Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:1999:AA4551

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AKW 99/16/109
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

Uitspraak

reg.nr : AKW 99/16/109

Inzake : A, geboren […] 1962, wonende te B, eiser,

tegen : het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen, verweerder.

1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT

Besluit van verweerder van 17 december 1998, nr. 144.601.303 ROBB.nr. 23197.

2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 25 september 1998 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij vanaf het derde kwartaal van 1998 geen recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) omdat hij niet langer als verzekerde ingevolge die wet kan worden aangemerkt.

Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar tegen het besluit van 25 september 1998 ongegrond verklaard.

Namens eiser heeft mr. A. Barada, advocaat te Amsterdam, op 4 januari 1999 beroep ingesteld en op daartoe op 25 februari 1999 aangevoerde gronden verzocht het bestreden besluit te vernietigen. Bij brief van 8 juni 1999 heeft eiser het beroep nader aangevuld.

Verweerder heeft op 19 februari 1999 afschriften van op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden en op 27 april 1999 een verweerschrift ingediend. Bij brief van 14 juni 1999 heeft verweerder een nader verweerschrift ingediend.

De zaak is, gevoegd met zes vergelijkbare zaken, behandeld ter openbare zitting van de rechtbank op 23 juni 1999 in een meervoudige kamer. Namens eiser is daar verschenen zijn gemachtigde, mr. Barada, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.A.H. van Dalen - van Bekkum, mr. I. van der Helm en C.J. Siemerink, allen werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

3. MOTIVERING

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Daarbij gaat zij uit van de navolgende, uit de gedingstukken blijkende en tussen partijen niet in geschil zijnde feiten.

Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is gehuwd. Hij heeft vier kinderen, waarvoor hij tot het derde kwartaal van 1998 kinderbijslag ontving. Verweerder heeft het besluit van 25 september 1998 gebaseerd op de overweging dat eiser op grond van zijn verblijfsstatus ingaande 1 juli 1998 niet langer verzekerd is voor de AKW.

In bezwaar is onder meer aangevoerd dat eiser op grond van het bepaalde in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vreemdelingenwet (Vw) rechtmatig in Nederland verblijft omdat de procedure met betrekking tot zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning nog gaande is. Weigering kinderbijslag toe te kennen is volgens eiser in strijd met artikel 1 van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB). In dat verband heeft eiser zich beroepen op het vonnis van de president van de rechtbank te Den Haag van 7 oktober 1998.

Verweerder heeft vervolgens het thans bestreden besluit genomen en daarin overwogen dat eiser niet rechtmatig in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw in Nederland verblijft en evenmin voldoet aan het bepaalde in de artikelen 9a en 9b van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekering (KB 164). De AKW valt buiten de materiële werkingssfeer van het EVSMB, zodat een beroep op dat verdrag faalt.

In beroep is aangevoerd dat eiser sedert 1991 in Nederland woont en werkt. De weigering kinderbijslag te verstrekken is volgens eiser in strijd met het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid en het EVSMB. Op de peildatum van het derde kwartaal van 1998 was eiser in procedure ter verkrijging van een vergunning tot verblijf. Voorts is het bestreden besluit volgens eiser in strijd met het bepaalde in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarbij eiser zich heeft beroepen op het arrest inzake Gaygusuz van 16 september 1996 (RSV 1997/234).

Verweerder heeft in zijn verweerschrift onder meer medegedeeld dat eiser geen recht heeft op kinderbijslag, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 9b van KB 164, omdat eiser niet in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen arbeid in dienstbetrekking verrichtte. Voorts heeft verweerder gemotiveerd bestreden dat sprake is van schending van enige internationaalrechtelijke bepaling.

Zowel in de brief van 14 juni 1999 van verweerder als ter zitting is aan de orde geweest of het bestreden besluit strijdig moet worden geacht met artikel 3, eerste lid, van Besluit nr. 3/80 van de Associatieraad EEG - Turkije van 19 september 1980.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het bestreden besluit berust op de bepalingen van de zogenaamde Koppelingswet (Stb. 1998, 204), die met ingang van 1 juli 1998 in werking is getreden. Vanaf die datum luidt artikel 6 van de AKW als volgt:

"Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die

a. ingezetene is

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.

4. Bij een maatregel, als bedoeld in het derde lid, kan worden afgeweken van het tweede lid ten aanzien van:

a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht

b. vreemdelingen die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf hebben aangevraagd, dan wel bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist."

Artikel 1b Vw luidt als volgt: "Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:

1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

2. op grond van een besluit tot voorwaardelijke toelating

3. in afwachting op een beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten

4. binnen de termijn bedoeld in artikel 8, eerste lid, mits voldaan is aan de daar omschreven voorwaarden

5. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan vastgesteld bij beschikking ingevolge deze wet."

De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde en vierde lid van artikel 6 AKW betrof ten tijde hier van belang KB 164. De artikelen 9a en 9b van KB 164 luidden als volgt:

" Art. 9a - 1. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de in Nederland wonende vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet:

a. voor de beëindiging van dat verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating,

of b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of 33c van de Vreemdelingenwet, of, buiten die termijn, in geval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van de toelating in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vreemdelingenwet.

2. De verzekering op grond van het eerste lid eindigt zodra:

a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist,

of b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Art. 9b - 1 Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de vreemdeling die rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 2, 3, 4 of 5, van de Vreemdelingenwet indien hij in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdeling arbeid in dienstbetrekking verricht uit hoofde waarvan hij aan de loonbelasting onderworpen is.

2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, blijft verzekerd op grond van de volksverzekeringen indien hij uit hoofde van het verrichten van arbeid als bedoeld in het eerste lid, recht heeft op betaling van loon als bedoeld in artikel 629, van Boek 7, van het Burgerlijk Wetboek, of recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, alsmede indien de arbeid, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk is onderbroken als gevolg van betaald verlof, staking of uitsluiting."

Aldus wordt in artikel 1b Vw een limitatieve opsomming gegeven van gevallen waarin van een vreemdeling kan worden gezegd dat hij rechtmatig in Nederland verblijft. Volgens artikel 6, tweede lid, AKW, is van de rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen alleen de vreemdeling als bedoeld in artikel 1b, sub 1 Vw rechtstreeks verzekerd. De categorieën van rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, genoemd sub 2 tot en met 5 van artikel 1b Vw, zijn, ingevolge KB 164, alleen onder nadere voorwaarden verzekerd. Aldus is een wettelijk systeem in het leven geroepen, waarin sommige categorieën vreemdelingen weliswaar rechtmatig in Nederland verblijf genieten (als bedoeld in artikel 1b Vw), doch nochtans niet verzekerd zijn ingevolge de AKW.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank gaat er vanuit, dat eiser ingevolge dit samenstel van Nederlandse nationale formele en materiële rechtsregels op de in dit geding relevante peildatum 1 juli 1998, niet verzekerd is ingevolge de AKW, aangezien hij in afwachting was van een beslissing op zijn eerste aanvraag om een vergunning tot verblijf, welke beslissing hij in Nederland mocht afwachten. De rechtmatigheid van zijn verblijf in Nederland was daarmee gebaseerd op artikel 1b, aanhef en onder 3 Vw, terwijl aan de voorwaarden van KB 164 niet was voldaan.

De rechtbank zal allereerst toetsen of het bestreden besluit in strijd is met artikel 3, eerste lid, van Besluit nr. 3/80. Genoemde bepaling luidt als volgt: "Personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van dit besluit van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat, behoudens bijzondere bepalingen van dit besluit."

In het arrest van 4 mei 1999 (Sürül), RSV actueel 1999, nr. 6, heeft het Hof van Justitie (HvJ) van de Europese Gemeenschappen (EG) overwogen dat deze bepaling zogenaamde rechtstreekse werking heeft. Voorts heeft het HvJ van de EG in dat arrest uitgesproken dat op de rechtstreekse werking van artikel 3, eerste lid, geen beroep kan worden gedaan tot staving van vorderingen ter zake van uitkeringen die betrekking hebben op tijdvakken vóór de datum van het onderhavige arrest, behalve door personen die vóór die datum beroep in rechte hebben ingesteld of een daarmee vergelijkbare vordering hebben ingediend. Nu eiser al vóór 4 mei 1999 beroep had ingesteld tegen het bestreden besluit, kan hij zich in deze procedure beroepen op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van Besluit nr. 3/80.

De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser is aan te merken als werknemer in de zin van Besluit nr. 3/80; hij valt derhalve onder de werkingssfeer van artikel 3, eerste lid.

In het bovengenoemde arrest van 4 mei 1999 heeft het HvJ van de EG onder meer het volgende overwogen:

"101. Een Turks onderdaan als verzoekster in het hoofdgeding, aan wie het is toegestaan op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst te wonen en die daar ook inderdaad met haar kind woont en dus aan alle wettelijke voorwaarden voldoet die de betrokken wettelijke regeling aan eigen onderdanen stelt, worden de gezinsbijslagen voor haar kind derhalve geweigerd op de enkele grond dat zij niet voldoet aan de voorwaarde betreffende het bezit van een vestigings- of verblijfsvergunning.

102. Aangezien deze voorwaarde niet kan worden tegengeworpen aan een onderdaan van de betrokken lidstaat, zelfs niet indien deze aldaar slechts tijdelijk zou wonen, geldt zij derhalve naar haar aard enkel voor vreemdelingen en leidt toepassing ervan bijgevolg tot ongelijke behandeling op grond van nationaliteit.

103. In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat er sprake is van discriminatie in de zin van artikel 3, lid 1, van besluit nr. 3/80, wanneer een lidstaat van een Turks onderdaan die binnen de werkingssfeer van besluit valt, verlangt dat hij over een bepaald type verblijfstitel beschikt om in aanmerking te komen voor een uitkering als de in geding zijnde, terwijl van onderdanen van die lidstaat een dergelijk document niet wordt verlangd."

Verweerder is naar aanleiding van dit arrest van mening dat aan personen die vallen onder de personele werkingssfeer van Besluit nr. 3/80 en die in het bezit zijn van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf de bepalingen van de Koppelingswet niet meer kunnen worden tegengeworpen. Dit geldt volgens verweerder echter niet ten aanzien van personen in procedure omtrent een eerste toelating. Ten aanzien van die categorie vreemdelingen is verweerder van oordeel dat in het doel van de Koppelingswet voldoende rechtvaardigingsgronden kunnen worden gevonden voor het gemaakte onderscheid tussen eigen onderdanen en vreemdelingen. Dit doel betreft enerzijds het voorkomen dat illegale vreemdelingen feitelijk hun wederrechtelijk verblijf in Nederland kunnen voortzetten doordat zij verstrekkingen en uitkeringen kunnen krijgen waarbij geen verblijfspositietoets wordt aangelegd, en anderzijds het voorkomen dat illegalen en nog niet toegelatenen een schijn van volkomen legaliteit kunnen verkrijgen. Met betrekking tot personen die nog niet zijn toegelaten gaat het er dan om dat zij in de loop van de procedure gaandeweg in staat blijken een zodanige rechtspositie op te bouwen dat zij na afloop van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken. Deze beleidsdoelen zijn naar het oordeel van verweerder legitiem en het middel dat daarvoor wordt gehanteerd, zoals in casu de weigering kinderbijslag te verstrekken, is een geschikt en genuanceerd middel.

De rechtbank merkt omtrent dit betoog van verweerder allereerst op, dat de Koppelingswet niet slechts "illegalen" en "wederrechtelijk in Nederland verblijvenden" (de rechtbank laat in het midden wat onder deze juridisch vage termen precies zou moeten worden verstaan) van de kinderbij- slagverzekering uitsluit, doch ook een aantal van de rechtmatig in Neder- land verblijvende vreemdelingen als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, 4 en 5 Vw. Ook ten aanzien van deze vreemdelingen wordt kennelijk beoogd te voorkomen dat zij recht op kinderbijslag opbouwen zolang niet vast staat dat zij een verblijfstitel zullen verkrijgen.

De stelling dat het onderscheid dat vanaf 1 juli 1998 in de kinderbijslagwetgeving gemaakt wordt tussen Nederlanders en niet- Nederlanders gerechtvaardigd wordt door de door verweerder aangegeven gronden, aanvaardt de rechtbank in beginsel, en met name voor nieuwe gevallen, als juist. In het algemeen is het per 1 juli 1998 ingevoerde samenstel van regels te beschouwen als een geschikt, genuanceerd en proportioneel middel om het aangegeven, geoorloofde beleidsdoel te verwezenlijken.

De rechtbank onderkent evenwel categorieën vreemdelingen, ten aanzien van wie door de volledige toepassing van genoemd samenstel van regels de grenzen van proportionaliteit worden overschreden. Daarbij gaat het om vreemdelingen die tot 1 juli 1998 verzekerd waren ingevolge de AKW, en van wie op die datum (nog) niet gezegd kon worden dat zij blijvend kwamen te behoren tot de groep vreemdelingen waarvan de Koppelingswet beoogt te voorkomen dat zij een recht op kinderbijslag opbouwen.

Deze groep vreemdelingen bestaat deels uit rechtmatig in Nederland verblijvenden als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3 Vw, en deels uit vreemdelingen die hun beroep en/of verzoek om een voorlopige voorziening tegen een afwijzende beslissing op hun verzoek om toelating op een of andere wijze in Nederland mogen afwachten.

Ten aanzien van de hier bedoelde vreemdelingen kan het beleidsdoel er niet zozeer toe strekken te voorkomen dat zij een rechtspositie opbouwen, doch wordt in feite een bestaande rechtspositie afgebouwd. De rechtbank acht een zodanig afbouwen eerst gerechtvaardigd vanaf het ogenblik waarop vast staat dat de vreemdeling inderdaad geen verblijfsstatus toekomt waaraan een kinderbijslagverzekering gekoppeld is.

Eiser was op de peildatum 1 juli 1998 in afwachting van een beslissing op zijn aanvraag om een vergunning tot verblijf. Deze beslissing mocht hij in Nederland afwachten. Onder deze omstandigheden behoorde hij tot de categorie van vreemdelingen ten aanzien van wie de rechtbank in de hierboven staande overwegingen heeft vastgesteld, dat de volledige toe- passing van het door de Koppelingswet geïntroduceerde stelsel van regels, in het licht van het discriminatieverbod van artikel 3, eerste lid, van Besluit nr. 3/80 disproportioneel is.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat, in een geval als dat van eiser, een zo ingrijpend middel als de beëindiging van de verzekering voor de AKW, en het als gevolg daarvan weigeren kinderbijslag te verstrekken met ingang van het derde kwartaal van 1998, als disproportioneel en ongeschikt moet worden aangemerkt. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van de AKW wegens strijd met het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van Besluit nr. 3/80 ten aanzien van eiser buiten toepassing dient te worden gelaten.

Nu het bestreden besluit op grond van het voorgaande reeds geen stand kan houden, behoeft hetgeen overigens in beroep is aangevoerd geen bespreking meer. De rechtbank merkt daarbij nog op dat hetgeen in de uitspraken met registratienummer 98/10580 en 99/13 is overwogen met betrekking tot artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten in gelijke mate voor eiser geldt.

Het beroep zal gegrond worden verklaard.

De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien verweerder te veroordelen tot betaling van de proceskosten van eiser, die zijn begroot op f 1420,-- wegens verleende rechtsbijstand. Tevens dient de SVB het door eiser gestorte griffierecht aan hem te vergoeden.

4. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond

- vernietigt het bestreden besluit

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser, begroot op f 1420,-- (zegge: veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de SVB aan eiser

- bepaalt dat de SVB het door eiser gestorte griffierecht ad f 55,-- aan hem vergoedt.

Gewezen door mr. D. Allewijn, voorzitter, mrs. H.C. Naves en C.J. Polak, rechters, in tegenwoordigheid van J.E. Jansen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op: 4 augustus 1999

door mr. H.C. Naves, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

gr