Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA5666

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/1967 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak

reg.nr: 98/1967 BESLU

inzake: [eiser 1, 2, 3 en 4], wonende te [woonplaats], eisers,

tegen: de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, verweerder.

I. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT

Besluit van verweerder van 2 maart 1998,

kenmerk: FJZ/BZC-97/875OU.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 15 september 1997 heeft verweerder eisers verzoek om het Mariapaviljoen en het Annapaviljoen, gelegen te Amsterdam aan het Oosterpark 9 respectievelijk aan het 's-Gravenlandeplein 118, aan te wijzen als beschermd monument als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Monumentenwet 1988 (hierna: Mw 1988) afgewezen.

Het beroep richt zich tegen het bestreden besluit waarbij verweerder de bezwaren, gericht tegen het primaire besluit van 15 september 1997, ongegrond heeft verklaard en dat besluit heeft gehandhaafd.

Eisers hebben in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en op een ondeugdelijke motivering berust.

Verweerder heeft het standpunt van eisers in het verweerschrift gemotiveerd bestreden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Bij besluit van 17 december 1998 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer aan de Stichting Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (hierna: het OLVG) krachtens artikel 11 van de Mw 1988 vergunning verleend ten behoeve van de sloop van het Anna- en het Mariapaviljoen.

In artikel 5 van de Mw 1988 is bepaald dat met ingang van de datum waarop de mededeling heeft plaatsgevonden dat door de minister in het kader van de aanwijzing als beschermd monument om advies is gevraagd, tot het moment dat inschrijving in het register, bedoeld in artikel 6 of artikel 7, plaatsvindt dan wel vaststaat dat het monument niet wordt ingeschreven in een van die registers, de artikelen 11 tot en met 33 van overeenkomstige toepassing zijn.

Ingevolge het bepaalde in artikel 16, zevende lid, van de Mw 1988 wordt de werking van het besluit van 17 december 1998 opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. De vergunninghouder kan de president van de rechtbank verzoeken de opschorting op te heffen.

Na de indiening van een daartoe strekkend verzoek door het OLVG heeft de president van de rechtbank alhier bij uitspraak van 4 juni 1999 de opschorting als bedoeld in artikel 16, zevende lid, van de Mw 1988 opgeheven (reg. nr. AWB 99/3540).

Vast staat dat thans het Anna- en het Mariapaviljoen nagenoeg zijn gesloopt. Voorts zijn bij besluiten van 7 september 1999 en 12 januari 2000 aan het OLVG bouwvergunningen verleend voor de bouw van een kapel/pastorie en een parkeergarage op het terrein van het Anna- en het Mariapaviljoen.

Eisers hebben desgevraagd gesteld dat zij nog belang hebben bij een uitspraak in onderhavige zaak. Eisers hebben aangevoerd dat het belang is gelegen in de beoordeling van de handelwijze door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, alsmede dat zij een financieel belang hebben; de terugbetaling van het griffierecht.

De rechtbank is van oordeel dat door de sloop van het Anna- en het Mariapaviljoen sprake is van een onomkeerbare situatie. De eventuele rijksmonumentale waarde van het Anna- en het Mariapaviljoen is met de sloop van deze gebouwen definitief verdwenen.

De rechtbank stelt vast dat eisers hebben nagelaten om na de uitspraak van de president van 4 juni 1999 een verzoek om versnelde behandeling te doen als bedoeld in artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zodoende hebben eisers een wettelijke mogelijkheid tot een eventuele eerdere behandeling van hun beroep laten liggen.

De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van de handelwijze van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg geen processueel belang aan de zijde van eisers met zich brengt. Deze beoordeling kan niet meer leiden tot een reële bescherming van voornoemde gebouwen. Voorts levert het gegeven, dat een inhoudelijke beoordeling van het beroep kan leiden tot vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht, op zich geen belang op dat het doen van een uitspraak ten gronde rechtvaardigt.

Op grond van voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eisers geen processueel belang meer hebben bij een uitspraak in onderhavige zaak en verklaart zij het beroep deswege niet-ontvankelijk.

Voor toepassing van het gestelde in artikel 8:74, tweede lid, of artikel 8:75 van de Awb acht de rechtbank geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep van eisers niet-ontvankelijk.

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Gewezen door mr. A.W.P. Letschert, voorzitter, en mrs. M.A. Broekhuis en M.F.J.M. de Werd, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. van de Ven, griffier,

en uitgesproken door de voorzitter in het openbaar op 16 februari 2000.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Coll:

D: B