Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA4862

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-01-2000
Datum publicatie
27-01-2004
Zaaknummer
AWB 98/2255 WET 48
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

reg.nr. : AWB 98/2255 WET 48

inzake : Stichting WIA 1991, gevestigd te Amsterdam, eiseres,

tegen : de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT

Besluit van verweerder van 2 maart 1998, nr. WBJA/SBB/980019/8.

2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 15 december 1997 heeft verweerder de subsidieaanvraag van eiseres ten behoeve van het project Junk Food Junk Juice afgewezen.

Tegen dit besluit is namens eiseres op 17 december 1997 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij beroepschrift van 15 maart 1998 (met bijlagen) beroep ingesteld en op de daartoe aangevoerde gronden de rechtbank verzocht het bestreden besluit te vernietigen onder veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Verweerder heeft op 24 april 1998 een verweerschrift ingediend en medegedeeld dat de op de procedure betrekking hebbende stukken reeds in het dossier aanwezig zijn.

Bij schrijven van 14 mei 1998 en 4 juni 1999 zijn namens eiseres de gronden van het beroep nader aangevuld.

Bij brief van 1 februari 1999 heeft verweerder desgevraagd een afschrift van een nader stuk ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 9 december 1999, alwaar namens eiseres is verschenen O. de Rooy, bestuurslid van de Stichting WIA, bijgestaan door mr. E.E.M. Haverkorn van Rijsewijk - van den Ende, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Voortman, werkzaam bij verweerders ministerie.

3. MOTIVERING

Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Feiten

De Stichting WIA 1991 heeft blijkens haar statuten de volgende doelstelling:

"Het aan activiteiten helpen van diegenen die ongewenst inaktief in het arbeidsproces zijn geworden, en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords."

Eiseres heeft zich bij schrijven van 20 oktober 1997 tot verweerder gewend met het verzoek haar in aanmerking te brengen voor een subsidie van fl. 600.000,- ten behoeve van het door eiseres op te zetten project Junk Food Junk Juice. Eiseres heeft uiteengezet dat de vermoedelijke startdatum van het project 1 maart 1998 is en dat de subsidiebehoefte bestaat tot 1 maart 1999. Het project is gericht op de maatschappelijke reïntegratie van ex-alcohol- of drugsverslaafde vrouwen door middel van het begeleid opdoen van werkervaring, met behoud van uitkering. Projectdeelneemsters zullen een traject in drie fasen aangeboden krijgen. Stap één is een voortrajectfase, waarin projectdeelneemsters afstand kunnen nemen van de oude leefomgeving en waar men in een gezonde omgeving met anderen kan werken aan natuurbeheer. Na deze fase wordt men gekoppeld aan een reguliere ecologische boer, producent of restaurateur, alwaar men werkervaring kan opdoen. De derde fase staat in het teken van betaalde arbeid bij een reguliere werkgever.

Op 28 november 1997 hebben medewerkers van de Stichting WIA 1991 het project Junk Food Junk Juice op verweerders ministerie toegelicht.

Bij besluit van 15 december 1997 heeft verweerder de subsidieaanvraag van eiseres afgewezen op grond van het feit dat ten minste aan één voorwaarde niet is voldaan, namelijk dat er geen andere voorliggende voorzieningen mogen zijn.

In het namens eiseres tegen het besluit van 15 december 1997 ingediende bezwaarschrift is onder meer aangevoerd dat de gevraagde subsidie uitdrukkelijk is gericht op de "initïele kosten van begeleiding in het eerste jaar".

Het bezwaarschrift is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft hierbij onder meer overwogen dat het project op andere wijze gefinancierd kan worden. Verweerder heeft hierbij gewezen op de mogelijkheden die de gemeenten in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) hebben alsmede op het instrumentarium van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat het erom gaat of er andere voorzieningen c.q. financieringsbronnen potentieel aanwezig zijn en niet of deze ook feitelijk door eiseres benut kunnen worden. Het verzoek van eiseres tot aanhouding van het bezwaar totdat duidelijk is of de bedoelde voorliggende voorzieningen ook daadwerkelijk door eiseres benut kunnen worden, heeft verweerder dan ook niet zinvol geacht.

Gronden van het beroep

In beroep heeft eiseres het volgende gesteld. Verweerder heeft de behandeling van het bezwaarschrift ten onrechte niet aangehouden. Voorts had verweerder in het bestreden besluit dienen aan te geven dat aan de overige vier voorwaarden die worden gesteld in artikel 15.01 van de begroting van het ministerie van SWZ wordt voldaan. Nu verweerder dat heeft nagelaten is er strijd met het motiveringsbeginsel. De doelgroep van het project heeft een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt, waarbij een intensief traject van sociale activering noodzakelijk is voordat enige loonvormende arbeid haalbaar kan worden. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft geen taak met betrekking tot sociale activering of arbeidsmarkt(re)integratie van werkzoekenden met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt. De Wiw biedt een instrument voor financiering van individuele begeleidingskosten, maar kan niet worden gebruikt als middel voor instituutfinanciering. Eiseres heeft echter verzocht om instituutfinanciering, gericht op loonkosten van zes coördinatiemedewerkers in het eerste jaar. In deze opstartfase zijn er nog geen individuele deelneemsters. Er is derhalve voor de onderhavige subsidieaanvraag potentieel geen voorliggende voorziening aanwezig, aldus eiseres. Gezien de grote belangen van het project voor eiseres en de onmogelijkheid om de aanvraag voor instituutsubsidie elders onder te brengen, had verweerder het belang van eiseres bij een positief besluit moeten laten prevaleren.

Het verweer

Verweerder heeft gesteld dat de Wiw een brede doelstelling heeft, namelijk de gemeenten de mogelijkheid bieden een samenhangend instrumentarium te ontwikkelen en in te zetten dat de afstand tot de arbeidsmarkt voor langdurig werklozen, uitkeringsgerechtigden en werkloze jongeren waar mogelijk verkleint en dat, waar dit niet mogelijk is, voorkomt dat de afstand tot de arbeidsmarkt toeneemt. De instrumenten die daartoe kunnen worden benut bestrijken het gehele terrein van sociale activering tot gesubsidieerde arbeid. De gemeenten zijn dan ook de eerst aangesproken partij voor projecten als die van eiseres. Verweerder heeft aangegeven dat eventuele loonkosten van medewerkers van eiseres onderdeel van de productkosten kunnen zijn, die vervolgens op basis van de Wiw gefinancierd kunnen worden. Naar de mening van verweerder is niet de aard van de financieringsbehoefte van eiseres bepalend voor het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een voorliggende voorziening. Doorslaggevend hiervoor is de aard van de voorliggende voorziening in verhouding tot het door eiseres aangeboden product en/of dienstenpakket.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd medegedeeld dat het niet in het door verweerder gevoerde beleid past om subsidie aan eiseres te verstrekken voor de aanloopkosten van het project. De gemachtigde van verweerder heeft medegedeeld dat indien de gemeenten op basis van de Wiw dienstverlening inkopen bij eiseres, eiseres bij de bepaling van de "prijs" van die dienstverlening een deel van de voorbereidingskosten kan incalculeren.

Overwegingen

De rechtbank gaat er met partijen van uit dat bij het bestreden besluit niet alleen het bezwaar ongegrond is verklaard, maar dat tevens het primaire besluit is gehandhaafd.

Op grond van artikel 15.01 van de begroting van het ministerie van SZW kan verweerder subsidie verlenen voor projecten die het beleid van het departement ondersteunen.

Een subsidie wordt verleend indien een projectvoorstel:

a. past binnen de kerntaken van het departement, én

b. het uiteindelijk resultaat van het project een bijdrage levert aan de wettelijke taken die het departement van SZW zijn opgedragen, én

c. de kosten niet op andere wijze gefinancierd kunnen worden, én de afweging in het interne departementale prioriteiteringmodel doorstaat, én de wetgever voldoende financiële middelen ter beschikking stelt.

In artikel 2 van de Wiw is bepaald dat de gemeente zorg draagt voor voorzieningen voor in de gemeente woonachtige langdurige werklozen, uitkeringsgerechtigden en jongeren, die sociale activering en een zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen en die kunnen leiden tot inschakeling in het arbeidsproces.

Artikel 3, eerste lid, van de Wiw luidt als volgt: " De gemeente kan ter uitvoering van artikel 2 aan of ten behoeve van de persoon bedoeld in dat artikel, een subsidie verstrekken dan wel dienstverlening inkopen, waardoor deze persoon:

a. in staat wordt gesteld deel te nemen aan activiteiten die bijdragen tot sociale activering, inschakeling in de arbeid en scholing; of

b. gestimuleerd wordt in aansluiting op een dienstbetrekking of in plaats van een recht op uitkering een overeenkomst tot het verrichten van arbeid te sluiten of werkzaamheden als zelfstandige te gaan verrichten."

Ingevolge het bepaalde in artikel 4 van de Wiw kan de gemeente ter uitvoering van artikel 2 aan langdurig werklozen en jongeren een dienstbetrekking aanbieden krachtens een arbeidsovereenkomst.

Ingevolge het bepaalde in artikel 5 van de Wiw kan de gemeente ter uitvoering van artikel 2 subsidie verstrekken aan werkgevers die met langdurig werklozen of jongeren een arbeidsovereenkomst sluiten om hen in de gelegenheid te stellen werkervaring op te doen.

Verweerder heeft in beroep terecht betoogd dat de potentiële deelneemsters aan het project Junk Food Junk Juice onder de doelgroep van de Wiw vallen, dat op grond van het bepaalde in artikel 3 van de Wiw gemeenten ten behoeve van de individuele deelneemsters aan het project de door eiseres aangeboden dienstverlening - die in eerste instantie is gericht op sociale activering - kunnen inkopen, dat eventuele aanloopkosten om het project op te zetten door eiseres als onderdeel van de productkosten c.q. de kosten van de dienstverlening kunnen worden opgevoerd, waardoor deze kosten op basis van de Wiw kunnen worden gefinancierd, en dat wanneer de deelneemsters vervolgens het eerste traject van sociale activering hebben doorlopen de in artikel 4 en 5 van de Wiw genoemde voorzieningen dan wel de voorzieningen die de Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan bieden aan de orde kunnen komen. Dit brengt mee dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de in artikel 15.01 onder c genoemde voorwaarde niet is voldaan.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het er om gaat of andere voorzieningen c.q. financieringsbronnen potentieel aanwezig zijn en niet of deze ook feitelijk door eiseres kunnen worden benut. Het aanhouden van een beslissing op bezwaar totdat duidelijk zou zijn of de door verweerder genoemde voorliggende voorzieningen ook daadwerkelijk door eiseres zouden kunnen worden benut, was dan ook niet zinvol.

Naar het oordeel van de rechtbank behoefde verweerder in het bestreden besluit niet in te gaan op de vraag of de subsidieaanvraag voldeed aan de overige in artikel 15.01 genoemde voorwaarden. Nu verweerder van oordeel was dat aan voorwaarde c van artikel 15.01 niet was voldaan, was het immers reeds om die reden niet mogelijk de gevraagde subsidie toe te kennen.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij het bestreden besluit de afwijzing van de subsidieaanvraag van eiseres terecht gehandhaafd, omdat niet is voldaan aan voorwaarde c van artikel 15.01 van de begroting van het Ministerie van SWZ. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Zoals hiervoor overwogen is verweerder eerst in de beroepsfase - namelijk in het verweerschrift en ter zitting - uitdrukkelijk ingegaan op het door eiseres steeds benadrukte gegeven dat het haar bij de aanvraag van subsidie te doen was om financiering van de aanloopkosten van het project die moeten worden gemaakt in de fase waarin van deelneemsters aan het project nog geen sprake is. De motivering van het primaire besluit en het bestreden besluit is aan dit aspect van de aanvraag voorbijgegaan en was mitsdien ontoereikend.

Tegen de achtergrond hiervan kan niet worden gesteld dat eiseres ten onrechte in beroep is gekomen. Gelet hierop ziet de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van fl. 1.420,-. Van andere op grond van artikel 8:75 van de Awb te vergoeden kosten is de rechtbank niet gebleken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 8:74, tweede lid, van de Awb stelt de rechtbank ten slotte vast dat het door eiseres gestorte griffierecht door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

4. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van fl. 1.420,- (zegge: éénduizend vierhonderd twintig gulden) te betalen door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan eiseres;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan eiseres het betaalde griffierecht van fl. 420,- (zegge: vierhonderd twintig gulden) vergoedt.

Gewezen door mr. A.H. Kist, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.B. Filius, griffier,

en uitgesproken in het openbaar op: 18 januari 2000 door mr. A.H. Kist, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op: coll.: D:B