Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA7181

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
13/012657-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 13/012657-00

datum uitspraak: 21 september 2000

op tegenspraak

+-------------------+

| VERKORT VONNIS |

+-------------------+

van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, achtste meervoudige kamer B, in de strafzaak tegen:

[verdachte]

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 september 2000 en tevens naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van de politierechter in deze rechtbank van 7 september 2000.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht.

De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

---

3. Waardering van het bewijs.

De raadsman heeft op een aantal, in zijn pleitnotities uitvoerig omschreven, gronden de rechtmatigheid van het door de burgemeester van Amsterdam gegeven bevel tot verwijdering uit het door hem aangewezen noodgebied voor de duur van 14 dagen, bestreden.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Aan verdachte is met toepassing van artikel 2.6 A, tweede lid van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Amsterdam op 21 juli 2000 een zogenaamd 14-dagen bevel gegeven, welk bevel op 22 juli 2000 aan verdachte is uitgereikt. Vervolgens is verdachte op 23, 30 en 31 juli 2000 aangehouden op verdenking van overtreding van dit bevel.

Tegen genoemd 14-dagen bevel kan op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht binnen 6 weken na uitreiking een bezwaarschrift worden ingediend. Tevens bestaat na indiening van het bezwaarschrift de mogelijkheid om een voorlopige voorziening, in de vorm van schorsing van het bevel, te vragen bij de President van de rechtbank Amsterdam. Van beide mogelijkheden wordt melding gemaakt in het bestreden besluit.

De rechtbank neemt als uitgangspunt, zoals de Hoge Raad heeft bepaald in zijn uitspraak van 6 juni 1995 (NJ 1995, 696), dat indien tegen een onderliggend besluit een met voldoende waarborgen omklede administratieve rechtsgang voor verdachte heeft opengestaan, de strafrechter in beginsel ervan kan en moet uitgaan dat dit besluit zowel wat haar wijze van totstandkomen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen.

Slechts door bijkomende omstandigheden in een bijzonder geval kunnen de aan dit uitgangspunt verbonden bezwaren zo klemmend worden dat hierop een uitzondering moet worden gemaakt.

De raadsman heeft zijn verweren gebaseerd op artikel 2 vierde Protocol van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), de artikelen 8, 9, 10 en 11 EVRM, de grondwet, alsmede verweren gericht tegen de rechtsgeldigheid van de onderliggende 8-uurs bevelen.

Deze verweren kunnen in het kader van deze uitspraak niet worden getoetst. De rechtbank moet er immers vanuit gaan dat het aan verdachte gegeven 14-dagen bevel in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen, de grondrechten daaronder begrepen.

Verdachte heeft de gelegenheid gehad zijn bezwaren tegen het 14-dagen bevel in een bestuursrechtelijke procedure naar voren te brengen. Zolang in de bestuursrechtelijke procedure niet is beslist, dient de rechtbank in beginsel uit te gaan van de rechtmatigheid van het bestreden bevel. Dit betekent, kort gezegd, dat de rechtbank, oordelend als strafrechter, niet het aan de vervolging ten grondslag liggende bevel zal toetsen en derhalve aan de door de raadsman gevoerde algemene verweren voorbij zal gaan. Dat geldt ook voor de door de raadsman aangevoerde verweren met betrekking tot de vraag of het bevel terecht is uitgevaardigd omdat de woonplaats van verdachte dan wel de plaats van zijn legale werkzaamheden zich in het noodgebied zouden bevinden. Ook deze argumenten zullen in het kader van deze strafzaak niet worden behandeld aangezien deze in een bestuursrechtelijke procedure aan de orde kunnen komen.

Van bijzondere omstandigheden die uitzondering op bovenomschreven uitgangspunt zouden rechtvaardigen is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank stelt voorts vast dat de raadsman namens verdachte op 2 augustus 2000 een bezwaarschrift op grond van de Algemene Wet Bestuursrecht tegen het 14-dagen bevel heeft ingediend. Verdachte heeft echter geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen aan de President van de rechtbank, te weten schorsing van het bestreden bevel. Nu het indienen van een bezwaarschrift op zichzelf geen schorsende werking heeft, ziet de rechtbank geen aanleiding om, alvorens te beslissen in de strafrechtelijke procedure, de uitkomst van de beslissing in de bestuursrechtelijke bezwaarschriftprocedure af te wachten.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals is aangegeven op de aan dit vonnis bijlage 2 gehechte -gestreepte- kopie van de telastelegging. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Voor zover de raadsman heeft bedoeld een beroep te doen op

-kort samengevat- overmacht van verdachte aangezien verdachte als gevolg van zijn woonsituatie, zijn werkzaamheden, zijn

kerkbezoek of de uitoefening van zijn stemrecht, gedwongen was zich in het noodgebied te begeven, verwerpt de rechtbank dit verweer.

Ten aanzien van de woonsituatie overweegt de rechtbank als volgt.

In het algemeen kan er sprake zijn van feitelijke omstandigheden die vanwege hun uitzonderlijke of buitengewone karakter tot gevolg hebben dat naleving van een strafrechtelijke norm niet gevergd kan worden.

Verdachte heeft bij zijn aanhoudingen op 23 en 31 juli 2000 aangegeven een slaapplaats te hebben respectievelijk woonachtig te zijn in het noodgebied, te weten op de [adres] te Amsterdam. Van dit adres is voorts bekend, onder meer uit de door de raadsman bij pleidooi overgelegde brief van K. Frank (Jellinek) d.d. 17 augustus 2000, dat verdachte ten tijde van zijn aanhoudingen gebruik kon maken van een kamer aldaar. Verdachte kon daar echter uitsluitend verblijven gedurende de uren gelegen tussen 21.00 uur 's-avonds en 10.00 uur 's-ochtends.

Zo deze kamer al kan worden beschouwd als zijnde de woonplaats van verdachte als bedoeld in artikel 8 EVRM, dan nog zou verdachte hierop slechts met succes een beroep kunnen doen indien kan worden vastgesteld dat verdachte is aangehouden terwijl hij op weg was naar zijn slaapplaats. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich op 23, 30 en 31 juli 2000 om respectievelijk omstreeks 14.20 uur, 17.58 uur en 20.18 uur in het noodgebied bevond. Niet kan worden gezegd dat verdachte zich op deze dagen en tijdstippen binnen het noodgebied heeft begeven met de kennelijke bedoeling zich naar zijn kamer te begeven, daar deze hem op genoemde tijdstippen niet ter beschikking stond. Derhalve bestond er voor verdachte op die tijdstippen geen dringende noodzaak tot verblijf in het voor hem verboden noodgebied en is er van een overmachtsituatie geen sprake.

Voor wat betreft de overige onderdelen van dit verweer zijn deze slechts in algemene zin aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de situaties zoals door de raadsman omschreven zich in dit concrete geval voordeden, zodat er naar het oordeel van de rechtbank ook in die gevallen van een overmachtsituatie geen sprake is.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf tegen het openbaar gezag. Verdachte heeft niet voldaan aan een hem gegeven bevel dat hem was gegeven krachtens een maatregel die bedoeld is om de openbare orde in het gedeelte van Amsterdam waarop de maatregel betrekking heeft, te handhaven. Door verdachtes handelen wordt het hiertoe door de gemeente gevoerde beleid op onaanvaardbare wijze doorkruist.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens een uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister reeds vele malen eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing:

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, 2 en 3:

Opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W. Tonkens-Gerkema, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en H. Troostwijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 september 2000.