Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA5271

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2000
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
97/13990 AW 27 en 98/10960 AW 27
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, geldigheid: 2000-02-02
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel II-D3, geldigheid: 2000-02-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

UITSPRAAK

reg.nr. : 97/13990 AW 27 en 98/10960 AW 27

Inzake : A, wonende te B, eiseres,

tegen : het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum,

verweerder 1, en de raad van de gemeente Hilversum, verweerder 2.

1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUITEN

1. Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum van 28 oktober 1997 (besluit 1), verzonden op 13 november 1997;

2. Besluit van de raad van de gemeente Hilversum van 11 november 1998 (besluit 2), verzonden op 19 november 1998,

kenmerk: OCW.159.0.

2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van verweerder 1 van 24 april 1997 is eiseres met ingang van 29 april 1997 in haar functie van directeur van de openbare basisschool Y te Z geschorst voor een periode van drie maanden. Bij besluit van 30 juni 1997 heeft verweerder 1 de schorsing van eiseres met drie maanden verlengd.

Namens eiseres heeft mr. C.A.W.M. Fiscalini, advocaat te Utrecht, tegen deze besluiten bij brieven van 15 mei en 8 juli 1997 bezwaarschriften ingediend.

Bij besluit van 26 juni 1997 heeft verweerder 1 het bezwaarschrift van eiseres van 15 mei 1997 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eiseres op 2 juli 1997 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 4 augustus 1997, registratienummer AWB 97/6821 AW, heeft deze rechtbank dit beroep kennelijk gegrond verklaard, verweerders besluit van 26 juni 1997 vernietigd en bepaald dat verweerder 1 een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaarschrift van eiseres van 15 mei 1997.

Bij het bestreden besluit 1 van 28 oktober 1997 heeft verweerder 1 de bezwaarschriften van eiseres van 15 mei en 8 juli 1997 gegrond verklaard en de bestreden besluiten ingetrokken.

Namens eiseres heeft mr. Fiscalini, voornoemd, op 23 december 1997 tegen besluit 1 beroep ingesteld.

Verweerder 1 heeft op 16 maart 1998 de op de zaak met het registratienummer 97/13990 AW 27 betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 30 maart 1998 heeft verweerder 2 eiseres met ingang van 1 augustus 1998 om redenen van gewichtige aard eervol ontslag verleend uit haar betrekking van directeur van de openbare basisschool Y

Bij brief van 7 mei 1998 heeft mr. Fiscalini, voornoemd, namens eiseres een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit 2 van 11 november 1998 heeft verweerder 2 dit bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit 2 gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft mr. Fiscalini, voornoemd, bij brief van 28 december 1998 beroep ingesteld.

Op 1 april 1999 heeft mr. H. Kroon, advocaat te Hilversum, namens verweerder 2 de op de zaak met het registratienummer 98/10960 AW 27 betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank van 25 november 1999, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Fiscalini, voornoemd. Namens verweerders is verschenen mr. Kroon, voornoemd.

3. MOTIVERING

Beoordeeld dient te worden of de bestreden besluiten in rechte kunnen standhouden. De rechtbank gaat bij de beantwoording van deze vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Feiten

Eiseres is in augustus 1991 benoemd tot directeur van de toenmalige openbare basisschool X te Z. In 1994 is eiseres tevens benoemd tot directeur van de W-school te Z. De raad van de gemeente Hilversum heeft op 12 april 1995 besloten tot een fusie van de X-, W- en V-school per 1 augustus 1995. Bij hetzelfde raadsbesluit is eiseres tot directeur van de gefuseerde openbare basisschool Y (hierna: de school) benoemd.

Bij brieven van januari, februari en maart 1997 hebben verschillende ouders van leerlingen van de school, locatie […]laan, aan verweerder 1 medegedeeld dat er veel spanningen zijn binnen de school. Een aantal ouders heeft kritiek op eiseres en heeft daarom de kinderen van school afgehaald. Op 18 februari 1997 heeft een teamlid zich tegenover verweerder 1 negatief uitgelaten over de directie van de school en voor het volgende schooljaar overplaatsing aangevraagd. In genoemde periode zijn door verweerder 1 gesprekken met eiseres gevoerd naar aanleiding van evenbedoelde klachten. Verschillende ouders hebben echter ook steunbetuigingen gegeven en bij brief van 18 maart 1997 hebben elf leerkrachten van de school hun steun betuigd aan de directie. In verband met de klachten en het sedert het aantreden van eiseres gedaald leerlingenaantal, heeft verweerder 1 eiseres op 24 maart 1997 medegedeeld voornemens te zijn haar op grond van artikel II-B3, eerste lid, onder b., van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO) tijdelijk te schorsen ten einde een onderzoek te kunnen instellen naar het functioneren van eiseres.

Bij brief van 26 maart 1997 is namens eiseres bezwaar gemaakt tegen het voornemen tot schorsing. Bij besluit van 1 april 1997 heeft verweerder 1 aan eiseres medegedeeld haar bij wijze van voorlopige maatregel met onmiddellijke ingang te schorsen voor een periode van een week, welke periode is verlengd met een periode van drie weken conform het bepaalde in artikel II-B3, eerste lid, sub b, van het RpbO, waarmee haar de toegang tot de school ontzegd blijft. Niet is gebleken dat tegen dit besluit rechtsmiddelen zijn aangewend.

Bij besluit van 24 april 1997 is eiseres met ingang van 29 april 1997 geschorst voor drie maanden, conform het bepaalde in artikel II-B3, eerste lid, sub a van het RpbO. Tegen dit besluit is door mr. Fiscalini, voornoemd, namens eiseres op 15 mei 1997 een bezwaarschrift bij verweerder 1 en op 26 mei 1997 een verzoek om een voorlopige voorziening bij de president van deze rechtbank ingediend.

Op 10 juni 1997 heeft verweerder 1 medegedeeld een onafhankelijke externe adviseur een onderzoek te laten instellen naar de factoren en de omstandigheden die het conflict tussen eiseres en een deel van het personeel hebben veroorzaakt. Dit onderzoek is uitgevoerd door de heer V van V-Adviesbureau.

Bij besluit van 26 juni 1997 heeft verweerder 1 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is namens eiseres op 2 juli 1997 beroep ingesteld.

Bij besluit van 30 juni 1997 heeft verweerder 1 de schorsing van eiseres voor de duur van drie maanden verlengd. Namens eiseres is ook ter zake van dit besluit op 9 juli 1997 bij de president van deze rechtbank om een voorlopige voorziening verzocht, nadat op 8 juli 1997 een bezwaarschrift bij verweerder 1 was ingediend.

Op 24 juli 1997 heeft V-Adviesbureau het concept-rapport met betrekking tot het onderzoek binnen de school aan verweerder 1 doen toekomen.

Bij uitspraak van 25 juli 1997, met registratienummers AWB 97/5435 AW en AWB 97/7199 AW heeft de president van deze rechtbank verweerders besluiten van 24 april 1997 en 30 juni 1997 geschorst.

Bij uitspraak van 4 augustus 1997, met registratienummer AWB 97/6821 AW, heeft deze rechtbank het beroep van eiseres van 2 juli 1997 kennelijk gegrond verklaard, verweerders besluit van 26 juni 1997 vernietigd en bepaald dat verweerder 1 binnen acht weken na deze uitspraak een nieuw besluit diende te nemen op het bezwaarschrift van eiseres van 15 mei 1997.

In de plaatselijke dagbladen zijn berichten verschenen, waarin genoemde uitspraak en de daaruit voortvloeiende gevolgen door c.q. namens verweerder 1 zijn belicht. Omtrent het verschijnen van deze krantenberichten heeft tussen de raadslieden van partijen een uitvoerige correspondentie plaatsgevonden. Voorts is op 5 augustus 1997 tussen partijen een gesprek gevoerd met als inzet te bezien onder welke voorwaarden eiseres haar werk zou kunnen hervatten. Bij brief van gelijke datum is namens eiseres gereageerd op het concept-rapport van adviesbureau V. Op 7 augustus 1997 heeft er opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen partijen, waarvan de conclusies zijn verwoord in een verslag van 15 augustus 1997.

In verband met het niet uitvoeren van de uitspraak van 25 juli 1997 heeft de gemachtigde van eiseres zich bij brief van 26 augustus 1997 opnieuw tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 28 augustus 1997 heeft de gemachtigde van eiseres aan verweerders gemachtigde medegedeeld dat zijn cliënte niet bereid is onderhandelingen aan te gaan die gericht zijn op beëindiging van het dienstverband. Zij geeft de voorkeur aan het voortzetten van de bezwaarschriftprocedures.

Uit correspondentie tussen partijen, waaronder de brief van verweerders gemachtigde van 15 september 1997, blijkt vervolgens dat verweerder 1 de uitspraak van 25 juli 1997 volledig eerbiedigt en het recht op terugkeer wordt erkend, maar dat eiseres wordt opgedragen om nadat zij van haar ziekte is hersteld contact op te nemen met de betrokken wethouder ten einde de praktische consequenties van de uitspraak van 4 augustus 1997 zo verantwoord mogelijk in te vullen.

Op 16, 17 en 22 september 1997 heeft de adviescommissie ad-hoc hoorzittingen gehouden ter zake van de door eiseres op 15 mei en 8 juli 1997 ingediende bezwaarschriften.

Eiseres heeft zich op 22 september 1997 beter gemeld en verzocht om een gesprek met de wethouder van onderwijs van de gemeente Hilversum.

Bij uitspraak van 3 oktober 1997, met registratienummer AWB 97/9684 AW, heeft de president van deze rechtbank het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening van 26 augustus 1997 afgewezen.

Verweerder 1 heeft eiseres op 9 oktober 1997 uitgenodigd voor een gesprek te verschijnen. Omdat eiseres graag in aanwezigheid van haar raadsman wilde komen zou naar een andere datum worden gezocht.

Bij brief van 10 oktober 1997 heeft de gemachtigde van eiseres gewezen op het feit dat hij had gevraagd om een agenda voorafgaand aan het gesprek. Daarbij heeft eiseres gesteld dat werkhervatting gepaard dient te gaan met rehabilitatie en dat er wellicht een mediator ingeschakeld zou kunnen worden. Voorgesteld is om op 13 of 14 oktober 1997 overleg te voeren en anders schriftelijk dan wel telefonisch op een andere datum.

Op 14 oktober 1997 heeft de commissie ad-hoc geadviseerd de bezwaarschriften van 15 mei en 8 juli 1997 gegrond te verklaren en de bestreden besluiten in te trekken. Medegedeeld is dat niet gebleken is van een aan het besluit voorafgaand zeer zorgvuldig onderzoek naar de feitelijke situatie en de betrokken belangen.

Op 15 oktober 1997 is namens verweerder 1 medegedeeld dat hij had willen bespreken dat hij voornemens is een extern adviseur opdracht te verstrekken om binnen een termijn van maximaal vier weken schriftelijk advies uit te brengen op welke termijn en onder welke voorwaarden terugkeer van eiseres in haar functie mogelijk is. De vraag of een en ander gepaard dient te gaan met voorafgaande rehabilitatie van eiseres zou wellicht een rol kunnen spelen in het kader van het formuleren van de voorwaarden rond de terugkeer, welke door de adviseur dient te worden geformuleerd.

Bij het bestreden besluit 1 van 28 oktober 1997, verzonden op 13 november 1997 heeft verweerder 1 het advies van de commissie ad-hoc overgenomen en de bestreden primaire besluiten ingetrokken. Om de realiteitswaarde van een eventuele terugkeer te onderzoeken heeft verweerder 1 medegedeeld voornemens te zijn om een onderzoeksbureau opdracht te geven een onderzoek in te stellen. Gesteld is dat de verhoudingen tussen eiseres en het bevoegd gezag en tussen eiseres en het team en de ouders dusdanig zijn verstoord dat terugkeer nauwelijks tot de mogelijkheden behoort. Voorgesteld is gezamenlijk overleg te voeren teneinde te komen tot een keuze voor een onderzoeksbureau en de formulering van een onderzoeksopdracht.

Vervolgens hebben de gemachtigden van partijen een voortgezette correspondentie gevoerd onder meer over de voorwaarden voor een nader overleg. Tot overleg is het niet gekomen. Er bestond met name verschil van mening of verweerder 1 zich eerst bereid zou moeten verklaren eiseres te rehabiliteren.

Op 6 december 1997 heeft V-Adviesbureau de eindrapportage uitgebracht van het onderzoek naar de factoren en de omstandigheden die het conflict tussen eiseres en een deel van het personeel hebben uitgelokt.

Bij besluit van 3 maart 1998 heeft verweerder 2 medegedeeld voornemens te zijn het dienstverband met eiseres met ingang van 1 augustus 1998 te beëindigen. Eiseres is in de gelegenheid gesteld binnen drie weken haar zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen. Bij brief van 23 maart 1998 heeft eiseres haar zienswijze gegeven.

Bij besluit van 30 maart 1998 heeft verweerder 2 eiseres met ingang van 1 augustus 1998 eervol ontslag verleend. Gesteld is dat er sprake is van kennelijke onverenigbaarheid van karakters en visie op de werkrelatie, welke redenen opleveren van gewichtige aard als bedoeld in artikel II-D3, tweede lid, onder f., RpbO. Volgens verweerder 2 is vanaf de uitspraak van de President van de rechtbank van 25 juli 1997 getracht om met eiseres en haar raadsman tot overleg te komen over de terugkeer van eiseres, maar zijn partijen daaromtrent niet tot elkaar gekomen omdat eiseres aan iedere vorm van overleg steeds uitdrukkelijke voorwaarden heeft verbonden. Gewezen is voorts op het rapport V. Verweerder 2 heeft in de voorgaande maanden in toenemende mate wantrouwen en verscherping van standpunten van de zijde van eiseres ervaren, hetgeen onacceptabel is. Thans is sprake van een onherstelbare situatie, zodanig dat beëindiging van het dienstverband gerechtvaardigd is.

Bij bezwaarschrift van 7 mei 1998, gericht aan het college van burgemeester en wethouders, is namens eiseres aangevoerd dat geen sprake is van de door verweerder 2 genoemde redenen van gewichtige aard. Volgens eiseres is verweerder 2 volledig aansprakelijk voor de schade die de hele kwestie haar heeft berokkend en dient verweerder 2 die schade te vergoeden onder volledige rehabilitatie en herstel van haar goede naam. Het college van burgemeester en wethouders heeft het bezwaarschrift doorgezonden aan de gemeenteraad, die ter zake bevoegd is op het bezwaarschrift te beslissen.

Op 8 september 1998 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Op 28 september 1998 heeft de bezwaarcommissie geadviseerd het bezwaarschrift van eiseres van 7 mei 1998 ongegrond te verklaren en het bestreden besluit te handhaven. Bij het bestreden besluit 2 van 11 november 1998 heeft verweerder 2, conform het advies van de bezwaarcommissie, het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Gesteld is dat er sprake is van gewichtige redenen in dier voege dat sprake is van verstoorde verhoudingen, waarbij het voor verweerder 2 onmogelijk is om op enigerlei wijze vruchtbaar met eiseres samen te werken en waarbij eiseres derhalve niet meer kan functioneren als directeur van de school. Voor toekenning van een financiële compensatie bovenop de wachtgelduitkering heeft verweerder 2 geen aanleiding gezien nu niet is gebleken dat het aan eiseres toe te rekenen aandeel in het bestaan van de situatie van geringere betekenis is dan het aandeel van verweerder 2.

Standpunten van partijen

Namens eiseres is gesteld dat de uitspraak van 25 juli 1997 ertoe had moeten leiden dat eiseres haar werk kon hervatten. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) wilde voorkomen dat eiseres bij aanvang van het schooljaar haar werkzaamheden zou hervatten. Overleg leek van de zijde van het college alleen maar op het tegendeel van het hervatten van haar werkzaamheden gericht te zijn. Dit heeft volgens eiseres geleid tot irritatie, hetgeen bij de gemeenteraad heeft geleid tot het gebruiken van deze irritatie als argument voor ontslag ofwel als bewijs voor de stelling dat de arbeidsverhouding ernstig was verstoord en een breuk in de vertrouwensrelatie was ontstaan. Het is onbegrijpelijk dat de opstelling van het college niet door de president van deze rechtbank in de uitspraak van 3 oktober 1997 is afgekeurd. Ook de interpretatie van de uitspraak van 25 juli 1997 door de president in de uitspraak van 3 oktober 1997, acht eiseres onjuist. Een objectieve beoordeling van de rechtbank over de gevoerde correspondentie tussen beide partijen is van belang.

Op 22 december 1997 wist het college al dat de definitieve versie van het V-rapport gereed en geaccordeerd was, en dat dit rapport gebruikt zou worden om verdere actie tegen eiseres te ondernemen, met als bedoeling haar te ontslaan. V heeft na juli 1997 feitelijk volstaan met het herschrijven van de eerste rapportversie in voor het college gunstiger zin. Bovendien heeft het nadere onderzoek, in overleg met de medezeggenschapsraad, geleid tot een plan van aanpak. Voorts valt bevestiging te lezen van de hiervoor gestelde eenzijdigheid van het onderzoek van V. De onderzoeker vond het in het kader van zijn onderzoek niet nodig om met eiseres te spreken en dit onderzoek ging dus ook niet uit van terugkeer van eiseres. Op het moment van de schorsing waren er geen problemen tussen eiseres en het team en problemen met ouders bestonden er alleen voor een kleine groep op slechts één locatie. De vraag is waarop het oordeel van het rapport over haar functioneren gebaseerd kan zijn.

Dat verstrekkende maatregelen noodzakelijk waren om de problemen het hoofd te bieden is nimmer deugdelijk beargumenteerd door het bestuur, laat staan dat de schorsing van de directeur noodzakelijk onderdeel van dergelijke maatregelen moest uitmaken. Daarom ook kon de schorsing niet gehandhaafd blijven en is het ontslag onvoldoende en onjuist gemotiveerd.

Ten onrechte wordt voorbij gegaan aan hetgeen tussen partijen heeft plaatsgevonden vóór 3 oktober 1997. De geschetste beeldvorming moest eerst ongedaan worden gemaakt alvorens met team en ouders over terugkeer gepraat kon worden. De wens tot rehabilitatie was terecht en logisch.

Ten aanzien van het bestreden besluit 1 is verzocht te bepalen dat het college aan eiseres de materiële en immateriële schade dient te vergoeden. Voorts is verzocht zorg te dragen voor algehele rehabilitatie en is het college verzocht eiseres onverwijld, dan wel binnen korte termijn, haar werkzaamheden te laten hervatten met inachtneming van de uit het onderzoek ter zake van die hervatting komende resultaten. Tevens blijft eiseres van mening dat de gemeenteraad niet het recht had om haar te ontslaan. De oorzaak van de problematiek die thans tot het ontslagbesluit leidde, is geheel aan het college te wijten. De gemeenteraad dient schadevergoeding te betalen en er is alle reden om een financiële tegemoetkoming aan eiseres toe te kennen, die tenminste haar verlies in inkomen als gevolg van het feit dat zij thans slechts een BWOO-uitkering ontvangt moet compenseren. Ook immateriële schade, die eiseres als gevolg van de ontstane situatie heeft geleden en lijdt, dient te worden vergoed.

Verweerder 2 is van oordeel dat afgezien van de schuldvraag dient te worden geconstateerd dat sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding en een onherstelbare breuk in de vertrouwensrelatie tussen partijen, dusdanig dat deze het aan eiseres verleende ontslag rechtvaardigt.

Uit de uitspraak van de president van deze rechtbank van 3 oktober 1997 is gebleken dat hervatting in haar functie niet zonder enig nader overleg mogelijk was. In deze uitspraak ligt het vertrekpunt van de onderhavige procedure besloten. Het college heeft steeds de intentie gehad om samen met eiseres een extern onderzoeksbureau de opdracht te verstrekken randvoorwaarden omtrent een terugkeertraject te formuleren. Het is evenwel in geen enkel opzicht mogelijk gebleken, tengevolge van de steeds wisselende opstelling van eiseres, overeenstemming op dit punt te bereiken. Eiseres heeft vooraf allerlei voorwaarden gesteld en wenste bij niet vervulling van die voorwaarden niet deel te nemen aan welk gesprek dan ook. Het college en niet eiseres diende te bepalen op welke wijze een eerste inhoudelijk gesprek tussen partijen zou plaatsvinden. Het college heeft voor een open gesprek gekozen. Bij brief van 13 november 1997 is wederom medegedeeld dat een serieuze poging zou worden ondernomen om een eventuele terugkeer te onderzoeken. Dit heeft opnieuw niets opgeleverd. Gemachtigde van eiseres heeft eind november 1997 bewust de publiciteit opgezocht. Bij brief van 22 december 1997 heeft het college aangekondigd dat eenzijdig zou worden overgegaan tot het opstellen van een onderzoeksopdracht. Vervolgens is gebleken dat hervatten van de werkzaamheden door eiseres in de verste verte niet mogelijk bleek. Ook de brief van eiseres van 21 januari 1998, gericht aan de gemeenteraad, staat bol van de verwijten. De thans ontstane situatie is mede door eiseres zelf veroorzaakt. Dit wordt temeer duidelijk gemaakt door de zienswijze van eiseres van 23 december 1997. Beëindiging van het dienstverband is niet alleen gerechtvaardigd maar ook strikt noodzakelijk. Voorts bestaat er geen enkele aanleiding tot betaling van schadevergoeding uit hoofde van het aan eiseres verleende ontslag anders dan de reguliere wachtgelduitkering, welke aan eiseres is toegekend.

Overwegingen

De rechtbank overweegt met betrekking tot de schadevergoeding ter zake van de schorsing het volgende.

Ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank onder omstandigheden schadevergoeding toekennen indien zij het beroep gegrond verklaart.

Bij het bestreden besluit van 28 oktober 1997 heeft verweerder de schorsingsbesluiten ingetrokken. Aangezien het beroep van eiseres zich niet richt tegen die intrekking en er ook overigens geen gronden zijn om het intrekkingsbesluit te vernietigen kan het daartegen gerichte beroep niet gegrond verklaard worden. Toepassing van artikel 8:73 Awb is derhalve niet mogelijk. Aangezien het tegen het intrekkingsbesluit gerichte beroep niet kan leiden tot het door eiseres beoogde doel, namelijk de toewijzing van een schadevergoeding, zal de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Ten overvloede merkt de rechtbank op, dat verweerder er voor heeft gekozen in het bestreden besluit geen beslissing te nemen ten aanzien van het door eiseres in haar bezwaarschrift vervatte verzoek om schadevergoeding toe te kennen. Zulks laat echter onverlet de verplichting van verweerder een besluit te nemen met betrekking tot die aanvraag tot schadevergoeding.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het ontslag het volgende.

Op grond van artikel II-D3, tweede lid, onder f., RpbO is verweerder bevoegd een dienstverband te beëindigen op grond van andere dan de onder a. tot en met e. vermelde, met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard.

Onder verwijzing naar bovengenoemde bepaling heeft verweerder eiseres ontslagen op grond van ernstig verstoorde arbeidsverhoudingen en een onherstelbare breuk in de vertrouwensrelaties, waarbij sprake is van kennelijke onverenigbaarheid van karakters en visie op de werkrelatie, welke redenen van gewichtige aard op leveren.

In de eerste plaats moet worden nagegaan of sprake is van verstoorde verhoudingen zoals door verweerder bedoeld, welke redenen van gewichtige aard opleveren in de zin van artikel II-D3, tweede lid, onder f., RpbO.

Uit de gedingstukken komt duidelijk naar voren dat in april 1997 sprake was van ernstige conflicten tussen eiseres enerzijds en sommige ouders en teamleden anderzijds. Dat er conflicten waren wordt door eiseres ook niet ontkend. Wel verschilt zij met verweerder van mening over de vraag wat het aandeel van eiseres in die conflicten is geweest en welke rol verweerder daarbij heeft gespeeld. Met name in de gedetailleerde kritiek van eiseres op het naar aanleiding van de conflicten uitgebrachte rapport van onderzoeksbureau V komt dat verschil van mening tot uitdrukking. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet nodig vast te stellen wat precies het aandeel van eiseres in de conflicten met ouders en teamleden is geweest en welke rol verweerder daarbij heeft gespeeld. Verweerder heeft zich immers niet op het standpunt gesteld dat door de genoemde conflicten tevens een onherstelbare vertrouwensbreuk tussen eiseres en verweerder zou zijn ontstaan. Verweerder heeft na de uitspraak van de president van deze rechtbank van 25 juli 1997, waarbij de schorsingsbesluiten zijn geschorst, getracht met eiseres in overleg te treden, uitgaande van de erkenning van het recht van eiseres op terugkeer, zoals namens verweerder onder meer nog uitdrukkelijk te kennen is gegeven in de brief van 15 september 1997 aan de gemachtigde van eiseres.

De verstoorde verhoudingen waarop het ontslagbesluit met name is gebaseerd worden door verweerder in verband gebracht met de escalatie van een ander conflict, namelijk het conflict tussen eiseres en verweerder zoals zich dat heeft ontwikkeld nadat de president van deze rechtbank bij uitspraak van 3 oktober 1997 het verzoek van eiseres om verweerder op te dragen haar weer te werk te stellen, had afgewezen.

Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in het door verweerder overgenomen advies van de bezwaarcommissie ad-hoc van 28 september 1998 concludeert de rechtbank dat uit de tussen de gemachtigden van partijen gevoerde correspondentie en met name uit de toonzetting van de uitlatingen van de gemachtigde van eiseres moet worden afgeleid dat in maart 1998 van een vertrouwensrelatie tussen partijen geenszins sprake meer was. Gelet op de herhaalde pogingen van de kant van verweerder om tot overleg te komen en de pertinente weigering van eiseres daar onvoorwaardelijk op in te gaan acht de rechtbank tevens de conclusie gerechtvaardigd dat het tot een onherstelbare breuk tussen partijen is gekomen. Verweerder was dus bevoegd eiseres wegens gewichtige redenen te ontslaan.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie onder andere TAR1999, nr. 98) behoort een ontslag als het onderhavige gepaard te gaan met (de garantie van) een aanspraak op een uitkering die tenminste gelijk is aan de gebruikelijke uitkering bij eervol, niet aan betrokkenes eigen schuld of toedoen te wijten ontslag.

Nu vaststaat dat aan eiseres een uitkering op grond van het BWOO is toegekend die aan de zojuist genoemde minimum-eisen voldoet, behoeft verweerder ter zake geen garantie te geven.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of verweerder gelet op artikel 3:4 Awb bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid het ontslag heeft kunnen verlenen zonder daaraan een boven de zojuist genoemde uitkering uitgaande vergoeding te verbinden. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Enerzijds heeft eiseres door haar onverzoenlijke houding bijgedragen tot de escalatie van het conflict met verweerder over hervatting van de tewerkstelling. Anderzijds bestaat er een nauw verband tussen dat conflict en de daaraan voorafgaande schorsingsbesluiten die verweerder in navolging van het advies van de commissie ad hoc heeft ingetrokken omdat ze in verscheidene opzichten onzorgvuldig werden geacht. Met name in het feit dat verweerder op onvoldoende gronden tot die schorsing is overgegaan ziet de rechtbank aanleiding aan het aandeel van verweerder in het ontstaan van de verstoorde relatie een zodanig gewicht toe te kennen in verhouding tot het aandeel van eiseres, dat verweerder gehouden is enige compensatie te bieden voor het door eiseres uit het ontslag voortvloeiende nadeel.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven zodat het beroep gegrond verklaard moet worden. Aan verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Het is daarbij aan verweerder de hoogte te bepalen van de aan eiseres toe te kennen vergoeding.

De rechtbank realiseert zich echter dat partijen behoefte hebben aan duidelijkheid en een spoedige beëindiging van het voortslepende conflict en zij wil partijen daarom niet in het ongewisse laten omtrent de vraag welke compensatie naar haar oordeel het onredelijk karakter aan het ontslagbesluit zou kunnen ontnemen. Ten overvloede overweegt de rechtbank daarom dat het haar redelijk voorkomt een relatie te leggen tussen de toe te kennen vergoeding en de hoogte van het verdiende salaris, omdat de vergoeding mede strekt ter compensatie van het inkomensverlies. Voorts acht de rechtbank het redelijk rekening te houden met de duur van het dienstverband, zulks vanuit de gedachte dat de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan als werkgever jegens zijn werknemers toeneemt naarmate het dienstverband langer heeft geduurd en de relatie hechter is geworden. De rechtbank wijst in dit verband op de gangbare praktijk bij de toekenning van vergoedingen in het kader van ontbindingen van arbeidsovereenkomsten. Een ontslag onder toekenning van een half bruto jaarsalaris bovenop de BWOO-uitkering komt de rechtbank in het onderhavige geval niet onredelijk voor.

In het onderhavige geval ziet de rechtbank geen aanleiding dit oordeel bij te stellen op grond van bijkomende factoren zoals de verwachte arbeidsmarktkansen voor eiseres.

De rechtbank geeft verweerder voorts in overweging bij vaststelling van de toe te kennen vergoeding aandacht te besteden aan de vraag of schadevergoeding zou moeten worden toegekend in verband met de door eiseres geclaimde schade ten gevolg van de schorsingsbesluiten, die inmiddels zijn ingetrokken. De rechtbank zelf kan aan de beantwoording van die vraag niet toekomen nu verweerder nog niet op de aanvraag van eiseres heeft beslist.

Verweerder 2 dient ter zake van het beroep in de zaak met registratienummer 98/10960 AW 27 te worden veroordeeld in de kosten van de verleende rechtsbijstand aan eiseres, welke zijn begroot op fl. 1420,-. Tevens dient verweerder het door eiseres gestorte griffierecht te vergoeden.

De rechtbank ziet ter zake van het beroep in de zaak met registratienummer 97/13990 AW 27 geen aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is een grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

4. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond, vernietigt het bestreden besluit, en bepaalt dat verweerder 2 binnen tien weken na toezending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder 2 in de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres begroot op f. 1420,- (zegge: veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de gemeente Hilversum aan eiseres;

- bepaalt dat de gemeente Hilversum het door eiseres betaalde griffierecht ad fl. 200,- aan eiseres vergoedt.

Gewezen door mr. T. van Peijpe, voorzitter, en mrs. H.C. Naves en L.C. Bachrach, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Vriethoff, als griffier,

en uitgesproken in het openbaar op: 2 februari 2000

door mr. T. van Peijpe, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Coll:

D:B