Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA6106

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H 95.3874
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

P 1.0647

GB

vonnis 7 juni 2000

bref délai

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM, EERSTE ENKELVOUDIGE KAMER

Vonnis in de zaak met rolnummer H 95.3874 van:

1. mr. Oscar HAMMERSTEIN, wonende te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LEGAL LANCELOT B.V., gevestigd te Amsterdam,

e i s e r s bij dagvaarding op verkorte termijn van 14 december 1995,

procureur mr. R.R.F. van der Mark,

t e g e n :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. DAGBLAD DE TELEGRAAF, gevestigd te Amsterdam,

g e d a a g d e ,

procureur mr. R.S. Le Poole.

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- het tussenvonnis van 14 augustus 1996 met de daarin ge-noemde processtukken en/of proceshandelingen

- het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 26 februari 1998, waarbij voormeld vonnis is bekrachtigd en de zaak ter verdere berechting met inachtneming van het arrest naar deze rechtbank is verwezen

- het proces-verbaal van de op 8 september 1998 gehouden comparitie van partijen, waarbij De Telegraaf met instem-ming van partijen tot bewijslevering is toegelaten

- de processen-verbaal van het op 8 september 1998, 9 no-vember 1998 en 3 mei 1999 gehouden getuigenverhoor

- de conclusie na enquête van De Telegraaf met bewijsstukken

- de conclusie na enquête van Hammerstein c.s.

- het op 10 april 2000 gehouden pleidooi, de daarbij door De Telegraaf genomen akte met bewijsstukken, de pleitnotities van Hammerstein en de raadsman van De Telegraaf, die van Hammerstein met een daaraan gehecht bewijsstuk, en het van de zitting opgemaakte proces-verbaal.

Partijen hebben wederom stukken overgelegd ter verkrijging van vonnis.

De rechter voor wie de getuigenverhoren hebben plaatsgehad, is thans niet meer aan deze rechtbank verbonden, zodat zij niet aan deze uitspraak kan medewerken.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Met betrekking tot de artikelen in De Telegraaf van 22 en 25 maart 1994 en 13 april 1994 (door het hof in rechtsoverweging 4.4 gerubriceerd onder groep B) is in voormeld tussenvonnis onder rechtsoverweging 14.4 overwogen dat De Telegraaf, tegenover de betwisting door Hammerstein, de juistheid van haar stelling zal dienen te bewijzen dat ten tijde van die publicaties tot het FIOD-dossier een of meer verklaringen van medeverdachte [getuige 1] behoorden, waarin [getuige 1] Hammerstein ervan beschuldigt dat deze de gehanteerde witwasconstructie heeft bedacht. Aangezien de raadsvrouwe van Hammerstein had verklaard in het bezit te zijn van het FIOD-dossier, is de zaak eerst naar de rol verwezen om Hammerstein in de gelegenheid te stellen dit dossier bij akte in geding te brengen. Het hof heeft vervolgens in hoger beroep geoordeeld dat de bedoel-de artikelen voldoende steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal en dat De Telegraaf, voor zover het de feitelijke inhoud van die artikelen betreft, voldoende zorgvuldig tegenover Hammerstein heeft gehandeld (rechtsoverwegingen 5.17, 5.18 en 5.20).

2. Met betrekking tot de artikelen in De Telegraaf van 3 okto-ber, 5 november en 22 december 1994 (door het hof gerubriceerd onder groep D) is in het tussenvonnis onder rechtsoverweging 14.12 overwogen dat De Telegraaf het bewijs zal moeten leveren dat de in die artikelen geuite beschuldiging voldoende kon steunen op het ten tijde van de publicatie voorhanden materi-aal, dan wel rechtvaardiging kon vinden in nadien gebleken feiten en/of omstandigheden. Het hof is het met de rechtbank eens dat de bewijslast terzake op De Telegraaf rust (rechtsoverweging 5.23). Ter comparitie van partijen heeft de rechtbank De Telegraaf vervolgens met instemming van partijen toegelaten tot het bewijs dat de in voormelde publicaties vervatte beschuldiging dat Hammerstein een criminele organisatie en/of individu-le leden daarvan (inclusief [betrokkene 1]) van juridische adviezen placht te voorzien, voldoende steun vindt in de feiten.

3.1. De Telegraaf heeft daartoe vier getuigen doen horen, die, voor zover hier van belang, het volgende hebben verklaard:

J.M. van den Heuvel:

- dat hij bij ieder van die publicaties betrokken is geweest en hij deze samen met zijn collega De Haas heeft geschreven;

- dat zijn eerste bron bestond uit een persoon die werkzaam was bij justitie;

- dat hij uit eerdere contacten wist dat het een betrouwbare bron was;

- dat hij bekend was met de functie van deze bron binnen justitie;

- dat deze bron hem gedurende een frequent aantal contacten in de periode die vooraf ging aan de bewuste publicaties informatie heeft gegeven over de verdenking bij het open-baar ministerie dat Hammerstein contacten onderhield met mensen uit de Octopus-organisatie;

- dat het eerste contact dat hij met zijn bron over Hammer-stein had, was dat de bron hem een dag voor de inval bij het kantoor van Hammerstein opbelde met de mededeling dat de volgende dag een inval zou worden gedaan bij een gere-nommeerde advocaat in Amsterdam;

- dat hij aanvankelijk steeds telefonisch contact had gehad met deze bron en later vooral persoonlijk contact;

- dat de informatie van zijn bron, die heeft geleid tot de bewuste publicaties, inhield dat er bij de criminele in-lichtingendienst (CID) van (naar hij aannam) Amsterdam via tipgevers informatie was binnengekomen die inhield dat Hammerstein nauwe contacten had met de top van de Octopus-organisatie en dat Hammerstein deze van juridische adviezen bediende;

- dat Hammerstein in dit verband als raadgever werd aange-duid;

- dat Hammerstein met name contact zou hebben met [betrokkene 3] en [betrokkene 1];

- dat het volgens zijn bron ging om informatie die door de CID als zeer betrouwbaar werd aangemerkt;

- dat hij, gezien de functie die zijn bron had binnen jus-titie, ervan uitging dat deze kon beschikken over de bewuste CID-informatie;

- dat hij zijn bron wel heeft gevraagd om concretere infor-matie maar dat die hem niet werd gegeven;

- dat De Haas en hij verder beschikten over een aantal stukken uit het strafdossier en over een door de CRI of de FIOD opgemaakt rapport bevattend een misdaadanalyse van de Octo-pus-organisatie;

- dat De Haas ten slotte contact heeft gehad met een bron uit het criminele milieu met wie hij, Van den Heuvel, geen contact heeft gehad;

- dat in de stukken van het strafdossier waarover hij de beschikking had, heeft nagekeken of er melding werd gemaakt van CID-informatie;

- dat daarover volgens hem nauwelijks wordt gesproken.

J. de Haas:

- dat hij met zijn collega Van den Heuvel de artikelenreeks over Hammerstein, waarover het hier gaat, heeft geschreven;

- dat hij een belangrijke bron had in het criminele milieu;

- dat hij met die bron contact had vanaf begin maart 1994, dus vlak voor de aanhouding van Hammerstein en Van der Goen;

- dat hij niet kan zeggen wie zijn bron was;

- dat die bron met hem contact opnam over de Octopus-orga-nisatie;

- dat hij met die bron tot eind 1995 vrij regelmatig contact heeft gehad;

- dat deze bron steeds betrouwbaar bleek te zijn;

- dat zijn bron wist te vertellen dat Hammerstein regelmatig contact had met leden uit de organisatie van [betrokkene 1] en [betrokkene 1] zelf;

- dat het daarbij ging om [betrokkene 3], [betrokkene 2] en eigenlijk het hele kampermilieu;

- dat Hammerstein volgens zijn bron met [betrokkene 1] regelmatig ontmoetingen had, onder andere in het Okura hotel, waarbij Hammerstein als jurist [betrokkene 1] adviseerde;

- dat zijn bron vertelde dat hij daar enkele malen zelf bij was geweest;

- dat het dan ging over financiële aangelegenheden, zoals de constructie over de 17,5 miljoen gulden;

- dat zijn bron vertelde dat Hammerstein die constructie had bedacht en dat Hammerstein wist dat dat geldbedrag van [betrokkene 1] was;

- dat Hammerstein volgens zijn bron al enige tijd contact had met [betrokkene 1], maar dat hij, De Haas, niet precies weet vanaf wanneer;

- dat zijn bron deze informatie in de loop van de tijd heeft gegeven;

- dat hij op een gegeven moment aan zijn bron heeft gevraagd of hij als informant optrad of contacten had met de CID;

- dat zijn bron dat ten stelligste ontkende;

- dat Van den Heuvel en hij beschikten over ondersteunende bronnen waaronder de schriftelijke verklaringen van [getuige 1] tegenover de FIOD;

- dat deze verklaringen onderdeel van het strafdossier vormden, dat hij heeft ingezien en enkele uren ter be-schikking heeft gehad;

- dat hij daar gedeelten uit heeft overgeschreven;

- dat hij destijds ook het Octopus-rapport heeft gelezen;

- dat in dat rapport de naam van Hammerstein niet voorkwam;

- dat hij van advocaten begreep dat de reputatie van Ham-merstein volgens hen niet goed was en dat van Hammerstein bekend was dat hij omging met types als [betrokkene 1] en dus dubieuze cliënten had;

- dat hij daarmee niet wil zeggen dat de naam [betrokkene 1] in zijn gesprekken met die advocaten is genoemd.

[getuige 1], belastingadviseur:

- dat hij in 1994 is aangehouden en toen ongeveer 40 dagen in voorarrest heeft gezeten;

- dat hij na zijn vrijlating een keer met iemand van De Telegraaf heeft gesproken;

- dat hij toen heeft gezegd dat hij geen contacten met de pers wilde;

- dat hij tijdens zijn voorarrest een aantal verklaringen heeft afgelegd tegenover rechercheurs van de FIOD;

- dat hij nu niets meer weet over de feiten die hij toen heeft verklaard;

- dat hij zich niet meer herinnert of klopt wat hij heeft verklaard in zijn verklaringen vanaf 11 maart 1994, die zijn opgenomen in de memorie van grieven;

- dat hij geen reden heeft om terug te komen op die verkla-ringen;

- dat hij een interview heeft gegeven aan een medewerkster van het weekblad HP/De Tijd en dat dit is gepubliceerd op 20 mei 1994;

- dat daarin staat dat hij heeft gezegd: "die organisatie bestond en er was ook een soort consiglieri-afdeling";

- dat hij dat woord nooit zou gebruiken maar dat het kan zijn dat hij over adviseurs heeft gesproken;

- dat hij de geciteerde woorden niet heeft gezegd;

- dat hij niet weet of er een organisatie bestaat en dat hij dat daarom niet kan hebben gezegd.

F. Teeven, officier van justitie:

- dat hij kan bevestigen dat er in 1994 bij het openbaar ministerie CID-informatie was over Hammerstein;

- dat de strekking van de CID-informatie was dat Hammerstein juridische adviezen gaf aan mensen die tot de Octopus-organisatie behoorden of daarmee gelieerd waren;

- dat het niet zo is dat er rechtstreekse informatie was om welke mensen uit de Octopus-organisatie het ging;

- dat hij daarmee bedoelt dat er aan de ene kant bronnen waren die verklaarden dat Hammerstein juridische adviezen gaf aan leden van de Octopus-organisatie en aan de andere kant dat met name genoemde leden van die organisatie, te weten onder andere [betrokkene 3] en ook Van der Goen en [getuige 1], juridische adviezen inwonnen en kregen;

- dat hij zich er in het kader van zijn bronbescherming niet over wil uitlaten of het om meerdere personen ging of dat er één informant was;

- dat door de CID-informant(en) niet in één adem zowel de naam van Hammerstein als de naam van [betrokkene 1] is genoemd;

- dat er bij de Amsterdamse CID nooit informatie is geweest in die zin dat [betrokkene 1] rechtstreeks juridische adviezen kreeg van Hammerstein;

- dat de informatie over Hammerstein kwam van nu betrouwbaar geachte bronnen;

- dat hij niet weet wie de bron uit justitiekringen is waarmee Van den Heuvel contact heeft gehad;

- dat hij in de loop van het onderzoek zelf contact heeft gehad met Van den Heuvel en De Haas over de achtergronden van het onderzoek;

- dat hij ook met andere journalisten contact heeft gehad;

- dat hij met hen niet heeft gesproken over zijn verdenkingen jegens Hammerstein als het gaat om zijn rol in de Octopus-organisatie;

- dat het FIOD onderzoeksteam in het algemeen niet bekend is met de CID-informatie als dit niet bij het proces-verbaal wordt uitgegeven;

- dat dat in dit geval niet is gebeurd;

- dat hij Hammerstein er wel van heeft verdacht dat hij contacten heeft gehad met [betrokkene 1], met name op grond van de verkla-ring van [getuige 1], maar dat aan Hammerstein niet ten laste is gelegd dat hij deelnam aan een criminele organisatie, hetgeen betekent dat zij daar destijds ook geen bewijzen van hadden;

- dat [betrokkene 1] later, eind 1995, is aangehouden en dat toen in zijn organizer een groot aantal advocaten met tele-foonnummers is aangetroffen, onder wie Hammerstein met zijn voornaam;

- dat er over [betrokkene 2] een verdenking heeft bestaan dat hij deel uitmaakte van de Octopus-organisatie;

- dat [betrokkene 2] daarvan terecht werd verdacht maar dat het niet tot een vervolging is gekomen.

3.2. Daarnaast heeft De Telegraaf de volgende bewijsstukken overgelegd:

- de memorie van grieven van De Telegraaf met daarin geci-teerd de in het FIOD-dossier opgenomen verklaringen die [getuige 1] in 1994 heeft afgelegd

- een verklaring van een journaliste van HP/De Tijd, waarin deze heeft verklaard dat [getuige 1] het in zijn getuigenverklaring genoemde artikel destijds voor verschij-ning heeft gezien en goedgekeurd

- een print van de organizer van [betrokkene 1], waarin de voornaam en telefoonnummers van Hammerstein voorkomen

- delen van het proces-verbaal uit het onderzoek naar de aanslag op Rob Scholte

- de uitspraak van het Hof van Discipline van 12 januari 1998 op de klachten van Hammerstein tegen zijn voormalige kantoor.

4.1. Hammerstein c.s. hebben in contra-enquête twee getuigen doen horen, onder wie Hammerstein als partijgetuige. Deze getuigen hebben, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:

G. Spong:

- dat hij de advocaat van Hammerstein is geweest in diens strafzaak;

- dat hij in die hoedanigheid beschikte over diens complete strafdossier;

- dat hem uit dat dossier niets is gebleken van de beschul-digingen die in de publicaties van 3 oktober, 5 november en 22 december 1994 zijn geuit;

- dat hij verder uit eigen wetenschap niets over die be-schuldigingen kan verklaren;

- dat hij ongeveer vier keer in de periode waarin Hammerstein in voorarrest zat, is gebeld door de jounalist De Haas van De Telegraaf;

- dat hij zich in die gesprekken terughoudend heeft opge-steld;

- dat hij zich niet herinnert dat De Haas hem op enig moment heeft voorgelegd wat hij wilde publiceren en heeft ge-vraagd om commentaar daarop;

- dat hem destijds niet bekend was dat er CID-informatie over Hammerstein zou zijn;

- dat hij het vreemd vindt dat, als die informatie er was, dit niet is terug te vinden in het strafdossier;

- dat de officier van justitie volgens hem verplicht is om melding te maken van CID-informatie als die er in een strafzaak is;

- dat Hammerstein steeds met nadruk tegen hem, Spong, heeft gezegd dat hij niets met de Octopus-organisatie te maken had en niet als adviseur van die organisatie is opgetreden.

Hammerstein:

- dat de beschuldiging die uit de publicaties van De Tele-graaf van 3 oktober, 5 november en 22 december 1994 naar voren komt, beslist onjuist is;

- dat hij [betrokkene 1] of andere betrokkenen bij de Octopus-organisatie niet van enig advies heeft voorzien;

- dat hij Guptar als cliënt heeft gehad, wiens zaak hij overgenomen heeft van Van der Goen, en dat hij in dat verband heeft kennis gemaakt met [betrokkene 3] als financieel adviseur van Guptar;

- dat hij daarover uitgebreid heeft verklaard tegenover de FIOD en de rechter-commissaris;

- dat hij blijft bij die verklaringen, die bij akte van 18 september 1996 in het geding zijn gebracht;

- dat verder [betrokkene 2] al sinds 1983 of daaromtrent een cliënt van hem was;

- dat hij met [getuige 1] vele jaren een zakelijk relatie heeft gehad en dat deze hem na diens aanhouding heeft ge-vraagd om als zijn advocaat op te treden;

- dat hij de naam van [betrokkene 1] voor het eerst heeft gehoord uit publicaties van De Telegraaf;

- dat datzelfde geldt voor de benaming Octopus-organisatie;

- dat hij na de publicatie van 3 oktober 1994 een keer is gebeld door De Haas;

- dat hij De Haas toen heeft verwezen naar de brief die hij naar aanleiding van die publicatie aan De Telegraaf heeft gestuurd en waarin hij De Telegraaf aansprakelijk heeft gesteld;

- dat hij De Haas verder heeft gezegd dat hij geen behoefte had om met hem te spreken, en hem heeft doorverwezen naar mr. Spong en mr. Goudswaard;

- dat hij verder geen contact heeft gehad met De Haas en Van den Heuvel in die periode;

- dat hij niets weet over de door Van den Heuvel en Teeven genoemde CID-informatie;

- dat hij in ieder geval [betrokkene 3] noch [betrokkene 1] ooit heeft geadviseerd;

- dat hij na zijn strafzaak nog wel regelmatig met Teeven heeft gesproken, maar niet met zoveel woorden over die CID-informatie;

- dat hij wel van Teeven heeft begrepen dat deze er inmiddels van overtuigd is dat hij, Hammerstein, niet meer heeft geweten of gedaan dan wat uit zijn strafzaak naar voren is gekomen;

- dat hij ook van Teeven heeft begrepen dat de CID-informa-tie in zijn strafzaak inhield dat hij onder andere was opgetreden voor [betrokkene 2];

- dat hij die niet ziet als lid van de Octopus-organisatie;

- dat hij [betrokkene 1] nooit heeft ontmoet, ook niet in het Okura Hotel;

- dat hij [betrokkene 3] als financieel adviseur van Guptar wel een paar keer heeft ontmoet maar dat dat nooit in het Okura Hotel is geweest.

4.2. Daarnaast hebben Hammerstein c.s. de uitspraak van de Raad van Discipline van 2 december 1996 in de eerdergenoemde klachtzaak overgelegd.

5.1.1. Uit de verklaringen van de journalisten Van den Heuvel en De Haas blijkt dat zij hun beschuldigingen dat Hammerstein de top van de Octopus-organisatie, met name [betrokkene 3], [betrokkene 1] en [betrokkene 2], adviseerde, hebben verkregen van een anonieme bron binnen justitie en een anonieme bron uit de onderwereld. Zij wensen deze bronnen niet bekend te maken. De verwijzing naar zegslieden die onbekend wensen te blijven, is voor het onderhavige bewijs echter niet voldoende, ook niet indien, zoals de journalisten hebben verklaard, deze bronnen betrouwbaar zijn. Ditzelfde geldt voor de verklaring van offi-cier van justitie Teeven dat volgens diens eveneens anoniem gebleven bron(nen) Hammerstein leden van de Octopus-organisatie adviseerde.

5.1.2. Indien wordt verwezen naar zegslieden die (overeenkomstig hun wens) onbekend zijn gebleven, zijn andere bewijzen nodig die de beschuldigingen ten minste plausibel maken. Zowel de journalisten als de officier van justitie verwij-en in dat verband naar de in het FIOD-rapport opgenomen en in de memorie van grieven geciteerde verklaringen van [getuige 1]. In deze verklaringen komt echter wel tot uitdrukking dat Hammerstein leden van de Octopus-organisatie heeft geadviseerd ten aanzien van het ter beschikking krijgen van het bedrag van 17,5 miljoen gulden zwart geld, maar niet dat hij de Octopus-organisatie en/of individuele leden daarvan ook in andere kwesties, al dan niet volgens vaste afspraak, van zijn juridische adviezen placht te voorzien, zoals de strekking is van de onderhavige artikelen in De Telegraaf en van de bewijsopdracht. De verklaringen van de journalisten en de officier van justitie kunnen derhalve in zoverre niet bijdragen tot het te leveren bewijs.

5.1.3. Dat geldt ook, voor zover De Haas en de officier van justitie hebben verklaard dat Hammerstein volgens hun bronnen [betrokkene 2] adviseerde, ook al moet uit de verklaring van Hammerstein worden afgeleid dat hij inderdaad [betrokkene 2] heeft geadviseerd en zijn adviezen aan [betrokkene 2] andere kwesties betroffen dan de adviezen met betrekking tot het wegsluizen van de 17,5 miljoen gulden zwart geld. Dat die andersoortige adviezen problemen betroffen, waarvoor de criminele organisatie waarvan [betrokkene 2] beweerdelijk deel uitmaakte, zich gesteld zag, mag echter - nu uit de verklaring van Hammerstein eveneens volgt dat hij zulks ontkent - niet zonder nader bewijs, dat ontbreekt, worden aangenomen. Bovendien is de enkele verklaring van de officier van justitie dat [betrokkene 2] terecht van deelname aan die organisatie werd verdacht, onvoldoende bewijs voor de aanname dat [betrokkene 2] lid was van die organisatie.

5.1.4. Uit de verklaringen van de journalisten en de officier van justitie kan het verlangde bewijs dus niet worden geput.

5.2. De verklaring van [getuige 1] draagt aan het bewijs niets bij, ook al verdient hij geen geloof voor zover hij daarin afstand neemt van zijn eerdere, tegenover de FIOD afgelegde verklarin-gen en de weer-gave in HP/De Tijd van zijn interview met dat blad. Die verklaringen zijn immers, zoals hiervoor onder 5.1.2 is overwogen, onvoldoende voor het bewijs. De enkele medede-ling van [getuige 1] aan HP/De Tijd dat er een "con-siglieri-afdeling" was, brengt nog niet mee dat Hammerstein tot die afdeling behoorde.

5.3. Ook de overige door De Telegraaf overgelegde bewijsstuk-ken dragen niet of onvoldoende bij aan het bewijs. Niet, voor zover het gaat om delen van het proces-verbaal uit het onderzoek naar de aanslag op Rob Scholte en de uitspraak van het Hof van Discipline, en onvoldoende, voor zover het gaat om de gegevens uit de organizer van [betrokkene 1] en het bij Hammer-stein gevonden document met een vingerafdruk van [betrokkene 1]. Omtrent beide laatstgenoemde feiten blijft de recht-bank bij hetgeen zij in het tussenvonnis onder rechtsoverweging 14.12 heeft overwogen. Daartegenover staan bovendien de verklaringen van Hammerstein en Spong.

5.4. Het verlangde bewijs dat de in de voormelde publicaties vervatte beschuldiging dat Hammerstein een criminele organisatie en/of individuele leden daarvan (inclusief [betrokkene 1]) van juridische adviezen placht te voorzien, voldoende steun vindt in de feiten, is derhalve niet geleverd.

6. Nu ook niet is gebleken dat deze beschuldiging rechtvaardi-ging kan vinden in nadien gebleken feiten en/of omstandigheden, staat vast dat Hammerstein door deze publicaties in zijn eer en goede naam is aangetast. Gelet op de ernst van de ongefundeerd gebleken, maar toch publiek gemaakte beschuldiging dient het belang van Hammerstein niet aan dergelijke publicaties in de pers te worden blootgesteld, te prevaleren boven het belang van De Telegraaf haar taak te kunnen vervullen om het publiek te informeren en het publiek te waarschuwen voor misstanden. Deze publicaties zijn derhalve onrechtmatig jegens Hammerstein. Daarmee kan in het midden blijven of de wijze van inkleding van de hier besproken, ongefundeerd geoordeelde publicaties jegens hem eveneens onrechtmatig is.

7.1. Wel dient in dat verband nog te worden onderzocht of de omstan-digheid dat voormelde publicaties onrechtmatig zijn, meebrengt dat de reeks van publicaties als geheel door de wijze van inkleding jegens Hammerstein als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

7.2. Die vraag wordt ontkennend beantwoord. De gewraakte 15 artikelen zijn immers van maart 1994 tot en met juni 1995, derhalve in een periode van 16 maanden, gepubliceerd. In die periode zijn telkens te onderscheiden, voor Hammerstein belas-tende mededelingen gedaan: eerst met betrekking tot zijn arres-tatie en de bestaande verdenking, daarna die met betrekking tot de verdenking dat hij het brein was achter het wegsluizen van met drugshandel verdiend geld, vervolgens die met betrekking tot de verdenking van zijn deelname aan een groot hasj-syndicaat, daarna die met betrekking tot zijn beweerde betrokkenheid bij de criminele Octopus-organisatie alsmede zijn beweerdelijk vaste adviseurschap van die organisatie en van [betrokkene 1] en ten slotte die met betrekking tot de behandeling van zijn strafzaak voor de rechtbank en het hof. Deze mededelingen zijn behoudens de hiervoor vermelde drie publicaties niet onrechtmatig geoordeeld en in het licht hiervan komt aan de ongefundeerd gebleken, maar toch gepubliceerde mededelingen niet een zodanig gewicht toe dat de gefundeerd geoordeelde publicaties daarbij in het niet vallen of daarbij in een ander daglicht komen te staan.

7.3. De omstandigheid dat De Telegraaf naar het oordeel van de rechtbank en het hof tevens bij haar artikelen onrechtmatig een foto van het woonhuis van Hammerstein en een foto waarop hijzelf is afgebeeld, heeft gepubliceerd, maakt het voorgaande niet anders.

8. Tezamen met hetgeen verder in het tussenvonnis reeds is overwogen, betekent het voorgaande dat toewijsbaar is de ge-vorderde verklaring voor recht dat De Telegraaf jegens Hammer-stein onrechtmatig heeft gehandeld door de publicatie van de artikelen op 3 oktober, 5 november en 22 december 1994 en de publicatie van de foto's op 18 en 25 maart 1994.

9. Gelet op de ernst van de publicatie van de ongefundeerd gebleken beschuldiging en de ernstige inbreuk die met de foto's op de persoonlijke levenssfeer van Hammerstein is gemaakt, vormt artikel 10 lid 2 EVRM geen belem-mering om De Telegraaf wegens haar onrechtmatig handelen aansprakelijk te stellen voor de als gevolg hiervan door Hammerstein en Legal Lancelot - het hof heeft onder rechtsoverweging 5.32 van zijn arrest overwogen dat voor zover het de gevorderde materiële schade betreft Hammerstein en Legal Lancelot zijn te vereenzelvigen - geleden schade.

10. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, in onderling ver-band en samenhang bezien, acht de rechtbank een bedrag van ¦ 15.000,-- voor door Hammerstein geleden immateriële schade toe-wijsbaar, waarvan ¦ 10.000,-- voor de onrechtmatige publicatie van de artikelen en ¦ 5.000,-- voor de onrechtmatige publicatie van de foto's. Als niet weersproken is daarover de wettelijke rente toewijsbaar vanaf de dag der dagvaarding, 14 december 1995.

-11.1. Aan de vordering tot vergoeding van materiële schade hebben Hammerstein c.s. ten grondslag gelegd dat Hammerstein door de onrechtmatige publicaties zijn positie bij zijn voormalige kantoor heeft verloren en in zijn verdiencapaciteit is aange-tast. De Telegraaf heeft betwist dat Hammerstein c.s. enige materiële schade door haar publicaties hebben geleden.

11.2. De rechtbank acht het causaal verband tussen het verlies van de positie van Hammerstein bij zijn kantoor en de hiervoor onder rechtsoverweging 8 vermelde onrechtmatige publicaties onvoldoende aanwezig. Op grond van de uitspraken van de Raad en het Hof van Discipline moet immers worden aangenomen dat aan dat verlies in de eerste plaats zijn aanhouding als verdachte in het strafrechtelijk onderzoek door de FIOD tegen een van zijn cliënten ten grondslag heeft gelegen. Evenmin is aannemelijk dat de onrechtmatige publicatie van de foto's heeft geleid tot enig verlies van inkomen aan de zijde van Hammerstein. Anders is dit het geval met de onrechtmatige publicatie van de artikelen: in zoverre is wel aannemelijk dat deze verlies van inkomen aan de zijde van Hammerstein c.s. tot gevolg zullen hebben gehad. De rechtbank zal de schade in deze procedure zelf vaststellen en Hammerstein c.s. thans in de gelegenheid stellen zich bij akte over (de omvang van) deze schade nader uit te laten. Daarop zal De Telegraaf vervolgens - eveneens bij akte - mogen reageren.

12. De vordering tot betaling van een bedrag van ¦ 60.000,-- als vergoeding van kosten van juridische bijstand moet worden afgewezen, nu Hammerstein c.s. deze vordering tegenover de betwisting door De Telegraaf op geen enkele wijze hebben toegelicht.

B E S L I S S I N G :

De rechtbank:

- verklaart voor recht dat De Telegraaf jegens Hammerstein on-rechtmatig heeft gehandeld door de publicatie van de artike-len op 3 oktober, 5 november en 22 decem-ber 1994 en de pu-blicatie van de foto's op 18 en 25 maart 1994;

- veroordeelt De Telegraaf tot betaling aan Hammerstein van een bedrag van ¦ 15.000,-- (VIJFTIENDUIZEND GULDEN) als vergoeding voor door hem geleden immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 december 1995 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- verwijst de zaak naar de rol van de tweede enkelvoudige kamer van 19 juli 2000 voor het nemen van een akte aan de zijde van Hammerstein c.s., zoals hiervoor onder rechts-overweging 11.2 bedoeld;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Gewezen door mr. D.J. Cohen Tervaert, lid van ge-noemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

7 J U N I 2 0 0 0 , in tegenwoordigheid van de griffier.