Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2000:AA4692

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
13/047226-98
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

datum uitspraak: 2 februari 2000

op tegenspraak

+-------------------+

¦ VERKORT VONNIS ¦

+-------------------+

van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam,

DE POLITIERECHTER

in de strafzaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

ingeschreven in de gemeente-lijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] te [woonplaats].

De politierechter heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onder-zoek op de terechtzittingen van 11 november 1999 en 19 januari 2000.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting gewijzigd.

Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen aan dit vonnis gehecht.

De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

2.1. Namens de verdachte is primair aangevoerd dat de telastelegging ten aanzien van het eerste feit een obscure, want onbegrijpelijke tekst vormt, nu ten onrechte de artikelen 180 en 181 van het Wetboek van Strafrecht worden genoemd als strafbare feiten terzake waarvan de verdachte werd aangehouden, waarna hij zich tegen die aanhouding zou hebben verzet. De onbegrijpelijkheid van de telastelegging zou door nietigheid van de dagvaarding moeten worden getroffen, aldus de verdediging.

In het algemeen is het juist dat de telastelegging een begrijpelijke en innerlijk consistente tekst moet vormen; deze eis is echter geen doel op zich, maar strekt ertoe dat de telastelegging zodanig duidelijk overbrengt wat het Openbaar Ministerie tegen de verdachte wil inbrengen dat de verdachte kan weten waartegen hij zich zal hebben te verdedigen.

In dit geval was het voor de verdachte volstrekt duidelijk welke gedragingen hem werden verweten, zodat voor nietigverklaring van de dagvaarding geen aanleiding bestaat.

2.2. Namens de verdachte is voorts aangevoerd dat de tekst van artikel 2.19 van de Algemene Plaatselijke Verordening aan het door de buurtregisseur op 23 april 1998 uitgevaardigde stoepverbod in de weg staat.

Deze redenering wordt verworpen. De buurtregisseur kon de verdachte op basis van het portiekverbod uit de APV een proces-verbaal aanzeggen, zeker nu vaker jongeren van die locatie waren weggestuurd na herhaalde en gemotiveerde klachten van de bewoners die via die stoep hun woningen moeten betreden.

3. Waardering van het bewijs.

Uit de verhoren van de politiefunctionarissen bij de rechter-commissaris in verband met de processen-verbaal van het opsporingsonderzoek is komen vast te staan dat verdachte, in een geïrriteerde situatie weggestuurd van het speelplaatsje na het prullenbakincident, heeft gezegd dat hij op de stoep van de bejaardenwoningen zou gaan zitten, dat hij is gewaarschuwd dat na te laten en dat hem, toen hij het toch deed, een proces-verbaal is aangezegd. Toen hij vervolgens wilde weglopen werd hij aangehouden, waarna hij de aanhouding op gewelddadige wijze heeft belemmerd.

Ook overigens wordt de aan verdachte in feit 1 telastegelegde wederspannigheid op grond van de verklaringen die bij de rechter-commissaris zijn afgelegd door de politiemensen bewezen geacht. Tegenover deze verklaringen vormen de verklaringen die door de getuigen die door de verdediging zijn voorgesteld en de zienswijze van de verdachte onvoldoende weerlegging.

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair:

op 23 april 1998 te Amsterdam toen de aldaar dienstdoenden

[slachtoffer1] en [slachtoffer 2], verdachte op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het bureau Wijkteam [naam bureau], zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en te trekken en te duwen in de andere richting dan waarheen verbalisanten hem wilden brengen en door om zich heen te slaan en door [slachtoffer1] in zijn arm te bijten en te trachten die [slachtoffer1] in zijn been te bijten en die [slachtoffer1] een zogenaamde kopstoot te geven in het gezicht en die [slachtoffer 2] in zijn arm te bijten en die [slachtoffer 2] met zijn hoofd, welke werd beschermd door een motorhelm, tegen de muur te duwen en door die [slachtoffer1] en [slachtoffer 2] te schoppen en te slaan tegen de lichamen van die [slachtoffer1] en [slachtoffer 2], tengevolge waarvan de opsporingsambtenaar [slachtoffer1] enig lichamelijk letsel, te weten een bijtwond in de linkeronderarm en een lichte zwelling van zijn wenkbrauw bekwam.

4. Het bewijs.

De politierechter grondt zijn beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit en de verdachte.

Omtrent de strafbaarheid en verwijtbaarheid zijn door verdachte argumenten aangedragen die erop neerkomen dat zijn handelwijze een te rechtvaardigen of te verontschuldigen reactie vormde op een niet te rechtvaardigen optreden van de zijde van de politie.

Hiertoe is aangevoerd dat het wegsturen van verdachte van het speelplaatsje een misplaatste en onjuiste uitoefening van bevoegdheden was, dat aan verdachte niet bekend was dat hij niet op het gewraakte stoepje mocht zitten en dat hij de door de buurtregisseur gegeven waarschuwing daar niet te gaan zitten niet had gehoord, dat hij nota bene in zijn eigen straat tegenover zijn ouderlijke woning ging zitten, en dat tenslotte ten onrechte tot aanhouding van verdachte is overgegaan.

Hierbij is bovendien onder meer aangevoerd dat op de achtergrond de slechte verhouding speelt tussen het gezag en de Marokkaanse jongeren, terwijl onvoldoende gekwalificeerd politiepersoneel wordt ingezet en de mentaliteit van vele politiemensen anti-Marokkaans is.

De stelling dat de verhouding tussen de politie en de Marokkaanse jongeren slecht is kan direct worden onderschreven.

De vraag is echter wat de betekenis is van die stelling in het licht van de opdracht die de politie in het rechts- en bestuurssysteem heeft te vervullen.

Aan de politie is de taak toebedeeld om met inachtneming van de geldende wetten en regels recht en orde in het betrokken stadsdeel te handhaven. Nu uit niets blijkt dat die taak niet naar behoren wordt vervuld mag van hen, over wie het gezag van de politie is gesteld, worden gevraagd zich te conformeren aan dat gezag en aan de practische uitoefening daarvan. Daarbij is van belang dat de politie en het door haar gehandhaafde maatschappelijke systeem ook voor de Marokkaanse jongeren voordelen, perspectieven en bescherming biedt.

Als er lacunes in het functioneren van de politie worden gevoeld dan zijn er verschillende kanalen waarlangs onvrede of kritiek aan de orde kan worden gesteld, waarbij noch het recht noch de openbare orde worden bedreigd.

Blijkens het rapport van het Crisis Onderzoeks Team (COT) vormen de gebeurtenissen van 23 april 1998 een hoogte punt van een al maanden durende escalatie, waarbij openbare diensten zich uit delen van de wijk dreigen terug te trekken en politiepersoneel het slachtoffer is geworden van herhaaldelijke, vaak ernstige beledigingen en intimidaties. Permanent wordt de uitoefening van het gezag uitgedaagd middels scheldpartijen, brutaal gedrag en dreigementen via kleine groepscriminaliteit en ordeverstoringen tot zeer ernstige strafbare feiten.

Een coöperatieve houding blijkt slechts zelden, de politie wordt ook als het gaat om opsporing van strafbare feiten op een zo groot mogelijke afstand gehouden, meewerken met de politie wordt als onfatsoenlijk gezien, en dat wordt slechts doorbroken bij een project als "Beware, watch out" van Rob Raat.

De gebeurtenissen van 23 april 1998 moeten in dit perspectief worden gezien. Het optreden van verdachte bij het prullenbakincident en even later het stoepincident ademen de sfeer van uitlokken door passief gedrag, hetgeen het schijnbare voordeel heeft dat de andere kant het altijd fout doet. Als de situatie escaleert voegen [medeverdachte 1], broer van verdachte, en [medeverdachte 2] zich onvoorwaardelijk aan de zijde van verdachte, daarin gesteund door de vader van verdachte die vanuit zijn positie van drager van het ouderlijk gezag een rol probeert te spelen.

In een situatie waarin het gezag van de politie permanent wordt afgewezen en elke politiehandeling voortdurend de maat wordt genomen is er geen politieoptreden denkbaar dat niet tot enige escalatie leidt. In het rapport van het COT wordt gesignaleerd dat al maanden de loutere aanwezigheid van politiepersoneel in de buurt negatieve, bedreigende of kwetsende reacties uitlokt, en aanhoudingen bij winkeldiefstal of misdrijven rond bromfietsen tot kleine rellen escaleren.

Het prullenbakincident is in zoverre het zoveelste incident in een reeks.

Hier moet bij vermeld worden dat aan de zijde van de politie was besloten tot een harder en consequenter optreden, waarmee het risico van ongewenste escalatie werd genomen.

De vier verdachten hebben deze verharding aan den lijve ondervonden; zij zijn verrast door de meer consequente aanpak van de politie in een situatie die men voordien zou hebben laten liggen.

Gegeven de geschetste verhoudingen in de buurt is niet gebleken van onjuist optreden of het maken van onjuiste afwegingen bij dat optreden.

Wel is scherp naar voren gekomen dat repressief politieel optreden alleen, zonder dat vanuit het bestuur op preventief en welzijnsgebied initiatieven worden genomen, nauwelijks in staat is om de spinnige verhouding tussen de jongeren en het gezag te keren.

Van een vorm van noodweer is dus geen sprake; daarop betrekking hebbende verweren worden verworpen. Dat verdachte de waarschuwing van de buurtregisseur niet had gehoord is niet aannemelijk geworden. Aan de omstandigheid dat hij tegenover zijn eigen huis wilde zitten kan geen zelfstandige betekenis worden toegekend.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aan-nemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf-baar-heid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook straf-baar.

7. Motivering van de straf.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De politierechter heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan het volgende laten meewegen:

Enerzijds speelt een rol dat niet alleen voor de verdachte maar ook voor andere jongeren in de buurt duidelijk moet zijn dat ongeremd agressief en provocerend gedrag tegenover politiepersoneel niet aanvaard kan worden, terwijl ook de betrokken ouders daarmee helderheid krijgen over de grenzen van het gedrag van hun kinderen.

Anderzijds moet gewaardeerd worden dat de verdachte tijdens drie zittingen, een plaatsopneming en een langdurige zitting in het kantoor van de stadsdeelraad actief heeft bijgedragen aan een procedure, die ten dele over het hoofd van de verdachte werd gevoerd.

Voorts is verdachte eerder veroordeeld, maar heeft sedert 23 april 1998 geen nieuwe contacten met de politie meer gehad.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straf is gegrond op de arti-kelen 14a, 14b, 14c, 181 van het Wetboek van Strafrecht.

De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing:

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt ver-dachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

primair:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte]daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE WEKEN.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in minde-ring zal worden gebracht.

Beveelt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr H.W.J. de Groot politierechter,

in tegenwoordigheid van mr M.L.B.E. Kollmar griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze recht-bank van 2 februari 2000.