannemen van de juistheid van de verrichte belangenafweging, nu deze subsidiair is verricht en niet is gebaseerd op eerder bedoelde onjuiste aanname. Dat deze belangenafweging door een rechter moet worden gemaakt, is hiervoor reeds vastgesteld.

3.2.8 De rechtbank onderkent verder dat het beoordelen van de vraag of aan iemand een beperkt verschoningsrecht toekomt, problematisch kan zijn wanneer op geen enkele wijze bekend is om wat voor stukken het zou gaan. De wet voorziet niet in een oplossing hiervoor. In dit geval echter acht de rechtbank de omstandigheid dat de rechter-commissaris de stukken niet had ingezien toen hij zijn afweging maakte geen obstakel. Uit de verklaring van de getuige [getuige] blijkt duidelijk om wat voor soort stukken het gaat, te weten gespreksverslagen waarbij de gesprekspartijen bekend zijn en het gespreksonderwerp grosso modo ook.

3.2.9 Bovendien is er sprake van een strafzaak waarin een verdenking bestaat ter zake van ernstige feiten - namelijk, zoals de rechtbank ambtshalve bekend is, valsheid in geschrifte, oplichting en deelneming aan een criminele organisatie - in een overigens omvangrijk strafrechtelijk onderzoek, het zogenaamde Clickfondsonderzoek, dat nu juist de integriteit van de financiële wereld tot onderwerp heeft.

3.2.10 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen dat het belang van de strafrechtspleging hier de doorslag dient te geven, zodat aan klaagster geen (beperkt) verschoningsrecht toekomt.

3.3 Het vereiste van bepaaldheid.

Subsidiair heeft klaagster zich op het standpunt gesteld dat het bevel van de rechter-commissaris onvoldoende bepaald zou zijn. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Aanleiding tot het bevel was de verklaring van de getuige [getuige] over het bestaan van zekere stukken, aan welke verklaring ook in het bevel wordt gerefereerd. Daarmee was het bevel voldoende bepaald om daaraan gehoor te kunnen geven. Dit wordt nog eens bevestigd door het feit dat klaagster ook daadwerkelijk tot de afgifte van stukken is overgegaan, en zelfs heeft gemeend te kunnen bepalen welke gegevens in de bedoelde gespreksverslagen wel of niet onder het bevel waren te rangschikken.

3.4 Artikel 107, tweede lid, Sv.

3.4.1 Meer subsidiair hebben de raadslieden, hierin gesteund door de officier van justitie, betoogd dat het bevel van de rechter-commissaris tot uitlevering van gespreksverslagen c.q. notities omtrent contacten tussen medewerker(s) van klaagster en de officier van justitie en/of de FIOD onrechtmatig is, daar het in strijd met het bepaalde in artikel 107, tweede lid, Sv (oud) is gegeven. Dit artikellid bepaalde dat een uitleveringsbevel ten aanzien van brieven of andere geschriften alleen kon worden gegeven, indien de stukken van de verdachte afkomstig waren, voor hem bestemd waren of hem toebehoorden, of wel indien zij het voorwerp van het strafbare feit uitmaakten of tot het begaan daarvan gediend hadden. Van geen van deze omstandigheden is in deze sprake, aldus klaagster en de officier van justitie.

3.4.2 Artikel 107 Sv is met ingang van 1 februari 2000, bij de inwerkingtreding van de Wet Herziening van het Gerechtelijk Vooronderzoek, vervallen en vervangen door artikel 96a Sv. In laatstgenoemd artikel strekken de beperkende voorwaarden waaronder een bevel tot uitlevering van geschriften kan worden gegeven zich alleen uit tot brieven en niet tot andere geschriften.

3.4.3 Op grond van het overgangsrecht blijft het oude recht, en dus artikel 107 Sv, onder meer van toepassing in een strafzaak waarin ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet reeds een gerechtelijk vooronderzoek was ingesteld, zoals hier het geval is. Nu er geen sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid van het oude artikel 107 Sv komt de rechtbank met klaagster en de officier van justitie tot het oordeel dat het bevel van de rechter-commissaris in strijd met de wet en daarmee onrechtmatig is gegeven. Wellicht ten overvloede stelt de rechtbank voorts vast dat noch in de tekst, noch in de geschiedenis van artikel 107 Sv (oud) steun valt te vinden voor een eventueel anticiperend toepassen van het nieuwe artikel 96a Sv.

3.4.4 Ook de op de uitlevering gevolgde inbeslagneming is daarmee onrechtmatig, zodat klaagsters klacht gegrond moet worden verklaard en de teruggave van de stukken zal worden gelast. De rechtbank ziet geen aanleiding de overige gevraagde maatregelen te bevelen.

4. Beslissing.

De rechtbank

- verklaart het beklag gegrond;

- gelast de teruggave van de in beslag genomen geschriften.

Deze beschikking is gegeven in raadkamer van deze rechtbank en kamer op 5 oktober 2000

door mr M.J.L. Mastboom, voorzitter,

mrs P.H.M. Kuster en J.L. Bruinsma, rechters,

in tegenwoordigheid van mr F.S. Zwerwer, griffier.

mr. Kuster is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen

Tegen de beslissing kan beroep in cassatie worden ingesteld door het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beschikking, en door klaagster binnen veertien dagen na de betekening.