Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA4740

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H 98/3987
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

C.1.1937 vs: 2 februari 2000

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM, EERSTE MEERVOUDIGE KAMER

Vonnis in de zaak met rolnummer H 98/3987 van

DE STAAT DER NEDERLANDEN (OFFICIER VAN JUSTITIE TE AMSTERDAM),

gevestigd te ’s-Gravenhage,

eiser bij dagvaarding van 1 december 1998,

procureur mr L.P. Broekveldt,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2]

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr [gedaagde 1].

Partijen worden hierna respectievelijk de Staat, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.

Gedaagden gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagden].

Verloop van de procedure

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

conclusie van eis

conclusie van antwoord

akte houdende in geding brengen producties met bewijsstukken van [gedaagden].

conclusie van repliek tevens houdende akte wijziging van eis met bewijsstukken

conclusie van dupliek, tevens antwoordakte wijziging eis met bewijsstukken

ter gelegenheid van het pleidooi door beide partijen genomen aktes en hun pleitnotities.

Partijen hebben vervolgens hun stukken overgelegd voor vonnis.

Gronden van de beslissing.

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende betwist, alsmede op grond van overgelegde en in zoverre niet betwiste bescheiden staat in dit geding het volgende tussen partijen vast.

a. [gedaagde 1] is advocaat.

[gedaagde 2] is eigenaar van een [winkel] met meerdere winkels en met een eigen [werkplaats].

b. [gedaagde 1] is, gerekend de datum van deze uitspraak, ruim 20 jaar opgetreden als advocaat van [gedaagde 2].

c. Medio 1997 zijn er in de pers berichten verschenen dat [gedaagde 2] betrokken zou zijn bij de handel in verdovende middelen.

Op 25 juni 1997 heeft [gedaagde 1] bij enkele parketten nagevraagd of [gedaagde 2] verdachte was van strafbare feiten..

Aan hem is toen meegedeeld dat dit op dat moment niet het geval was.

d. Op 16 juli 1997 heeft [gedaagde 1] met [gedaagde 2] een overeenkomst van geldlening gesloten, op grond waarvan [gedaagde 1] op eerste aanvraag van [gedaagde 2] gehouden was uit hoofde van lening middelen aan [gedaagde 2] te verschaffen tot maximaal f.500.000,00.

Tot zekerheid heeft [gedaagde 2] op diezelfde dag ten gunste van [gedaagde 1] een recht van hypotheek verleend op het voortdurend recht van erfpacht van de grond, eigendom van de gemeente Amsterdam, kadastraal bekend gemeente Amsterdam sectie [nummer], groot één are tweeenzestig centiare en de zich op die grond bevindende opstallen, zijnde een winkelhuis met drie afzonderlijke bovenwoningen, plaatselijk bekend als de [adres]. Eveneens is tot zekerheid voor die lening door [gedaagde 2] toen hypotheek verleend op het voortdurend recht van erfpacht van de grond, eigendom van de gemeente Amsterdam, kadastraal bekend gemeente Amsterdam sectie [nummer], groot achtennegentig centiare en de zich op die grond bevindende opstallen, zijnde een winkelhuis met drie afzonderlijke bovenwoningen, plaatselijk bekend te Amsterdam als [adres].

e. Onder deze hypothecaire lening heeft [gedaagde 2] in de loop van de tijd middelen opgenomen, waardoor hij inclusief enige rentenota’s ultimo 1997 een bedrag van tenminste ongeveer f.340.000,00 aan [gedaagde 1] verschuldigd was.

f. Bij vonnis van 4 juni 1999 van deze rechtbank is [gedaagde 2] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar en een geldboete van f.500.000,00 wegens - kort gezegd - deelneming aan een criminele organisatie en handel in verdovende middelen. [gedaagde 2] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan. Het gaat hier om misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

Het opsporingsonderzoek tegen [gedaagde 2] in deze strafzaak is aangevangen op 5 november 1997. Op 27 februari 1998 heeft de Rechter-Commissaris machtiging gegeven tot het openen van een gerechtelijk vooronderzoek op basis van art. 140 Wetboek van Strafrecht (WvS) en de Opiumwet.

[gedaagde 2] is op 10 maart 1998 aangehouden en op 12 maart 1998 is hij in voorlopige hechtenis genomen.

Bij beschikking van 31 maart 1998 heeft de Rechter-Commissaris een machtiging tot het openen van een strafrechtelijk financieel onderzoek - hierna SFO - gegeven, dienende tot het verkrijgen van inzicht in het wederrechtelijk verkregen voordeel van [gedaagde 2].

Bij de aanvraag daarvan heeft de Staat aangegeven dat het wederrechtelijk verworven voordeel van [gedaagde 2] zou moeten worden geschat op f. 1.960.000,00

g. Op de voet van art. 94a Wetboek van Strafvordering (WvSv) heeft de Staat op 18 mei 1998 conservatoir beslag gelegd op de onroerende zaken van [gedaagde 2] aan de [adres] en de [adres] te Amsterdam. Voorts heeft de Staat die dag op dezelfde voet beslag gelegd op twee privébankrekeningen van [gedaagde 2] bij ING Bank N.V. Tenslotte heeft de Staat toen nog derdenbeslag gelegd op al hetgeen [gedaagde 2] heeft te vorderen van een zekere [betrokkene].

2. De Staat stelt dat [gedaagden]. in ieder geval sinds juni 1997 wisten dat [gedaagde 2] verdacht werd van strafbare feiten.

In een op 10 mei 1996 in het openbaar uitgebracht rapport Onderzoek naar het functioneren van de RCID Kennemerland wordt naar [gedaagde 2] verwezen als “[bijnaam]”.

In de pers wordt vervolgens duidelijk dat met [bijnaam] [gedaagde 2] wordt bedoeld. In NRC Handelsblad wordt [bijnaam] op 24 juni 1997 omschreven als “de gevierde [leeftijd]-jarige Amsterdamse [beroep] - uitvinder van de [product]”.

Volgens de Staat zijn de geldlening en de in verband daarmee verleende hypothecaire zekerheid paulianeuze handelingen in de zin van art. 3:45 env. BW waardoor de Staat wordt benadeeld. De Staat stelt in zijn verhaalsmogelijkheden voor de door de rechter aan [gedaagde 2] op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk voordeel door die rechtshandelingen van [gedaagde 2] te zijn benadeeld. Volgens de Staat wisten of behoorden [gedaagden]. te weten dat de overeenkomst van geldlening en de daaraan verbonden hypothecaire zekerheidstelling tot benadeling van één of meer schuldeisers van [gedaagde 2] zou leiden. Met de uit de lening door [gedaagde 2] verkregen middelen zijn volgens de Staat één of meer declaraties van [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] aan [gedaagde 1] voldaan. Voorts zijn daaruit betalingen gedaan aan een besloten vennootschap waarvan [gedaagde 1], zij het indirect, nagenoeg alle aandelen houdt, terwijl niet kan worden nagegaan op grond van welke diensten [gedaagde 2] verplichtingen jegens die besloten vennootschap heeft verkregen.

Om die reden vordert de Staat na wijziging van eis, samengevat:

- bij dictum het beroep in rechte van de Staat op de vernietigingsgrond ex artt. 94d WvSv jo 3:45 env BW ter vernietiging van de overeenkomst van 16 juli 1997, c.q. het samenstel van rechtshandelingen die hebben geleid tot vestiging van de hiervoor onder 1d genoemde hypotheken te aanvaarden;

- [gedaagde 1] te veroordelen aan de Staat binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een verklaring van waardeloosheid te geven welke ex artt 3:28 en 3:29 BW in de openbare registers zal kunnen worden bijgeschreven;

- voor zover [gedaagde 1] niet (tijdig) meewerkt aan afgifte van de verklaring van waardeloosheid, de inschrijving van de aktes van hypotheekvestiging met betrekking tot de hiervoor onder 1d genoemde hypotheken waardeloos te verklaren met machtiging van de bewaarder van het register tot doorhaling daarvan;

- tenslotte met veroordeling van [gedaagden]. in de kosten van het geding.

3. [gedaagden]. bestrijden de vorderingen. Volgens hen is geen sprake van een rechtshandeling waardoor één of meer schuldeisers is benadeeld. Voorts voeren zij tot hun verweer aan dat [gedaagde 2] ten tijde van het aangaan van de lening niet van een strafbaar feit werd verdacht, zoals blijkt uit hetgeen het openbaar ministerie op vragen van [gedaagde 1] kort voor het aangaan van de lening heeft geantwoord.

[gedaagde 1] is vermogend en heeft, op zoek naar een goede beleggingsmogelijkheid, op advies van zijn belastingadviseur, een deel van zijn vermogen willen beleggen door geld te lenen aan [gedaagde 2]. Er is sprake van een normale wijze van vermogensbeheer.

4. Het hiervoor genoemd veroordelend strafvonnis tegen [gedaagde 2] van deze rechtbank is nog niet onherroepelijk.

Indien en zodra dit strafvonnis onherroepelijk is geworden staat vast dat de Staat een schuldeiser van [gedaagde 2] is in de zin van art. 3.35 BW env. Ook indien het SFO leidt tot een ontnemingsbeslissing ten laste van [gedaagde 2] staat vast dat de Staat schuldeiser is van [gedaagde 2] in de zin van artikel 3.45 BW.

Op het moment waarop partijen deze uitspraak hebben gevraagd staat derhalve nog niet vast dat de Staat een vordering heeft op [gedaagde 2] op grond waarvan hij reeds nu onvoorwaardelijk toewijzing kan verlangen van hetgeen hij heeft gevorderd in dit geding.

Dit neemt niet weg dat op grond van het nog niet onherroepelijke veroordelend strafvonnis de redelijke verwachting bestaat dat de Staat schuldeiser is van [gedaagde 2] in de hiervoor bedoelde zin. Gelet op het bepaalde in artikel 94d WvSv is de Staat in de persoon van de officier van justitie daarom reeds thans ontvankelijk in zijn vorderingen in dit geding.

De rechtbank zal in het belang van een voorspoedig verloop van dit civiele geding daarom hierna veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat de Staat schuldeiser van [gedaagde 2] is.

Indien de rechtbank op grond van haar onderzoek en beoordeling tot het oordeel komt dat overigens is voldaan aan de vereisten tot vernietiging van de door de Staat gewraakte rechtshandelingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zal de beslissing op de vorderingen van de Staat in dit geding worden aangehouden totdat de meest gerede partij de rechtbank zal informeren over de staat van het strafvonnis of de beslissing op de ontnemingsvordering.

Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat niet is voldaan aan één of meer van die vereisten kan de vordering aanstonds worden afgewezen.

5. Met dit als uitgangspunt zal hierna worden onderzocht of aan de overige vereisten voor het instellen van een actio pauliana is voldaan, te weten het onverplicht verrichten van een rechtshandeling (i), benadeling van de Staat als schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkheden daardoor (ii) en de wetenschap of het behoren te weten dat van het onverplicht handelen benadeling van schuldeisers het gevolg zou zijn (iii).

6. Onverplichte rechtshandeling.

De overeenkomst van geldlening en de daaraan verbonden hypothecaire zekerheidstelling zijn rechtshandelingen die [gedaagde 2] en [gedaagde 1] onverplicht hebben verricht. Weliswaar kan worden gezegd dat de zekerheidstelling een verplichting was op grond van de overeenkomst van geldlening, maar die beide rechtshandelingen kunnen niet los van elkaar worden gezien, nu de bereidheid van [gedaagde 1] tot het verstrekken van de geldlening gekoppeld was aan hypothecaire zekerheidstelling. Noch op [gedaagde 1] noch op [gedaagde 2] rustte enige rechtsplicht jegens de ander om de overeenkomst van geldlening te sluiten en de daaraan verbonden zekerheid te stellen.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben nog wel gesteld dat zij eerder hebben gesproken over het aangaan van een dergelijke geldlening, maar dat eerder dan 16 juli 1997 de verplichting is ontstaan om die overeenkomst te sluiten kan uit hetgeen zij dienaangaande over verschillende tijdstippen hebben gesteld niet blijken en behoeft ook niet verder te worden onderzocht nu zij daar ook geen voldoende gemotiveerd bewijsaanbod van hebben gedaan.

Nu de overeenkomst tot geldlening [gedaagde 1] niet verplichtte tot onmiddellijke betaling van het gehele bedag, maar het geleende bedrag beschikbaar is gesteld in de vorm van een krediet, zoals uit de processtukken blijkt, behoort tot het het samenstel van rechtshandelingen dat op een paulianeus karakter dient te worden onderzocht niet alleen de overeenkomst tot geldlening en de daaraan verbonden zekerheidstelling alszodanig, maar ook iedere betaling die vervolgens uit dien hoofde door [gedaagde 1] daaronder is gedaan. Daartoe dient tevens te worden onderzocht waartoe de middelen die [gedaagde 2] onder die betaling kreeg door hem zijn benut en in hoeverre [gedaagde 1] op de hoogte was of had behoren te zijn van de bestemming van die midelen.

7. Benadeling van de Staat als schuldeiser

Of de Staat als schuldeiser is benadeeld in de zin dat de Staat zijn vordering(en) op [gedaagde 2] niet of niet volledig kan verhalen kan eerst blijken indien de Staat bevoegd is tot verhaal van zijn vorderingen als hiervoor besproken over te gaan.

De vraag of de Staat in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld door de hiervoor bedoelde rechtshandelingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kan echter niet uitsluitend bevestigend worden beantwoord in het geval de Staat zijn vorderingen op [gedaagde 2] niet of niet voor het geheel op het vermogen van [gedaagde 2] kan verhalen.

Van benadeling van verhaalsmogelijkheden is ook reeds sprake in het geval een bepaald voor (eenvoudig) verhaal vatbaar vermogensbestanddeel geheel of gedeeltelijk aan de verhaalsmogelijkheden voor één of meer schuldeisers wordt onttrokken, terwijl niet gelijktijdig een vergelijkbaar vermogensbestanddeel voor verhaal voor die schuldeisers beschikbaar komt.

Dat kan het geval zijn indien onverplicht een geldlening ter beschikking wordt gesteld aan de debiteur, terwijl de aldus beschikbaar gekomen liquiditeit niet in het vermogen van die debiteur wordt opgenomen, maar ten goede komt aan de crediteur uit die overeenkomst van geldlening of aan één of meer andere schuldeisers, en het bedrag waarvoor zekerheid is gesteld door een betaling van de debiteur aan die crediteur(en) niet wordt verminderd.

Dat geval doet zich hier voor.

Voorop gesteld wordt dat door [gedaagden]. bij conclusie van antwoord is aangevoerd dat de geldlening door [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] is verstrekt om te voorzien in diens financieringsbehoefte voor de aankoop van een onroerende zaak en dat in dit geding niet is gesteld of gebleken dat enig deel van die geldlening daartoe is aangewend. Uit de in geding gebrachte notariële akte van geldlening blijkt deze door [gedaagden]. gestelde strekking van de geldlening ook niet.

Daarentegen is in dit geding wat de besteding van de op grond van de geldlening door [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] beschikbaar gestelde bedragen betreft het volgende gebleken.

Bij conclusie van antwoord hebben [gedaagden]. erkend dat [gedaagde 2] met de uit de geldlening beschikbaar gekomen middelen op 8 oktober 1997 een declaratie van [gedaagde 1] ten bedrage van f.15.000 exclusief BTW (f.18.506,25 inclusief BTW) heeft voldaan voor door [gedaagde 1] in zijn hoedanigheid van advocaat aan [gedaagde 2] verleende diensten.

Die betaling aan [gedaagde 1] is derhalve niet in mindering gebracht op het toen openstaande saldo voor de geldlening, waardoor [gedaagde 1] ten opzichte van andere crediteuren een betere verhaalsmogelijkheid heeft gecreëerd voor een deel van zijn vorderingen op [gedaagde 2], namelijk voor zijn vordering uit aan [gedaagde 2] verleende bijstand als advocaat. Betaling van die factuur vond plaats door afboeking daarvan op het onder [gedaagde 1] ten behoeve van [gedaagde 2] op grond van de geldlening openstaande depot, zoals blijkt uit hetgeen [gedaagden]. onder 75. van hun dupliek hebben aangevoerd.

Bij pleidooi is [gedaagde 1] weliswaar teruggekomen op zijn aanvankelijke erkenning van de wijze van betaling van deze factuur, doch hij heeft geen argumenten gegeven op grond waarvan die erkenning als een kennelijke en voor herstel vatbare misslag kan worden opgevat, zodat de rechtbank [gedaagden]. aan hun erkenning bij conclusies van antwoord en dupliek zal houden.

Tussen partijen is ook komen vast te staan dat [gedaagde 1] reeds vrij kort na het sluiten van de overeenkomst van geldlening, namelijk op 5 september 1997, ten behoeve van [gedaagde 2] uit het voor [gedaagde 2] uit de geldlening beschikbare bedrag een betaling van f.117.500,00 heeft gedaan aan [naam vastgoedbedrijf]

Volgens [gedaagden]. heeft [naam vastgoedbedrijf] diensten verleend aan [gedaagde 2] in verband met diens voornemen om onder de naam “[naam]” op [adres] in Amsterdam een grand café te vestigen.

De Staat heeft echter de realiteit van die factuur van [naam vastgoedbedrijf]gemotiveerd betwist.

Daarbij heeft de Staat er op gewezen dat [gedaagde 1] zo niet enig dan wel nagenoeg enig houder van de aandelen in [naam vastgoedbedrijf]. is, de houdster van alle aandelen in [naam vastgoedbedrijf] [gedaagde 1] heeft tijdens het pleidooi erkend dat hij 95% van de aandelen in [naam vastgoedbedrijf]. houdt, terwijl 5% naar zijn zeggen wordt gehouden door een zekere [betrokkene 2].

Vaststaat daarmee dat [gedaagde 1], zij het indirect, uiteindelijke belanghebbende bij die betaling van [gedaagde 2] aan [naam vastgoedbedrijf] was.

Gevraagd tijdens pleidooi waaruit de activiteiten van [naam vastgoedbedrijf] waarvoor zij [gedaagde 2] heeft gefactureerd hebben bestaan, hebben [gedaagden]. volstaan met vage aanduidingen van die werkzaamheden. Nadat [gedaagde 1] ter terechtzitting aanvankelijk volhield dat van die werkzaamheden en de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst(en) nog een dossier beschikbaar was waaruit het bewijs daarvan kon voortvloeien heeft hij op vragen van de rechtbank uiteindelijk toegegeven dat hij niet wist of een dergelijk dossier er nog was en dat niet kon worden uitgesloten dat het dossier niet meer omvatte dan de hier bedoelde factuur. Van zijn kant heeft [gedaagde 2] verklaard niet te weten of hij nog over bewijsstukken met betrekking tot de hier bedoelde diensten beschikt. Ook [gedaagde 2] heeft niet opgehelderd welke diensten door [naam vastgoedbedrijf] ten behoeve van hem in concreto zijn verricht.

Dit in aanmerking nemend komt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] door aldus een betaling te doen aan [naam vastgoedbedrijf] uit de middelen die onder de geldlening door [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] ter beschikking werden gesteld een rechtshandeling hebben verricht waardoor de overige crediteuren van [gedaagde 2] werden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden, welke benadelingsmogelijkheid een rechtstreeks gevolg was van de onverplicht gesloten overeenkomst van geldlening en de in verband daarmee gevestigde hypotheken.

Volgens de Staat zou [gedaagde 2] ook voor een bedrag van f.125.000,00 zwart hebben betaald aan [gedaagde 1].

[gedaagden]. bestrijden dit.

Vaststaat dat [gedaagde 1] op 7 augustus 1997 een bedrag van f. 125.000,00 uit hoofde van de geldlening aan [gedaagde 2] heeft betaald.

Dat [gedaagde 2] vervolgens dit bedrag zwart aan [gedaagde 1] heeft betaald leidt de Staat af uit de verklaring van een zekere [getuige], door deze afgelegd als getuige in de strafzaken tegen [gedaagde 2] tegenover de rechter-commissaris in strafzaken bij deze rechtbank.

[gedaagden]. hebben hier tegen aangevoerd dat [getuige] een zeer onbetrouwbare persoon is aan wiens verklaringen geen waarde kan worden gehecht. Dit standpunt vindt steun in een verklaring die de officier van justitie Snijders tegenover de rechter commissaris in strafzaken bij de rechtbank te Haarlem heeft afgelegd.

Nu op dit punt geen verder, voldoende geconcretiseerd bewijsaanbod door de Staat is gedaan laat de rechtbank de verklaring van [getuige] voor wat zij is en kan daar geen bewijs aan worden ontleend voor de gestelde zwarte betaling door [gedaagde 2] aan [gedaagde 1].

8. [gedaagden]. hebben ter afwering van de vorderingen nog aangevoerd dat [gedaagde 2] thans over een aanzienlijk vermogen beschikt bestaand uit de waarde van aan hem in eigendom behorende onroerende zaken en de waarde van zijn ondernemingen, zodat andere crediteuren nog over voldoende andere verhaalsmogelijkheden beschikken.

De Staat bestrijdt dit.

Naast hetgeen hiervoor onder 7. reeds is overwogen over de vraag of de Staat is benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden op het vermogen van [gedaagde 2] wordt daarom nog het volgende overwogen.

Voorshands is aannemelijk dat het standpunt van de Staat niet zonder goede gronden wordt ingenomen. Weliswaar hebben [gedaagden]. een verklaring van [betrokkene 3], belastingadviseur van [gedaagde 2], in geding gebracht, inhoudende dat de bedrijven van [gedaagde 2] volstrekt gezond zijn en dat er sprake is van een behoorlijke eigen vermogenspositie, daar staat echter tegenover dat [gedaagden]. bij conclusie van antwoord hebben aangevoerd dat [gedaagde 2] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van geldlening niet het risico wilde lopen dat hij de financiering van de aankoop van een pand op de hoek van de [adres] en de [adres] niet rond zou kunnen krijgen, zoals hem eerder bij de aankoop van dat pand was overkomen.

Ook hebben [gedaagden]. bij conclusie van antwoord er op gewezen dat in het voorjaar van 1997 in een overleg bleek dat bij [gedaagde 2] een verdere financieringsbehoefte bestond en dat in verband met de bestaande financiering bij diverse instellingen en de opstelling van de huisbankier bleek dat het uiterst onvoordelig dan wel niet mogelijk bleek om binnen één van de bestaande geldschieters een nieuwe dan wel aanvullende lening te verkrijgen.

Dit deel van het verweer kan daarom in deze fase van het geding nog niet tot afwijzing van de vorderingen leiden.

9. De wetenschap van benadeling van één of meer schuldeisers.

Door de betalingen van declaraties van [gedaagde 1] en [naam vastgoedbedrijf] uit de geldlening als hiervoor vastgesteld onder handhaving van de hypothecaire zekerheid voor de vordering uit geldlening staat vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wisten of behoorden te weten dat zij andere schuldeisers van [gedaagde 2] in hun verhaalsmogelijkheden benadeelden.

10. Met het bovenstaande staat vast dat, indien komt vast te staan dat Staat een vordering heeft op [gedaagde 2], aan de overige voorwaarden voor aanvaarding van de vernietigingsgrond als door de Staat aangevoerd is voldaan.

11. De vordering tot veroordeling van [gedaagde 1] tot afgifte van een verklaring van waardeloosheid is echter niet toewijsbaar. De vernietigingsgrond van artikel 94d WvSv houdt een relatieve, geen absolute nietigheid in van de aangevochten rechtshandelingen en leidt er slechts toe dat de voorrang bij de verdeling van de executoriale opbrengst van de met hypotheek belaste onroerende zaak niet geldt tegen de Staat, tot het bedrag waarvoor de Staat door de gewraakte rechtshandelingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in zijn verhaalsmogelijkheid is benadeeld, blijkens het voorgaande tot het bedrag van f. 18.506,25 en het bedrag van f. 117.500,00, in totaal derhalve tot het bedrag van f.136.006,25, doch voor het overige behouden die rechtshandelingen, zowel tegenover de Staat als tegenover derden hun waarde.

Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen, zodat ook het gevorderde bij gebreke van medewerking van [gedaagde 1] op dit punt niet kan worden toegewezen.

12. Zoals hiervoor is overwogen dient de beslissing op het onder 1. gevorderde te worden aangehouden totdat de meest gerede partij de rechtbank nader zal informeren omtrent de staat van het hiervoor besproken strafrechtelijk vonnis tegen [gedaagde 2] en omtrent de staat van de ontnemingsvordering.

Beslissing

De rechtbank:

wijst de vorderingen onder 2. en 3. van het bij repliek gewijzigde petitum af;

houdt iedere verdere beslissing aan en verwijst de zaak naar de rolzitting van 29 december 2000 of zoveel eerder als de meest gerede partij wenselijk acht, teneinde de meest gerede partij in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de staat van het strafvonnis gewezen tegen [gedaagde 2] en over de staat van de ontnemingsvordering tegen [gedaagde 2].

Aldus gewezen door mrs Peeters, Rang en de Koning, leden van deze rechtbank, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 2 februari 2000, in aanwezigheid van de griffier.