Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA4860

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2000
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
AWB 98/3145 VEROR 19
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Winkeltijdenwet 3
Winkeltijdenwet 9
Winkeltijdenwet 2
Winkeltijdenwet 3
Winkeltijdenwet 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

reg.nr. : AWB 98/3145 VEROR 19

inzake : A te B, eiser,

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder.

1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT

Besluit van verweerder van 26 februari 1998,

nr. 970165.

2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 18 december 1996 heeft verweerder aan eiser een vergunning verleend om aan het publiek vuurwerk af te leveren in de inrichting gevestigd in het perceel […]straat 22 te B op 28, 30 en 31 december 1996 van 08.00 tot 20.00 uur.

Tegen dit besluit is door eiser op 28 januari 1997 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij beroepschrift van 6 april 1998 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 15 juni 1998 afschriften van de op het geding betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 17 november 1999, alwaar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van de Werd en G.P.M. Liefting, beiden werkzaam bij de Milieudienst van de gemeente Amsterdam.

3. MOTIVERING

Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Feiten

Eiser exploiteert sedert 1976 in het perceel […]straat 22 te Been winkel in feestartikelen. Gedurende het toegestane aantal dagen per jaar verkoopt hij tevens vuurwerk.

Eiser heeft zich bij schrijven van 18 oktober 1996 tot de directeur van de Milieudienst van de gemeente Amsterdam gewend met het verzoek hem een vergunning te verlenen voor de verkoop van vuurwerk op het adres […]straat 22 voor het seizoen 1996.

Bij besluit van 18 december 1996 heeft de directeur van de Milieudienst namens verweerder aan eiser de gevraagde vergunning verleend, onder mededeling dat deze vergunning per 1 augustus 1997 niet meer geldig is. Aan de vergunning zijn onder meer de volgende voorschriften verbonden:

- (1) de aflevering van vuurwerk aan het publiek mag uitsluitend plaatsvinden op 28, 30 en 31 december 1996, van 08.00 tot 20.00 uur.

- (7) de aanwijzigingen van de politie, de milieudienst en de brandweer met betrekking tot de openbare orde dan wel veiligheid moeten stipt worden opgevolgd.

Zondag 29 december 1996 is door verweerder dan wel de raad van de gemeente Amsterdam vastgesteld als een koopzondag, hetgeen inhield dat de winkels in de gemeente Amsterdam op die dag geopend mochten zijn.

Het door eiser tegen het besluit van 18 december 1996 ingediende bezwaarschrift heeft verweerder bij het thans bestreden besluit - onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 13 februari 1998 - ongegrond verklaard. De bezwaarschriftencommissie heeft hierbij het volgende overwogen. Uit de toelichting op het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna: het Vuurwerkbesluit) blijkt ondubbelzinnig dat het de bedoeling van artikel 8 is de aflevertermijn landelijk te beperken tot dezelfde drie dagen. Indien één van de drie aangewezen dagen een zondag is komt deze als landelijke verkoopdag van vuurwerk te vervallen en komt daarvoor 28 december in de plaats. Daarbij is het niet van belang of die bewuste zondag een koopzondag is, nu koopzondagen immers per (deel)gemeente worden aangewezen. Derhalve is terecht in de verleende vuurwerkvergunning zondag 29 december 1996 van de verkoop uitgesloten en 28 december 1996 daarvoor in de plaats gesteld. Het Vuurwerkbesluit is niet in strijd is met de Winkeltijdenwet, nu het Vuurwerkbesluit met een andere bedoeling is geschreven dan de Winkeltijdenwet. Beide regelingen hebben dan ook naast elkaar bestaansrecht. Eiser kon derhalve op zondag 29 december 1996 zijn reguliere winkelactiviteiten in feestartikelen gewoon doorgang laten vinden; vuurwerkverkoop was op die dag echter verboden. Uit het oogpunt van openbare orde zijn de tijden waarop vuurwerk mag worden verkocht op grond van de APV beperkt van 08.00 tot 20.00 uur. De APV is niet in strijd met het Vuurwerkbesluit, nu de APV is geschreven vanuit een ander motief dan het Vuurwerkbesluit. Eiser kon derhalve zijn reguliere winkelactiviteiten uitoefenen gedurende de op grond van de Winkeltijdenwet en -verordening vastgestelde tijden, terwijl de verkoop van vuurwerk slechts mocht plaatsvinden van 08.00 tot 20.00 uur.

De gronden van het beroep

Eiser heeft gesteld dat verweerder gelet op het bepaalde in artikel 8 van het Vuurwerkbesluit geen grond had het afleveren van vuurwerk op 29 december 1996 te verbieden. Dit volgt volgens eiser uit het woord "tevens" in de tweede volzin van artikel 8. Voorts is gesteld dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte de aflevertijden van vuurwerk heeft beperkt van 08.00 tot 20.00 uur, terwijl de Winkeltijdenwet openingstijden toestaat van 06.00 uur tot 22.00 uur. Eiser heeft aangegeven dat zijn winkel voor feestartikelen een semi-zelfbedieningssysteem heeft, hetgeen voor de verkoop van vuurwerk niet is toegestaan. Daarom bouwt hij zijn winkel ieder jaar ten behoeve van de vuurwerkverkoop om tot balieverkoop, waardoor het in de praktijk niet mogelijk is om op een bepaalde tijd de vuurwerkverkoop te stoppen en over te gaan tot de verkoop van andere artikelen. Ten slotte heeft eiser gesteld dat voorschrift 7 van de vergunning zou dienen te worden aangevuld met: "voorzover deze aanwijzingen berusten op enige wet".

Ter zitting heeft eiser medegedeeld dat hij schade heeft geleden tengevolge van het bestreden besluit; hij heeft gesteld omzet te hebben gemist. Eiser heeft de rechtbank verzocht de gemeente Amsterdam te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij tengevolge van het bestreden besluit heeft geleden, nader op te maken bij staat.

Het verweer

Verweerder heeft gesteld dat hij van de in artikel 8 van het Vuurwerkbesluit geboden mogelijkheid gebruik heeft gemaakt om verkoop van vuurwerk op zondag 29 december 1996 te verbieden. Uit veiligheidsoverwegingen en om tegemoet te komen aan de wensen van exploitant en consument heeft verweerder toegestaan om op 28 december 1996 vuurwerk te verkopen. Ten slotte heeft verweerder aangegeven, teneinde overlast voor de buurt te voorkomen is besloten vuurwerkverkoop na 20.00 uur niet toe te staan. Eiser is hierdoor niet benadeeld, aldus verweerder, aangezien de ervaring heeft geleerd dat na 19.00 uur nauwelijks nog vuurwerk wordt verkocht.

Overwegingen

Allereerst wordt overwogen dat eiser - ondanks het feit dat de geldigheidsduur van de vergunning is verlopen - belang heeft bij een uitspraak in de onderhavige beroepszaak, nu hij heeft gesteld schade te hebben geleden ten gevolge van het bestreden besluit.

Het geschil beperkt zich tot de vraag of de door verweerder aan de op 18 december 1996 afgegeven vuurwerkvergunning verbonden voorschriften 1 en 7, die bij het bestreden besluit (eveneens) zijn gehandhaafd, rechtmatig zijn.

Artikel 2, eerste lid, van de Winkeltijdenwet luidt - voorzover van belang - als volgt:

" Het is verboden een winkel voor het publiek geopend te hebben:

a. op zondag;

(...)

c. op werkdagen voor 6 uur en na 22 uur."

Op grond van artikel 3 van de Winkeltijdenwet kan van het verbod de winkel op zondag open te hebben vrijstelling worden verleend.

Artikel 9 van de Winkeltijdenwet bepaalt dat verordeningen van de gemeenteraad geen betrekking kunnen hebben op de openingstijden van winkels op werkdagen tussen 6.00 en 22.00 uur.

Artikel 8 van het Vuurwerkbesluit (Besluit van 4 februari 1993, Stb. 215, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 24, 39, derde lid, en 47, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen) luidt als volgt:

" Het is verboden vuurwerk af te leveren aan de particuliere gebruiker, tenzij dit geschiedt op 29, 30 of 31 december. Indien een van deze dagen een zondag is, is tevens aflevering op 28 december toegestaan."

In de artikelsgewijze toelichting op het Vuurwerkbesluit is ten aanzien van artikel 8 bepaald:

"De aflevertermijn wordt landelijk beperkt tot de drie dagen voor Nieuwjaarsdag. Hiermee worden intergemeentelijke verschillen voorkomen. De gekozen termijn is gelijk aan die welke momenteel in een aantal grote steden wordt gehanteerd. De termijn van drie dagen is gekozen vanwege het feit dat het landelijk beperken van de verkooptermijn tot twee dagen extra risico's met zich brengt ten aanzien van de opslag van grote hoeveelheden vuurwerk alsook het overpakken van vuurwerk vanuit transportverpakkingen naar voor de consument bestemde verpakkingen."

Ingevolge artikel 4.3, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amsterdam (APV) is het verboden, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders, in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf, vuurwerk aan particuliere gebruikers af te leveren danwel ter aflevering aanwezig te hebben.

Artikel 4.3, tweede lid, van de APV bepaalt dat een vergunning kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast.

Artikel 1.6, eerste lid, van de APV bepaalt dat aan een vergunning voorschriften kunnen worden verbonden die strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee het vereiste van de vergunning is gesteld.

Ingevolge artikel 1.6, derde lid, van de APV is degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning is verleend, verplicht de daaraan verbonden voorschriften na te komen.

Naar het oordeel van de rechtbank beogen vorenaangehaalde bepalingen van respectievelijk de Winkeltijdenwet, het Vuurwerkbesluit en de APV elk een ander belang te beschermen. De Winkeltijdenwet beoogt onder meer eerlijke concurrentieverhoudingen in de detailhandel te bevorderen door het creëren van gelijke uitgangsposities. Het Vuurwerkbesluit beoogt het aantal ongevallen met vuurwerk waarbij particuliere gebruikers zijn betrokken, en de ernst van de letsels die door dergelijke ongevallen ontstaan, terug te dringen. Artikel 4.3 van de APV is geschreven vanuit het belang van de openbare orde en het belang van het voorkomen of beperken van overlast.

Blijkens de tekst van artikel 8 van het Vuurwerkbesluit alsmede de toelichting op dit artikel is het de bedoeling van de wetgever geweest om de vuurwerkverkoop te beperken tot drie dagen, die landelijk hetzelfde zijn (namelijk 29, 30 en 31 december). Indien één van deze dagen een zondag is, is blijkens de tekst van artikel 8 tevens aflevering op 28 december toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank is het - ondanks het feit dat in de tekst van artikel 8 het woord "tevens" staat vermeld - niet de bedoeling van de wetgever geweest om in de situatie dat 29, 30 of 31 december op een zondag valt een extra vuurwerkverkoopdag op 28 december toe te staan. In dat geval zou er immers sprake zijn van vier vuurwerkverkoopdagen, hetgeen uitdrukkelijk niet de bedoeling is geweest van de wetgever. De wetgever heeft beoogd om in een dergelijke situatie 28 december als vuurwerkverkoopdag aan te merken in plaats van één van de andere in artikel 8 genoemde dagen. Verweerder heeft derhalve bij de aan eiser verleende vuurwerkvergunning - rekening houdend met het feit dat 29 december 1996 een zondag was -een juiste toepassing gegeven aan het Vuurwerkbesluit en terecht bepaald dat vuurwerkverkoop was toegestaan op 28, 30 en 31 december 1996. Dit voorschrift is dan ook rechtmatig.

De stelling van eiser, inhoudend dat hem op grond van het Vuurwerkbesluit is afgenomen hetgeen hem op grond van de Winkeltijdenwet is toegestaan, snijdt geen hout. Eiser kon immers tijdens de in de gemeente Amsterdam op 29 december 1996 vastgestelde koopzondag zijn reguliere winkelactiviteiten uitoefenen. Dat dit, naar zeggen van eiser, in zijn winkel om praktische redenen niet of slecht mogelijk was, is niet een omstandigheid die het aangevochten voorschrift onrechtmatig doet zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de verleende vuurwerkvergunning de tijden voor de verkoop van vuurwerk op grond van de bepalingen van de APV in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast in redelijkheid kunnen vaststellen van 8.00 tot 20.00 uur. Ook eisers stelling, dat in zoverre is gehandeld in strijd met de Winkeltijdenwet snijdt geen hout.

De winkel van eiser mocht op grond van de bepalingen van de Winkeltijdenwet immers geopend zijn van 6.00 tot 22.00 uur. Het was eiser toegestaan gedurende deze tijden zijn reguliere winkelactiviteiten uit te oefenen.

Zoals hiervoor al aangegeven, kan het feit dat eiser gedurende de periode dat hij vuurwerk verkoopt zijn winkel ombouwt tot balieverkoop, waardoor het in de praktijk niet mogelijk is om op een bepaalde tijd de vuurwerkverkoop te stoppen en over te gaan op de verkoop van andere artikelen, niet tot het oordeel leiden, dat het aangevochten voorschrift onrechtmatig is. Zo het al onmogelijk zou zijn op de betreffende dagen - naast vuurwerk - reguliere artikelen te verkopen, is dit het gevolg van het feit dat eiser ervoor kiest die artikelen op de betreffende dagen (nagenoeg) geheel uit zijn winkel te verwijderen.

De rechtbank kan eiser evenmin volgen in zijn stelling dat voorschrift 7 van de vergunning dient te worden aangevuld met: "voorzover deze aanwijzingen berusten op enige wet". Naar het oordeel van de rechtbank is duidelijk dat in dit voorschrift wordt gedoeld op de aan de betrokken instanties wettelijk toegekende bevoegdheden. Ook dit onderdeel van het aangevochten besluit kan de rechterlijke toets derhalve doorstaan.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voorts wordt geen aanleiding gevonden om gebruik te maken van de bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is een grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, mist de rechtbank de bevoegdheid om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat die vordering moet worden afgewezen.

Beslist wordt als volgt.

4. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst af het verzoek tot schadevergoeding.

Gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.B. Filius, griffier,

en uitgesproken in het openbaar op: 13 januari 2000

door mr. B.J. van Ettekoven, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

coll.:

D: