Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA4906

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
13/057828-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

datum uitspraak: 23 februari 2000

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, ZEVENDE meervoudige kamer A EXTRA, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en feitelijk verblijvende op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 februari 2000.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht.

De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

Algemene Inleiding

Het onderzoek ter terechtzitting in de onderhavige straf-zaak vond op 9 februari 2000 gelijktijdig plaats met het onder-zoek tegen vier andere verdachten. In alle zaken is het volgende van belang.

In de periode van 4 en 5 december 1999 en 11 en 12 december 1999 zijn door de politie gerichte vuurwapencontroles uitgevoerd in een bepaalde buurt van Amsterdam-Zuidoost (de zogenaamde K-buurt, gelegen rondom winkelcentrum Kraaiennest).

De politie was daartoe met een speciale opdracht belast. Deze opdracht was voortgekomen uit de situatie zoals omschreven in het proces-verbaal van bevindingen, nummer 1999244254 van het politiebureau Ganzenhoef opgemaakt op 14 november 1999, om-trent het vuurwapengebruik en vuurwapenbezit in de omgeving van voornoemd winkelcentrum (hierna te noemen: het sfeerpro-ces-verbaal). Een kopie van dit proces-verbaal wordt als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

In het sfeerproces-verbaal wordt onder meer melding gemaakt van vuurwapen gerelateerde incidenten vanaf 1997 tot november 1999. Aan het slot van dit proces-verbaal wordt het volgende gerelateerd:

" Resumerend constateren wij dat in de omgeving van Kraaien-nest sprake is van buitensporig vuurwapengebruik en vuurwapen-bezit. Dat een groep mensen, veelal van Antilliaanse en Suri-naamse afkomst zich daar in wisselen-de samenstelling ophouden anders dan winkelend publiek, bezoekers of passant. Dat een groot gedeelte van de groep antecedenten heeft voor de Wet wapens en munitie en of de Opiumwet. Dat deze personen zich regelmatig ver-plaatsen door middel van vervoermiddelen al dan niet bestuurt door zogenaamde snorders.

Dat gelet op bovenstaande feiten en omstandi-heden deze personen als verdachten aangemerkt kunnen wor-den in de zin van de Wet wapens en munitie en dat daarom bij deze perso-nen een onderzoek aan de kleding als bedoelt in artikel 52 van de Wet wapens en munitie kan worden ingesteld.

Dat gezien bovenstaande feiten en omstandigheden er redelij-kerwijs aanleiding bestaat dat strafbare feiten met (vuur)wapens gepleegd zullen worden en dat op grond van artikel 51 van de Wet wapens en munitie lid 2 de officier van justitie de politie kan gelasten elk voer-tuig te onderzoeken in de directe omgeving van Kraaiennest."

Bij de uitvoering van genoemde vuurwapencontroles was de politie voorzien van een door de officier van justitie op respectievelijk 2 en 8 december 1999 afgegeven last inzake uitoefenen bevoegdheden ex artikel 51, tweede lid Wet wapens en munitie - onderzoek vervoermiddelen - (Een kopie van deze last wordt als bijlage 3 aan dit vonnis gehecht.)

In deze last, die is voortgekomen uit voornoemd sfeerproces-verbaal overweegt de officier van justitie onder meer:

"dat door het veelvuldig gebruik van vuurwapens en/of (grootschalige) illegale wapenbezit in de onmiddellijke omgeving van Kraaiennest, gesteld kan worden dat er sprake is van een constant onmiddellijk dreigend gevaar en dat derhalve een redelijke aanleiding bestaat dat een strafbaar feit is gepleegd waarbij vuurwapens zijn gebruikt of aanwijzing bestaan dat er een dergelijk feit zal worden gepleegd;"

Gezien artikel 51 van de Wet wapens en munitie (verder WWM) gelast de officier van justitie vervolgens:

"dat de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren op 4 en 5 december 1999 (en op 11 en 12 december 1999) bevoegd zijn elk vervoermiddel te onderzoeken zich bevindende binnen en/of komende uit het gebied omsloten door de A9 beginnende ter hoogte van Kantershof en lopende tot afslag S112 (Gooise-weg), de Gooiseweg, de Karspeldreef, de Groesbeekdreef, de Bijlmerdreef, de 's-Gravendijkdreef (S113) en het Kantershof."

Ter terechtzitting zijn als getuigen gehoord de inspecteur van politie [getuige 1], één van de opstellers van het sfeerproces-verbaal die tevens betrokken is geweest bij een aantal; van de gerichte vuurwapencontroles in december 1999, alsmede agent [getuige 2], eveneens betrokken bij een aantal van voornoemde vuurwapencon-troles.

Zowel uit de inhoud van de door deze getuigen mede opgemaakte processen-verbaal van bevindingen/aanhouding, die betrekking hebben op de op 9 februari 2000 behandelde zaken, als uit hun verklaringen als getuigen ter terechtzitting blijkt dat de politie, in het kader van de op voornoemde data verrichtte vuurwapencontroles, voertuigen tot stilstand heeft gebracht en onderzocht alsmede inzittenden aan hun kleding heeft onder-zocht; de volgorde van dit voertuig - en kledingonderzoek was niet altijd hetzelfde.

Uit de getuigenverklaringen is voorts op te maken dat de politie het gebruik van de, met betrekking tot de tijd en personen algemeen geformuleerde, last van de officier van justitie heeft beperkt in de tijd (van 21.00 uur tot 2.00 uur) en tot auto's waarin mensen van kennelijk Antilliaanse en Surinaamse herkomst zaten.

Tenslotte kan uit de getuigenverklaringen worden afgeleid dat de bij de vuurwapencontroles betrokken verbalisanten ervan uit gingen dat zij de personen, die zij voornemens waren te controleren, konden aanmerken als verdachten en dat zij bij hen een onderzoek aan de kleding konden instellen als bedoeld in artikel 52 WWM.

Zij waren ten tijde van hun optreden niet op de hoogte, of hebben zich niet gerealiseerd, dat de last van de officier van justitie zich beperkte tot onderzoek aan vervoermiddelen krachtens artikel 51 WWM.

2. Voorvragen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging daar de auto waarin verdachte zich bevond door de politie is gestopt, verdachte is staande gehouden en onderzoek op grond van de WWM heeft plaatsgevonden enkel op basis van de huidkleur van verdachte.

Overweging van de rechtbank

Wat er ook zij van de vraag of de last van de officier van justitie in de onderhavige situatie gege-ven had kunnen worden - de rechtbank komt daarop aanstonds terug - , overweegt de rechtbank met betrekking tot het verweer van de raadsman dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens schending van artikel 1 van de Grondwet (discri-minatie) het volgende:

De officier van justitie heeft in de overwegingen waarop de afgegeven last berust mede voornoemd sfeerproces-verbaal betrokken.

Volgens dat proces-verbaal is statistisch aannemelijk gemaakt dat in de periode van 1 januari 1998 tot en met 10 november 1999 Antillianen en Surinamers significant vaker in het bezit van een vuurwapen zijn aangetroffen dan anderen in het bewakingsgebied van het bureau Ganzenhoef, waarin het in de last omschreven gebied is gelegen.

Uit de verklaring van de, ter terechtzitting als getuige ge-hoorde, inspecteur van politie [getuige 1] leidt de rechtbank af dat om bovengenoemde reden het gebruik van de algemeen geformuleerde last gericht is geweest op auto's waarin mensen van kennelijk Antilliaanse of Surinaamse herkomst zaten.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende passage uit de "Nota naar aanleiding van het eindverslag" van wetsontwerp 14413, nr 9, dat tot wijziging van de WWM heeft geleid (hierna: de Nota) (pagina 25):

"Bij de beslissing omtrent de vraag of een zoekactie moet worden uitgevoerd, mag het gegeven dat daarbij mogelijk personen die tot een minderheid in Nederland behoren, in het onder-zoek zouden worden betrokken geen enkele rol spelen."

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat, met betrekking tot een gesteld discriminatoir karakter van de acties, de totstandkoming van de last, de inhoud van de last en een op Antillianen en Surinamers toegespitst gebruik van de last van de officier van justitie niet ontoelaatbaar is, mede in het kader van beperking van de overlast die weggebruikers kunnen ondervinden van het gebruik van de last.

De rechtbank verwerpt het verweer met betrekking tot schending van artikel 1 van de Grondwet en acht de officier van justitie derhalve ontvankelijk in zijn vervolging.

3. Waardering van het bewijs.

De rechtmatigheid van de bewijsgaring.

De raadsvrouw voert tevens aan dat in de Nota duidelijk wordt gesteld dat er een redelijke aanleiding moet zijn om de aanwezigheid van wapens na te gaan. Naar haar mening is het niet de bedoeling van de wetgever geweest de bevoegdheden van voornoemd artikel 51 te gebruiken voor situaties als onderhavige en is de last van de officier van justitie onrechtmatig.

Ten aanzien van de last van de officier van justitie overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat, krachtens een door de officier van justitie gegeven last, auto's zijn onderzocht op grond van artikel 51 WWM in een afgeperkt gebied in de onmiddellijke omgeving van Kraaiennest te Amsterdam-Zuidoost.

Artikel 51 eerste lid WWM geeft de bevoegdheid aan, de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen, ambtenaren vervoermiddelen te onderzoeken, indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt of op grond van aanwijzingen dat een dergelijk feit zal worden gepleegd.

Op grond van het bepaalde in het tweede lid van dat artikel heeft de officier in het onderhavige geval gelast dat deze bevoegdheid, gedurende een bepaalde periode en in een bepaald gebied, tegenover elk vervoermiddel kan worden uitgeoefend.

In deze zaak gaat het naar het oordeel van de rechtbank met name om de aanwijzingen dat een dergelijk feit zal worden gepleegd en niet, zoals mede is opgenomen in voornoemde last, op grond van een strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt. Van dergelijke strafbare feiten is immers niet gebleken.

Het sfeerproces-verbaal, dat ten grondslag ligt aan voornoemde last van de officier van justitie, maakt onder meer melding van een zichtbare stijging in 1999 van het aantal meldingen waarbij er een vuurwapen in het spel is ten opzichte van de cij-fers van 1997 en 1998. Het proces-verbaal stelt dat er, gezien het aantal aangiften en meldingen van het gebruik van vuurwapens in de omgeving van Kraaiennest, constant sprake is van onmiddellijk dreigend gevaar voor het in de omgeving van Kraaiennest aanwe-zige publiek en de daar surveillerende politie.

Deze gegevens zijn mede aanleiding geweest voor de officier van justitie tot het geven van de last.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op grond van de gegevens zoals genoemd in het sfeer-proces-verbaal een dergelijke last ex artikel 51 WWM niet had kunnen worden gegeven.

Uit de Nota blijkt onder meer het volgende.

Het wetsontwerp beoogt een doeltreffend toezicht mogelijk te maken op ongeoorloofd wapenbezit. De bepaling van artikel 51 opent de bevoegdheid tot het onderzoeken van vervoermiddelen, indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat. De aanvullende eis dat er 'redelijkerwijs aanleiding moet zijn' om de aanwezigheid van wapens na te gaan betekent niet dat elke aanwijzing de bevoegdheid doet ont-staan, doch slechts zodanige aanwijzingen dat het belang van toepassing van de bevoegdheid zwaarder weegt dan het belang dat de burger zich vrijelijk en ongemoeid kan bewegen.

De rechtbank is van oordeel dat het sfeerproces-verbaal onvoldoende concrete aanwijzingen bevat om, op de in de last gegeven data, te spreken van een situatie waarin redelijkerwijs aanleiding bestond aan te nemen dat het in verhoogde mate waarschijnlijk was dat bij controle wapens zouden worden aangetroffen.

Dit zou, bij wijze van voorbeeld, anders kunnen zijn wanneer, als grondslag van een dergelijke last, aan voormelde statistische gegevens tevens concrete gevallen van zeer recent vuurwapengebruik in het betrokken gebied kunnen worden toegevoegd die zich met name voordoen op bijvoorbeeld een vaste koop- of uitgaansavond of tijdens bepaalde terugkerende (sport)evenementen.

Het in de last van de officier van justitie gestelde dat er sprake zou zijn van een constant onmiddellijk dreigend gevaar is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende onderbouwd en is derhalve onvoldoende grond voor het geven van voornoemde algemene last ex. artikel 51 WWM.

De rechtbank concludeert derhalve dat het onderzoeken van auto's in het gebied rondom Kraaiennest ex artikel 51 WWM onrechtmatig was, hetgeen tot gevolg heeft dat het resultaat van dergelijk onderzoek dient te worden uitgesloten van het bewijs.

Slechts indien er sprake zou zijn van toestemming van de inzittenden om een dergelijk onderzoek aan het voertuig in te stellen zou dit anders kunnen zijn.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in de zaak tegen verdachte is voorts gebleken dat verdachte, nadat hij zijn auto op verzoek van de verbalisanten tot stilstand had gebracht, toestemming heeft gegeven zijn auto te laten onderzoeken op grond van de WWM. In de auto van verdachte is niets aangetroffen. Vervolgens hebben de verbalisanten hem gevraagd of zij hem aan de kleding mochten onderzoeken. Dit is door verdachte geweigerd.

Een verzoek om medewerking aan een onderzoek aan de kleding is alszodanig niet onrechtmatig. Verdachte hoefde echter niet mee te werken en mocht zich verzetten tegen gedwongen onderzoek. Een gedwongen onderzoek zou onrechtmatig zijn geweest daar artikel 52 WWM slechts de bevoegdheid aan opsporingsambtenaren geeft om iemand die wordt ver-dacht van het voorhanden hebben van een wapen aan zijn kleding te onderzoeken, indien ernstige bezwaren tegen hem bestaan. Uit het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek is van dergelijke ernstige bezwaren niet gebleken, noch leidt een weigering vrijwillig mee te werken tot het ontstaan van ernstige bezwaren.

Verdachte is hierop weggerend. Het weglopen van verdachte is evenmin voldoende om een situatie als genoemd in artikel 52 lid 2 WWM aan te nemen. De verbalisanten zijn hem achterna gegaan en zijn hem gedurende korte tijd uit het oog verloren. Nadat verdachte is blijven staan en de verbalisanten hem zijn genaderd hebben de verbalisanten de verdachte horen zeggen: "Ik heb hem niet meer bij mij".

De rechtbank is van oordeel dat voor de verbalisanten deze uitlating van verdachte, gezien voorafgaande vuurwapencontrole waarover verdachte was geïnformeerd, redelijkerwijs opgevat kon worden als dat verdachte met "hem" een vuurwapen bedoelde. Op dat moment kon er voor verbalisanten een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeien en mochten zij verdachte aanhouden. De rechtbank acht de aanhouding om die reden niet onrechtmatig. Dit geldt evenzeer voor de nadien uitgevoerde zoekactie in de buurt waar verdachte is aangehouden en voor de huiszoeking, zodat de resultaten hiervan kunnen meewerken aan het bewijs.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

t.a.v. feit 1.:

op 11 december 1999 te Amsterdam voorhanden heeft gehad een vuurwapen van categorie III (onder 1) in de zin van de Wet wapens en munitie, door een pistool van het merk Beretta, type 92 fs, kaliber 9x17 mm op de openbare weg bij de flat Leerdamhof, bij zich te hebben en voorhanden heeft gehad 15 patronen kaliber 9x17 mm, munitie in de zin van de Wet wapens en munitie categorie III.

t.a.v. feit 2.:

op 12 december 1999 te Amsterdam voorhanden heeft gehad 15 patronen kaliber 9x17 mm, munitie in de zin van de Wet wapens en munitie categorie III.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdediging.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf-baar-heid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrij-heidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat het op de openbare weg bij zich hebben van een vuurwapen met de bijbehorende munitie een gevaarzettende gedraging is.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland, ressort Amsterdam, betreffende verdachte van 20 december 1999, opgemaakt door J.A. Helderop, reclasseringswerker.

In voornoemde rapportage en in de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk misdrijf is veroordeeld ziet de rechtbank aanleiding om verdachte in plaats van een vrijheidsbenemende straf de straf van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte op te leggen.

Onttrekking aan het verkeer.

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een pistool, Beretta 92 fs, een lege houder en twee houders met elk 15 patronen, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de bewezen geachte feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straf is gegrond op de arti-kelen 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing:

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt ver-dachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

t.a.v. feit 1.:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

t.a.v. feit 2.:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte, in plaats van tot een gevangenisstraf van 2 maanden, tot het verrichten van 100 uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte in het kader van een project van de Reclassering Nederland, ressort Amsterdam (onderhouds- en verzorgingswerk of huishoudelijke werkzaamheden en keukenwerk of administratief werk), te voltooien binnen een termijn van zes maanden, die aanvangt binnen een termijn van drie maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van deze straf in mindering zal worden gebracht volgens de maatstaf van 2 uur per dag.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

* een pistool, Beretta 92 fs

* een lege houder

* twee houders met elk 15 patronen

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr G.P.C. Janssen voorzitter,

mrs A.N.A. Josephus Jitta en A. Wolfsen rechters,

in tegenwoordigheid van mr A.B. Boukema griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze recht-bank van 23 februari 2000.

De jongste rechter is buiten staat te tekenen.