Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:1999:AA4859

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/4023 VEROR 19
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

reg.nr. : AWB 98/4023 VEROR 19

inzake : Vereniging van Eigenaren Tolstraat 92/94, statutair gevestigd te Amsterdam, eiseres,

tegen : het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel Zuid/De Pijp van de gemeente Amsterdam (als rechtsopvolger van het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel De Pijp van de gemeente Amsterdam), verweerder.

1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT

Besluit van verweerder van 31 maart 1998,

kenmerk 97/3481.

2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij schrijven van 8 september 1995 heeft het Hoofd van de Afdeling Behoud, Herstel en Nieuwbouw van het stadsdeel De Pijp aan eiseres medegedeeld dat het verzoek van eiseres om gebruik te maken van de subsidie voor particuliere woningbezitters niet kan worden gehonoreerd, en dat een eventuele aanvraag zal moeten worden afgewezen.

Hiertegen heeft eiseres op 15 oktober 1995 een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 2 juli 1996 heeft verweerder de bezwaren van eiseres deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Het primaire besluit is gehandhaafd, onder wijziging en aanvulling van de motivering.

Het tegen dit besluit namens eiseres op 14 augustus 1996 ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 27 november 1997 niet-ontvankelijk verklaard, waarbij is bepaald dat het beroepschrift in handen van de griffier zal worden gesteld teneinde dit door te zenden aan verweerder ter behandeling als bezwaarschrift.

Verweerder heeft vervolgens bij het bestreden besluit het bezwaarschrift van 14 augustus 1996 ongegrond verklaard, het besluit van 2 juli 1996 ingetrokken en daarvoor in de plaats gesteld "het besluit in heroverweging".

Tegen dit besluit heeft mr. R.M.G. Sussenbach, advocaat te Amsterdam, bij beroepschrift van 14 mei 1998 beroep ingesteld en op de daartoe aangevoerde gronden de rechtbank verzocht het bestreden besluit te vernietigen, zelf in de zaak te voorzien en eiseres de gevraagde subsidie toe te kennen, onder veroordeling van verweerder in de proceskosten. Voorts is schadevergoeding gevorderd. Op 30 juli 1998 is een aanvullend beroepschrift ingezonden.

Verweerder heeft op 10 augustus 1998 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 10 augustus 1998 heeft de gemachtigde van eiseres een nadere reactie ingezonden en verzocht om vergoeding van reeds gemaakte administratiekosten in verband met de subsidieaanvraag ten bedrage van fl. 171,55.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 17 november 1999, alwaar namens eiseres is verschenen P.J.A. Booy, voorzitter, en

W. Nederhand, bestuurder, bijgestaan door mr. R.M.G. Sussenbach, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.M. Neerings, juridisch medewerker bij verweerders stadsdeel, en H. Starreveld, hoofd van de afdeling nieuwbouw en woningverbetering van de sector ruimtelijke en economische ontwikkeling van verweerders stadsdeel.

3. MOTIVERING

Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Feiten

Allereerst wordt uitgegaan van de feiten zoals deze zijn opgenomen in de - aangehechte - uitspraak van deze rechtbank van 27 november 1997 (reg.nr. 96/7892 VEROR 19).

Voorts wordt uitgegaan van de volgende feiten.

Verweerder heeft in het besluit van 2 juli 1996 - welk besluit blijkens voornoemde uitspraak van 27 november 1997 dient te worden aangemerkt als de beschikking op de aanvraag van eiseres, dat wil zeggen als primair besluit -onder meer overwogen:

"(...)

III. het bezwaarschrift d.d. 15 oktober 1995 van de Vereniging van Eigenaren Tolstraat 92-44 gericht tegen de afwijzingsbeslissing, nr. 73/2239 BWT 1995, d.d. 8 september 1995, voor zover het betreft het eerste bezwaar ongegrond, en voor zover het betreft het tweede bezwaar gegrond, te verklaren;

IV. de bestreden afwijzingsbeslissing nr. 732239 BWT 1995, d.d. 8 september 1995, te handhaven, evenwel onder de navolgende wijziging/aanvulling:

a) intrekking van de overweging:

... Op grond van bovenstaande gegevens zal een eventuele aanvraag moeten worden afgewezen..."

b) als aanvullende overweging op te nemen:

"... Op grond van bovenstaande moeten wij uw aanvraag afwijzen..."

"... Aan uw verzoek toepassing te geven aan artikel 2.4 lid 2 van de Verordening kunnen wij niet voldoen. De door uw leden bewoonde appartementen zonder bouwvergunning in 1977 gerealiseerd zijn niet aan te merken als woning in de zin van de Verordening. Met de door u geplande herstelwerkzaamheden aan het pand (dak, en kozijnen) wordt het met de Verordening beoogde belang van de volkshuisvesting/ en of stadsvernieuwing niet gediend. Deze werkzaamheden rechtvaardigen geen afwijking van de voorwaarde van artikel 2.4 lid 1 aan hef onder a. Het feit dat de (deels voormalige bedrijfs-)panden dateren van 1917 rechtvaardigen evenmin een afwijking..."

(...)"

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres van 14 augustus 1996 gericht tegen het besluit van 2 juli 1996 - onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie van 1 april 1998 - ongegrond verklaard en het besluit van 2 juli 1996 ingetrokken en daarvoor in de plaats gesteld het volgende besluit:

" BESLUIT IN HEROVERWEGING

De aanvraag om subsidie op grond van hoofdstuk 2 van de Subsidieverordening stadsvernieuwing De Pijp 1991 (hierna: de verordening) van de Vereniging van eigenaars Tolstraat 92-94, ontvangen op 16 juni 1995, wordt hierbij geweigerd.

De woningen voldoen niet aan het leeftijdscriterium van artikel 2.4, eerste lid aanhef en onder a van de verordening aangezien zij voor bewoning gereed zijn gekomen in 1977. De mogelijkheid om van het leeftijdscriterium af te wijken, genoemd in artikel 2.4, tweede lid van de verordening, wordt niet toegepast, omdat geen sprake is van een bijzonder geval.

In het stadsdeel De Pijp is de situatie dat jaren na 1946 woningen zijn gerealiseerd in een casco dat dateert van voor 1946, zodanig gebruikelijk, dat een dergelijke situatie niet als een "bijzonder geval" in de zin van artikel 2.4, tweede lid van de verordening kan worden aangemerkt.

Er zijn evenmin bijzondere omstandigheden aanwezig die tot de conclusie moeten leiden dat sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 2.4, tweede lid van de verordening. "

De gronden van het beroep

In beroep is gesteld dat het bestreden besluit slechts stoelt op de overweging dat er in het stadsdeel De Pijp zoveel andere woningen zijn gerealiseerd in een casco van voor 1946 dat er geen sprake is van een bijzonder geval. Verweerder heeft voor dit standpunt geen enkel bewijs geleverd. Verweerder heeft evenmin aangegeven of er kenbaar schriftelijk beleid is waaruit afgeleid kan worden wanneer er wel en wanneer geen sprake is van een bijzonder geval. Dat is in strijd met het verbod van willekeur, aldus eiseres. Ten slotte is gesteld dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld, nu bij eiseres de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de subsidie zou worden verleend.

Het verweer

Verweerder heeft gesteld dat het een feit van algemene bekendheid is dat in Amsterdam in de afgelopen decennia veel oude bedrijfspanden van vóór 1946 tot woningen zijn verbouwd. Het is niet de bedoeling van de materiële wetgever geweest om het verbeteren van dergelijke in oude gebouwen gesitueerde relatief jonge woningen te subsidiëren. Indien de materiële wetgever dat wel had gewild, dan zou hij dat - gezien het frequent voorkomen van deze situatie - expliciet hebben geregeld. Het ligt niet in de rede om hiervoor de hardheidsclausule toe te passen. De subsidieregeling zou dan onaanvaardbaar worden opgerekt. Verweerder heeft aangegeven dat geen schriftelijk beleid is vastgelegd dat aangeeft in welke gevallen toepassing wordt gegeven aan artikel 2.4, tweede lid, van de Subsidieverordening stadsvernieuwing De Pijp 1991 (hierna: de Verordening). Elke aanvraag, die slechts tot subsidieverlening kan leiden indien toepassing wordt gegeven aan de hardheidsclausule, zal op zijn eigen merites worden beoordeeld. Een dergelijke werkwijze leidt niet tot willekeur, aldus verweerder. Verweerder heeft voorts medegedeeld dat de ambtenaar die de subsidieaanvraag in behandeling heeft genomen de vertegenwoordigers van eiseres er slechts op heeft gewezen dat de Verordening een afwijkingsmogelijkheid kent, dat aan het Dagelijks Bestuur een verzoek tot toepassing van de hardheidsclausule kan worden gericht, doch dat het aan het Dagelijks Bestuur is daarop te beslissen.

Overwegingen

Ter uitvoering van de artikelen 39 juncto 41 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing heeft verweerder de Subsidieverordening stadsvernieuwing De Pijp 1991 vastgesteld.

Artikel 2.1, eerste lid van de Subsidieverordening stadsvernieuwing De Pijp 1991 (zoals gewijzigd per 16 november 1993) luidt als volgt:

" Aan de eigenaar kan een bijdrage worden toegekend in de kosten van het treffen van voorzieningen tot opheffing van bouwtechnische gebreken dan wel het treffen van voorzieningen gericht op groot onderhoud aan de door deze eigenaar te bewonen woning."

Artikel 2.4 luidt - voorzover thans van belang - als volgt:

" 1. De bijdrage kan slechts worden toegekend indien:

a. de woning vóór 1946 voor bewoning is gereed gekomen.

b. (...)

c. (...)

2. In bijzondere gevallen kan het Dagelijks Bestuur afwijking toestaan van het bepaalde in het eerste lid onder a.

3. (...) "

Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige geval niet is voldaan aan het in artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder a, gestelde vereiste.

Het geschil beperkt zich tot de vraag of verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Verordening.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt dat er in de onderhavige situatie geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 2.4., tweede lid, van de Verordening onvoldoende gemotiveerd. Dit klemt temeer, nu verweerder de bij het besluit in primo ingenomen standpunten bij de beslissing op het bezwaarschrift volledig heeft verlaten.

Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit in strijd is met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde vereiste dat de beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Dit betekent dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep dient gegrond te worden verklaard.

De rechtbank zal om redenen van proceseconomie afzien van de opdracht aan verweerder (wederom) een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Eiseres zou dan immers opnieuw in de bezwaarschriftenprocedure terechtkomen en opnieuw in onzekerheid komen te verkeren omtrent de vraag of zij wel of niet in aanmerking komt voor subsidie. Dit wordt onwenselijk geacht. Daarom zal de rechtbank thans beoordelen of toepassing kan worden gegeven aan artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dat kader ziet de rechtbank aanleiding de toelichting die de gemachtigde van verweerder ter zitting op het bestreden besluit heeft gegeven, te betrekken bij de beoordeling van de vraag of het bestreden besluit ten materiële voldoende is gemotiveerd.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd drie voorbeelden gegeven van situaties die als bijzonder geval in de zin van de Verordening zouden kunnen worden aangemerkt. De volgende voorbeelden zijn genoemd:

1. Als in een pand een deel van de woningen is verhuurd, voor welke woningen subsidie kan worden verleend op grond van de rijksregeling, en een deel van het pand wordt bewoond door eigenaar-bewoners voor wie de rijksregeling niet geldt, dan zouden de woningen van de eigenaar-bewoners als bijzonder geval kunnen worden aangemerkt. Dit teneinde het pand als geheel te kunnen renoveren.

2. Als een deel van een complex in aanmerking komt voor subsidie op grond van de Verordening, en in een ander deel van het complex is een voormalige winkel die al meer dan 25 jaar wordt bewoond, dan zou deze voormalige winkel als bijzonder geval kunnen worden aangemerkt. Dit ook weer om het complex als geheel te kunnen opknappen.

3. Als het gaat om een pand dat in of vlak na 1946 is gebouwd, of een woning die in of kort na 1946 voor bewoning is gereed gekomen. Die situatie zou eventueel als bijzonder geval kunnen worden aangemerkt.

Ten slotte heeft de gemachtigde van verweerder medegedeeld in het stadsdeel De Pijp bekend te zijn met ongeveer vijf tot tien bedrijfspanden, die dateren van vóór 1946 en die na 1946 tot woningen zijn omgebouwd. De gemachtigde van verweerder heeft medegedeeld dat het daarbij om een veelvoud aan woningen gaat, en benadrukt dat dit slechts de gevallen zijn die verweerder bekend zijn.

De rechtbank overweegt dat verweerder niet verplicht is om een beleid te voeren ten aanzien van het in artikel 2.4, tweede lid, van de Verordening bepaalde. Verweerder diende de vraag te beantwoorden of in de onderhavige situatie al dan niet sprake was van een bijzonder geval. De invulling van

dat begrip in het bestreden besluit bezien in samenhang met de door de gemachtigde van verweerder ter zitting gegeven toelichting, acht de rechtbank niet onredelijk. Tegen deze achtergrond heeft verweerder op goede gronden kunnen beslissen, dat in het geval van eiseres geen sprake is van een bijzonder geval als hier bedoeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat er van de zijde van verweerder toezeggingen zijn gedaan waardoor er bij eiseres gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt dat zij in aanmerking zou komen voor de gevraagde subsidie. De omstandigheid dat door een ambtenaar aan eiseres is medegedeeld dat er een mogelijkheid bestaat tot het vragen van ontheffing van het leeftijdscriterium en dat er een bedrag van fl. 80.000,- voor eiseres zou worden gereserveerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt dan ook.

De rechtbank is ook overigens niet gebleken van feiten of omstandigheden die verweerder hadden moeten nopen tot het aannemen van een bijzonder geval.

Gelet op het vorenstaande dienen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand te blijven.

De rechtbank ziet aanleiding op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van fl. 1420,-. Van andere op grond van artikel 8:75 van de Awb te vergoeden kosten is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb stelt de rechtbank voorts vast dat het door eiseres gestorte griffierecht door de gemeente Amsterdam (stadsdeel Zuid-De Pijp) dient te worden vergoed.

De rechtbank ziet geen aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb. Weliswaar zal het beroep gegrond worden verklaard. De rechtbank ziet echter gelet op de grondslag van de vernietiging en de instandlating van de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geen gronden voor toewijzing van eventueel tengevolge van het bestreden besluit geleden schade.

Beslist wordt als volgt.

4. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder d.d. 31 maart 1998;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van fl. 1420,- (zegge: veertienhonderd en twintig gulden) te betalen door de gemeente Amsterdam (stadsdeel Zuid-De Pijp) aan eiseres;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam (stadsdeel Zuid-De Pijp) aan eiseres het betaalde griffierecht van fl. 420,- (zegge: vierhonderd en twintig gulden) vergoedt;

- wijst af het verzoek tot schadevergoeding.

Gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.B. Filius, griffier,

en uitgesproken in het openbaar op: 29 december 1999

door mr. B.J. van Ettekoven, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

coll.:

D: