Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA4927

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
13/129547-97 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/129547-97 (B)

datum uitspraak: 24 februari 2000

op tegenspraak

+-------------------+

¦ VERKORT VONNIS ¦

+-------------------+

-van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, meervoudige kamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeente-lijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onder-zoek op de terechtzittingen van 21 september 1999, 30 november 1999, en 7, 8, 9 en 10 februari 2000.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting van 21 september 1999 nader omschreven.

Van de dagvaarding en de vordering nadere omschrijving telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht.

De nader omschreven telastelegging geldt als hier ingevoegd.

De rechtbank heeft de feiten 1 (primair en subsidiair) en 2 (primair en subsidiair) met instemming van verdachte, diens raadsman en de officier van justitie gesplitst van feit 3. Deze zaken worden hierna genoemd respectievelijk 13/129547-97 (B) en 13/129547-97 (A).

Het gesplitste feit 3 -13/129547-97 (A)- is afzonderlijk behandeld op 7 februari 2000 en de rechtbank heeft onmiddellijk uitspraak gedaan in die zaak.

2. Voorvragen.

Door de raadsman is ter terechtzitting aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

De raadsman heeft daartoe twee gronden aangevoerd:

1. Wegtippen van het transport naar Engeland.

2. Deal met getuige [getuige 1].

De raadsman heeft bepleit voor nader onderzoek indien zijn beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou worden verworpen, behoudens voorzover de ver-dachte zal worden vrijgesproken.

2.1. Wegtippen van het transport naar Engeland.

Met betrekking tot het wegtippen van het onderschepte transport in Engeland overweegt de rechtbank het volgende.

De raadsman heeft -kort gezegd- aangevoerd dat het niet anders kan zijn dan dat het drugstransport door de Nederlandse politie aan de Engelse autoriteiten is weggetipt.

De raadsman heeft daartoe gesteld dat getuige [getuige 1] heeft verklaard dat, voorafgaande aan het verhoor van 19 december 1997 door de verbalisanten [getuige 2] en [getuige 3], deze [getuige 2] aan [getuige 1] heeft verteld dat de Nederlandse justitie via afgeluisterde telefoongesprekken (hierna te noemen: taps) van het transport van [getuige 1] naar Engeland op 5 september 1997 op de hoogte was, dit transport via deze taps heeft kunnen volgen en de Engelse autoriteiten heeft ingelicht.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de omstandigheden waaronder het transport van [getuige 1] door de Engelse douane is onderschept een aanwijzing vormen voor het feit dat er geen sprake was van een routinecontrole, maar een doelgerichte zoekactie

Daarnaast begrijpt de rechtbank het betoog van de raadsman aldus, dat nu de getuige [getuige 2] ter terechtzitting bij de rechtbank op 7 februari 2000 en officier van justitie mr F. Teeven als getuige bij een samenhangende zaak bij het gerechtshof te Amsterdam op 17 maart 1999 hebben gesteld dat van wegtippen geen sprake was, zij willens en wetens ter beknot-ting van de rechten van verdachte ten overstaan van een rechter onwaarheid hebben gesproken, hetgeen, aldus de raadsman, niet anders dan tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet leiden.

Tenslotte heeft de raadsman aangegeven dat in het geval de rechtbank anders van oordeel is, hij persisteert bij zijn verzoek om toevoeging aan het dossier van het Engelse proces-verbaal waaruit moet blijken dat de onderschepping een toevalstreffer was of dat het transport was weggetipt, alsmede het horen van de (Tsjechische) tolk die op 5 september 1997 voor het Citypeakteam werkzaam was op de tapkamer en op 5 september 1997 aan getuige [getuige 2] te kennen had gegeven dat er taps binnen kwamen in 5 of 6 verschillende talen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent het vol-gende.

Allereerst is voor het wegtippen van een transport naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat door de wegtippende instantie aan de onderscheppende instantie voldoen-de informatie wordt gegeven om het onderscheppen mogelijk te maken. Uit de stukken van het onderliggende onderzoek blijkt niet dat op 5 september 1997 gegevens bestonden met betrekking tot het vertrekpunt van het transport, het tijdstip van vertrek, het vervoer-middel, de route en de chauffeur.

De gegevens waarover de Nederlandse politie daadwerkelijk beschikte met betrekking tot het transport waren twee telefoonnummers en een afleveradres. Die gegevens waren naar het oordeel van de rechtbank in dit geval onvoldoende om bij aankomst in Engeland het transport te identificeren en te onderscheppen. Reeds daarom is het onwaar-schijnlijk dat de actie van de Engelse autoriteiten het gevolg is geweest van een tip van de Nederlandse justitie.

Dit wordt niet anders door de verklaring van de getuige [getuige 1] dat [getuige 2] op 19 december 1997 hem verteld heeft dat de Nederlandse politie de Engelse collega's over het transport had ingelicht. Uit de verklaring van de getuige [getuige 2] ter terechtzitting van de rechtbank op 7 februari 2000 volgt immers dat op enig moment -volgens zijn ver-klaring nadat de Engelse douane het transport had onderschept- de Nederlandse politie de Engelse politie heeft geïnformeerd omtrent het door de tap bekend geworden afleveradres en het gegeven dat er een transport naar Engeland was vertrokken. Deze verklaring is niet in tegenspraak met de verkla-ring van getuige [getuige 1] op dit punt.

In het licht van de verklaring van de getuige [getuige 2] en de officier van justitie mr Teeven is er naar het oordeel van de rechtbank geen enkele aanleiding te veronderstellen dat het transport onoorbaar is weggetipt, noch om te veron-derstellen dat die verklaringen op dit punt onjuist zijn.

Tenslotte geven de omstandigheden waaronder het transport door de Engelse douane is onder-schept de rechtbank geen aanleiding te veronder-stellen dat aan dat transport noodza-kelijkerwijze een tip aan vooraf moet zijn gegaan.

Het door de raadsman gestelde leidt derhalve naar het oordeel van de rechtbank niet tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en geeft de rechtbank geen evenmin aanleiding nader onderzoek te verrichten.

2.2. Deal met getuige [getuige 1].

De raadsman heeft -kort gezegd- geconcludeerd dat op grond van -onder meer- de na te noemen feiten en omstandigheden het plaatsen van [getuige 1] in het getuigenbeschermingsprogramma niet anders kan en moet worden aangemerkt dan als een deal met een crimineel, nu dit is geschied. Het openbaar ministerie heeft hier een getuigenbeschermingsprogramma-etiket opgeplakt en daar-mee, aldus de raadsman, welbewust de rechtbank misleid als het gaat om het doen van toezeggingen en het maken van afspraken, hetgeen niet anders dan tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet leiden.

Tenslotte heeft de raadsman aangegeven dat in het geval de rechtbank anders van oordeel is, hij persisteert bij zijn verzoek om toevoeging aan het dossier van alle CTC-correspondentie met betrekking tot [getuige 1] (al dan niet gekuist in verband met de belangen van het getuigenbescher-mingsprogramma) alsook het "testament" van [getuige 1].

De rechtbank kan in dit kader een viertal feiten en omstandigheden onderschei-den die als toezegging aan of begunstiging van [getuige 1] door of namens het openbaar ministerie zouden kunnen worden gekwalificeerd:

1.

De toezegging door of namens het openbaar ministerie gedaan om zich in te spannen voor de tenuitvoerlegging van de in Engeland aan [getuige 1] opgelegde vrijheidsstraf in Neder-land.

2.

De door de getuige [getuige 2] in Engeland voor de rechter bij de behande-ling van de zaak tegen [getuige 1] afgelegde getuigenverklaring, betreffende de medewerking van [getuige 1] aan het Nederlandse onderzoek.

3.

De opneming van [getuige 1] in het getuigenbeschermingspro-gramma.

4.

De beëindiging van de vervolging tegen [getuige 1] in Nederland.

De rechtbank zal onderzoeken of bedoelde feiten en omstandig-heden in het kader van de verklaring van [getuige 1] aan de kant van het openbaar ministerie als ongeoorloofd zijn aan te merken en of het openbaar ministerie met betrekking tot die feiten en omstandigheden de recht-bank opzettelijk niet of onvolledig heeft ingelicht.

1.

Uit de brief van het openbaar ministerie van 7 januari 1998 aan [getuige 1] komt naar voren, zoals ook blijkt uit de proces-sen-verbaal van de verhoren in Engeland, dat aan [getuige 1] duidelijk is gemaakt dat het openbaar ministerie op dit punt geen garanties kon bieden en zich slechts bereid heeft ver-klaard zich te zullen inspannen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan van een dergelijke toezegging niet worden gezegd dat zij de perken van de betamelijkheid te buiten gaat of op onaan-vaardbare wijze het risico verhoogt dat een getuige een onware verklaring zal afleggen.

2.

De getuige [getuige 2] heeft ter gelegenheid van de behandeling van de zaak van [getuige 1] in Engeland, zoals hij heeft verklaard en [getuige 1] heeft bevestigd, niet anders gedaan dan overeen-komstig de waarheid verklaren dat, naar zijn oordeel, de getuige [getuige 1] aan het onderzoek in de zaak in Nederland zijn medewerking heeft verleend en be-langrijke informatie heeft verstrekt. Kennelijk heeft de Engelse raadsvrouw van [getuige 1] gemeend dat een dergelijke getuigenis voor [getuige 1] in het kader van de straftoemeting een positieve uitwerking zou hebben. Uit de verklaring van [getuige 2] ter terechtzitting van de rechtbank van 7 februari 2000 over de strafmaatmotivering door de Engelse rechter is ook aannemelijk geworden dat dat inderdaad het geval is geweest. Uit niets is gebleken dat het optreden van [getuige 2] als getuige in Engeland vooraf door [getuige 1] als voorwaarde is gesteld voor het afleggen van verklaringen, of dat door of namens [getuige 2] als voorwaarde voor zijn optreden is gesteld dat [getuige 1] een bruikbare verklaring diende af te leggen.

3.

Bij het onderzoek in de onderhavige zaak is gebleken dat enkele van de verdach-ten grof geweld niet schuwen. In dat kader is, mede gezien de door [getuige 1] ontvangen dreigpost, alleszins begrijpelijk dat voor de vei-ligheid van [getuige 1] gevreesd werd, indien hij zou gaan verklaren. In dat licht gezien is er geen aanleiding om te veronderstellen dat het getuigenbescher-mingspro-gramma voor iets anders is gebruikt dan waarvoor het was bestemd, namelijk om de veiligheid van [getuige 1] te behoeden.

4.

Daargelaten dat, naar het oordeel van de recht-bank, vervolging van [getuige 1] in Nederland voor de feiten waarvoor hij in Engeland werd veroordeeld af zou stuiten op het bepaalde in artikel 68 lid 2 onder 2° van het Wetboek van Strafrecht, blijkt niet dat het openbaar ministerie de beslissing om [getuige 1] niet (verder) te vervolgen heeft doen afhangen van zijn bereidheid om medewer-king te verlenen aan het onder-zoek, zodat evenmin kan worden gezegd dat de niet verdere vervolging in dat kader als onge-oor-loofd moet worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan van de hiervoor genoemde vier feiten en omstandigheden op grond van het vorenstaande niet gezegd worden dat deze er toe strekken op onoorbare wijze aan de getuige een verklaring te ontlokken.

De rechtbank overweegt voorts dat haar niet is gebleken dat het openbaar ministerie de rechtbank opzettelijk niet of onvolledig heeft ingelicht, noch vindt de rechtbank aanleiding daaromtrent iets te vermoeden.

De raadsman heeft als verdachte omstandigheid nog aangemerkt de omstandigheid dat tijdens het eerste verhoor van [getuige 1] op 19 december 1997, de taperecorder niet functioneer-de, zodat niet kan worden gecontroleerd of en welke toezeggin-gen [getuige 1] toen zijn gedaan om aan hem een verklaring tegen verdachte te ontlokken.

Dat [getuige 1] alstoen op onoorbare wijze bewogen zou zijn voor verdachte ongunstige verklaringen af te leggen is naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom onaannemelijk, omdat verdachte in het proces-verbaal van die eerste verklaring van [getuige 1] niet wordt genoemd.

Het door de raadsman gestelde leidt mitsdien niet tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de rechtbank vindt daarin evenmin aanleiding tot nader onderzoek.

3. Waardering van het bewijs.

3.1.

Het is de rechtbank niet ontgaan dat de raadsman van de verdachte ten aanzien van de getuige [getuige 1], naast hetgeen de raadsman met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft aangevoerd -zoals hiervoor is omschreven in rubriek 2.-, uitvoerig is ingegaan op de tegenstrijdigheden in de verschillende verklaringen van de getuige [getuige 1] met betrekking tot de verdachte [verdachte]. De raadsman heeft hier echter geen conclusie aan verbonden.

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de getuige [getuige 1] overweegt de rechtbank derhalve ambtshalve het volgende.

[getuige 1] heeft in de periode van 19 december 1997 tot en met 8 februari 2000 tegen-over de politie, deze arrondisse-mentsrechtbank, de rechter-commissaris en ook het gerechtshof te Amsterdam verschillende uitgebreide verkla-ringen afgelegd.

Hoewel [getuige 1], eerst als verdachte en later als getuige, op onderdelen tegen-strijdige verklaringen heeft afgelegd, zijn de verklaringen ten aanzien van de wijze waarop het drugstransport naar Engeland heeft plaatsgevonden en zijn aandeel hierin als chauffeur -ook ter te-recht-zitting van 8 februari 2000- con-sistent geble-ven en worden zij door andere bewijsmiddelen bevestigd.

Gelet hierop zijn de verklaringen van [getuige 1] ten aanzien van dit drugstransport naar het oordeel van de rechtbank als be-trouwbaar aan te merken. De rechtbank ziet dan ook geen aanlei-ding om deze verklarin-gen, zij het met de bijzonde-re behoed-zaamheid die hier geboden is, niet voor het bewijs te bezigen.

3.2.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1 primair telastegelegde,

op tijdstippen gelegen in de periode van 18 augustus 1997 tot en met 6 september 1997 te Amsterdam en te Abcoude en te Vinkeveen en te Maastricht en te Harmelen en te De Meern en elders in Nederland en te België en te Frankrijk en te Engeland (Dover) tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft ge-bracht, (mede) als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 48,8 kilogram cocaïne, hebbende hij, ver-dachte, en/of zijn mede-daders toen en daar opzettelijk die cocaïne geborgen in een voertuig (kenteken [kenteken]) met als uiteindelijke bestemming Engeland, buiten het grondgebied van Nederland gebracht en opzettelijk inlichtingen ver-schaft over de wijze en/of de tijdstippen waarop die cocaïne buiten het grondge-bied van Nederland werd gebracht en het trans-port van die cocaïne naar de plaats van lading in voor-meld voertuig gere-geld en

de chauffeur van vorenbedoeld voer-tuig (kenteken [kenteken])

genstrueerd omtrent de bestem-ming van de lading van dat voer-tuig en het vervoer van die cocaïne naar de plaats van lading in voormeld voertuig bege-leid en die cocaïne in voren-bedoeld voertuig (kenteken [kenteken]) geladen en opdracht gegeven tot het vervoer van die cocaïne en de overdracht van die cocaïne georganiseerd;

Ten aanzien van het onder 2 primair telastegelegde:

op tijdstippen gelegen in de periode van 18 augustus 1997 tot en met 6 september 1997 te Amsterdam en te Abcoude en te Vinkeveen en te Maastricht en te Harmelen en te De Meern en elders in Nederland en te België en te Frankrijk en te Engeland (Dover) tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft ge-bracht, (mede) als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, 364 kilogram hashish en 198 kilogram marihuana, hebbende hij, ver-dachte, en/of zijn mede-daders toen en daar opzettelijk die hashish en die marihuana geborgen in een voertuig (kenteken [kenteken]) met als uiteindelijke bestemming Engeland, buiten het grondgebied van Nederland gebracht en opzettelijk inlichtingen ver-schaft over de wijze en/of de tijdstippen waarop die hashish en marihuana buiten het grondge-bied van Nederland werd gebracht en het trans-port van die hashish en marihuana naar de plaats van lading in voor-meld voertuig gere-geld en de chauffeur van vorenbedoeld voer-tuig (kenteken [kenteken]) ge-ïnstrueerd omtrent de bestem-ming van de lading van dat voer-tuig en het vervoer van die hashish en marihuana naar de plaats van lading in voormeld voertuig bege-leid en die hashish en marihuana in voren-bedoeld voertuig (kenteken [kenteken]) geladen en de overdracht van die hashish en marihuana georganiseerd en opdracht gegeven tot het vervoer van die hashish en die marihuana;

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdediging.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aan-nemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf-baar-heid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook straf-baar.

7. Motivering van de straf.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrij-heidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte en zijn mededaders zich hebben schuldig gemaakt aan -kort gezegd- de uitvoer naar Engeland van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne en softdrugs. Met name cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stof. De uitgevoerde hoeveelheid verdovende middelen vertegenwoordigt een aanzienlijke straatwaarde en is kennelijk bestemd voor de handel en verdere verspreiding daarvan.

Voorts heeft de rechtbank bij het opleggen van de straf in aanmerking genomen dat verdachte -enerzijds-,

als organisator niet alleen gedurende de voorbereiding maar ook na de onderschepping van het transport in Engeland een rol van wezenlijk belang heeft vervuld, zoals onder meer is gebleken uit de vele afgeluisterde dan wel geregistreerde telefoongesprekken die verdachte en zijn mededaders hebben gevoerd. Daarbij heeft de rechtbank laten meewegen dat uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is gebleken dat een deel van de uitgevoerde verdovende middelen voor verdachte bestemd was dan wel onder zijn verantwoordelijk viel. Anderzijds heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf laten meewegen dat, naast het tijdsverloop in onderhavige zaak, verdachte na te zijn aangehouden op 14 januari 1998 door de Spaanse autoriteiten, op 18 mei 1999 is uitgeleverd aan Nederland.

Hoewel, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, in beginsel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur recht doet aan de ernst van deze feiten is de rechtbank van oordeel dat vanwege de ondergane uitleveringsdetentie een lagere straf behoort te worden opgelegd dan de vier jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de rechtbank voor ogen had.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, welke zijn vermeld onder de nummers 37 tot en met 40 op de lijst van inbeslaggenomen voor-wer-pen, welke als bijlage -3- aan dit vonnis is gehecht en die onder de verdachte in beslag zijn genomen overweegt de rechtbank als volgt. Het betreft hier een vuurwapen en munitie, waarvan het voorhanden hebben zonder vergunning verboden is.

De onderhavige goederen, vallen niet onder het bepaalde in artikel 36c of 36d van het Wetboek van Strafrecht, zodat onttrekking aan het verkeer niet mogelijk is.

Anderzijds kan de rechtbank bezwaarlijk deze verboden goederen aan de verdachte teruggeven, reeds omdat daardoor aanstonds een strafbaar feit wordt begaan, nu niet is gebleken dat verdachte over de benodigde vergunningen beschikt.

Nu de verdachte een vergunning ontbeert kan hij in rechte niet de rechthebbende zijn op de betreffende inbeslaggenomen voorwerpen, dat kan immers slechts iemand zijn die wel over de benodigde vergunningen beschikt. De rechtbank zal daarom gelasten dat het wapen en de munitie worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straf is gegrond op de arti-kelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing:

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt ver-dachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair telastegelegde,

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van het onder 2 primair telastegelegde,

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis en in uitleveringsdetentie is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in

minde-ring zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen goederen, welke zijn vermeld onder de nummers 1 tot en met 36 op de lijst van inbeslaggenomen voor-wer-pen, welke als bijlage -3- aan dit vonnis is gehecht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen goederen, welke zijn vermeld onder de nummers 37 tot en met 40 op de lijst van inbeslaggenomen voor-wer-pen, welke als bijlage -3- aan dit vonnis is gehecht.

Dit vonnis is gewezen door

mr G.H. Marcus, voorzitter,

mrs J.J. Bade en F.P.M. Eberhard, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze

recht-bank van 24 februari 2000.