Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:1999:AA4272

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-1999
Datum publicatie
15-11-2004
Zaaknummer
AWB 98/6314 WET 19
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vereveningsregeling 1995 onverbindend wegens strijd met letter en strekking van de Wet Medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.

Samenvatting Awb: Onderlinge Waarborgmaatschappij ‘Maav’ U.A. is bestuursorgaan ex art. 1:1.1 Awb.

Onderlinge Waarborgmaatschappij ‘Maav’ is een privaatrechtelijke rechtspersoon ex art. 3 boek 2 BW. Het bestuur van deze maatschappij (verweerder) is om die reden geen orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld zoals bedoeld in art. 1:1.1.a Awb. Verweerder dient echter te worden aangemerkt als een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed, zoals bedoeld in art. 1:1.1.b Awb. Verweerder is immers op grond van de Wet Medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet Maav) de publiekrechtelijke bevoegdheid toegekend tot het vaststellen van een vereveningsregeling en tot het bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten door middel van het opleggen van aanslagen. Het besluit in primo, waarbij aan eiseres een aanslag is opgelegd, is dan ook een besluit ex art. 1:3.1 Awb.

Samenvatting materieel: Vereveningsregeling 1995 onverbindend wegens strijd met letter en strekking van de Wet Medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.

Oplegging aanslag ad f 837.595,20 en gegrondverklaring bezwaar Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid te Amsterdam wat betreft de eenmaligheid van de aanslag.

- Art. 2.1 van de Vereveningsregeling 1995 is, door als uitgangspunt een eenmalige aanslag te nemen, op dit onderdeel onverbindend. Verweerder heeft deze regeling ten aanzien van eiseres op dit onderdeel bij het bestreden besluit mitsdien terecht buiten toepassing gelaten.

- Uit art. 5.1 in samenhang met art. 3.2 van de Wet Maav volgt, dat de jaarlijks aan eiseres op te leggen aanslag, uitsluitend kan worden berekend en vastgesteld aan de hand van een vooraf vast te stellen Vereveningsregeling, welke regeling moet worden vastgesteld door door de Minister aangewezen representatieve organisaties van verzekeraars. Onder de vaststelling van de totale omvang van de geleden schaden van de aangewezen rechtspersoon in een bepaald jaar, alsmede de vaststelling van het tekort van de rechtspersoon dient, volgens de tekst en de strekking van art. 3 van de Wet Maav, te worden verstaan de – reeds – door de rechtspersoon geleden schaden vermeerderd met de kosten van de bedrijfsuitoefening en daarop in mindering gebracht de over dezelfde periode – reeds – verdiende premies. Uitgangspunt daarbij is dat het ingevolge art. 3.2 Wet Maav vast te stellen bedrag grotendeels achteraf, na afloop van een kalenderjaar, door de verzekeraars en pensioenfondsen wordt betaald. Een dergelijke regeling is niet tot stand gebracht. Reeds hierom ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke wettelijke grondslag.

- Voorts blijft het in art. 2 van de Vereveningsregeling 1995 vervatte omslagstelsel ook zonder het bepaalde omtrent de eenmaligheid van de aanslag gericht op afhandeling van de omslag van verweerders tekort, naar rato van het per 31-12-1995 te bepalen aantal verzekerden met een positief WAO-hiaat per verzekeringsinstelling, in plaats van op een jaarlijkse vaststelling van het tekort zoals bedoeld in art. 3.1 Wet Maav. De lezing waarbij verweerder onder "jaarlijks door hem geleden schaden" mede begrijpt de toekomstige uitkeringen is in strijd met art. 3 Wet Maav.

Gegrond beroep.

De onderhavige uitspraak is vernietigd bij uitspraak ABRS van 05-04-2001 inzake no. 199903122/1, LJN AB1220

(JB 2001/130).De ABRS oordeelt de Vereveningsregeling 1995 (zonder het door verweerder al buiten toepassing gelaten gedeelte) niet onverbindend wegens strijd met de Wet Maav.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:1, geldigheid: 1999-07-09
Wet medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen 3, geldigheid: 1999-07-09
Wet medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen 5, geldigheid: 1999-07-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2000/33 met annotatie van BB

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

UITSPRAAK

reg.nr : AWB 98/6314 WET 19

inzake : de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid te Amsterdam, eiseres,

tegen : het bestuur van de Onderlinge Waarborgmaatschappij 'MAAV' U.A., gevestigd te Rotterdam, verweerder.

I. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT

Besluit van 13 juli 1998.

II. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard voor wat betreft de eenmaligheid van de aanslag en overigens aan eiseres een aanslag ad f 837.595,20 opgelegd.

Tegen dit besluit is door prof. dr. E. Lutjens, advocaat te Amsterdam, namens eiseres bij beroepschrift van 29 juli 1998 (met bijlagen) beroep ingesteld bij deze rechtbank en op de daartoe aangevoerde gronden, aangevuld bij schrijven van 15 december 1998, de rechtbank verzocht het bestreden besluit te vernietigen.

Verweerder heeft bij schrijven van 19 maart 1999 afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en op 6 april 1999 een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 16 april 1999, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door prof. dr. E. Lutjens, voornoemd en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mrs. J.G.C. Kamphuisen en R.R. Crince le Roy.

III. MOTIVERING

Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1. Feiten

Op 31 december 1993 trad in werking de Wet Medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, Wet van 22 december 1993, Stb. 1993, 735. Daarbij werd een rechtspersoon aangewezen, t.w. de Onderlinge Waarborgmaatschappij 'MAAV' U.A. (hierna te noemen: OWM 'MAAV'), die tegen een maximum-premie aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen aanbiedt aan werknemers met een verhoogd arbeidsongeschiktheidsrisico.

Bij besluit van 15 juli 1997 heeft verweerder aan eiseres een eenmalige aanslag ad f 2.100.742,80 opgelegd.

Tegen dit besluit is op 14 augustus 1997 door prof. dr. E.Lutjens, namens eiseres, een bezwaarschrift ingediend.

Op 27 november 1997 heeft eiseres haar bezwaren ten overstaan van een adviescommissie toegelicht. De adviescommissie heeft verweerder geadviseerd te besluiten dat de eenmalige, voor het gehele tekort van de OWM 'MAAV' opgelegde aanslag in strijd is met artikel 3, tweede lid, van de Wet Maav en dat de overige grieven ongegrond zijn.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard voor wat betreft de eenmaligheid van de aanslag en overigens aan eiseres een aanslag ad f 837.595,20 opgelegd.

2. De gronden van het beroep

Eiseres is van mening dat de Vereveningsregeling 1995 onverbindend is wegens strijd met het bepaalde in de Wet Medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (hierna te noemen: Wet Maav), dat toepassing van deze regeling dan ook achterwege had moeten blijven, althans ten aanzien van haar, en dat derhalve het bestreden besluit vernietigd dient te worden.

Eiseres voert primair aan dat de Vereveningsregeling 1995 in strijd met het bepaalde in Wet Maav uitgaat van het opleggen van een eenmalige aanslag. De Vereveningsregeling 1995 biedt volgens eiseres, ook zonder het onverbindend te achten gedeelte van de eenmalige aanslag, niet een voldoende wettelijke grondslag voor het bestreden besluit, met name niet nu het bestreden besluit toch weer neerkomt op een eenmalige aanslag. Ten onrechte heeft verweerder bij de vaststelling van de omvang van het tekort het begrip 'geleden schade' in artikel 3, eerste lid, van de Wet Maav zo uitgelegd dat hij daaronder ook toekomstige uitkeringen begrijpt.

Eiseres is voorts van oordeel dat verweerder bij de formulering van de kostenverdeelsleutel er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de verzekerenden op grond van de Wet Maav niet afkomstig zijn uit de kring van de werknemers van eiseres. Thans is gekozen voor een verdeelsleutel welke naar het oordeel van eiseres nadelig uitpakt, gelet op de rol en positie die het fonds inneemt ten aanzien van personen met een verhoogd arbeidsongeschiktheidsrisico. Daarbij is essentieel volgens eiseres dat zij de personen met een verhoogd arbeidsongeschiktheidsrisico binnen de eigen bedrijfstak reeds verplicht, zonder keuring en zonder premieverhoging of selectie, als verzekerde heeft geaccepteerd. Aldus zijn 160.000 verzekerden met een z.g. 'WAO-gat' door haar verzekerd. In strijd met haar eigen uitgangspunten, zoals geformuleerd in de toelichting bij de Vereveningsregeling 1995, heeft verweerder derhalve de herkomst van de verzekerden niet als criterium gehanteerd bij het vaststellen van de kostenverdeling.

Eiseres meent ten slotte dat verweerder een onjuiste kostenverdeelsleutel als uitgangspunt heeft genomen. Het tekort van de OWM 'MAAV' is volgens eiseres verkeerd berekend; de gehanteerde rekenrente is in strijd met de Vereveningsregeling en het doorberekenen van de provisiekosten is in strijd met de wet. Ook is de kans op revalidatie van de verzekerden volgens eiseres onjuist vastgesteld.

3. Het verweer

Verweerder is met eiseres van oordeel dat de in artikel 2, eerste lid, van de Vereveningsregeling 1995 voorkomende zinsnede ‘op basis van een éénmalige aanslag’ onverbindend is en buiten toepassing dient te blijven.

Verweerder meent echter dat de Vereveningsregeling 1995 ook zonder het onverbindend te achten gedeelte, tezamen met de Wet Maav, een sluitend geheel vormt dat als basis kan dienen voor jaarlijkse heffingen.

Verweerder is ten slotte van oordeel dat hij bij de vaststelling van het tekort, alsmede bij het bepalen van de kostenverdeelsleutel binnen de grenzen is gebleven van de bevoegdheid welke aan hem op grond van artikel 5, tweede lid, juncto artikel 3 van de Wet Maav toekomt.

4. Overwegingen

4.1 Ontvankelijkheid

De rechtbank dient allereerst vast te stellen of verweerder eiseres terecht in haar bezwaar heeft ontvangen. In het bijzonder dient te worden vastgesteld of de Onderlinge Waarborgmaatschappij 'MAAV' U.A. een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. OWM 'MAAV' is een privaatrechtelijke rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 3 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Verweerder is om die reden geen orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld zoals bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder dient echter te worden aangemerkt als een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed, zoals bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder b van de Awb. Verweerder is immers op grond van de Wet Maav de publiekrechtelijke bevoegdheid toegekend tot het vaststellen van een vereveningsregeling en tot het bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten door middel van het opleggen van aanslagen. Het besluit in primo, waarbij aan eiseres een aanslag is opgelegd, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Nu ook overigens niet van beletselen is gebleken heeft verweerder eiseres derhalve terecht in haar bezwaar ontvangen.

4.2 Ten aanzien van de hoofdzaak

In geschil is of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Artikel 3 -voorzover hier relevant- van de Wet Maav luidt als volgt:

1. De krachtens artikel 2 aangewezen rechtspersoon stelt jaarlijks de omvang van de door hem geleden schaden vast.

2. De krachtens artikel 2 aangewezen rechtspersoon stelt jaarlijks het bedrag vast dat moet worden aangemerkt als het deel van de in het eerste lid bedoelde omvang van de schaden vermeerderd met de aan de bedrijfsuitoefening verbonden kosten, met inbegrip van de kosten van de uitoefening van de taak van de Vereveningsinstantie, dat niet kan worden betaald uit de over dezelfde periode verdiende premies.

Artikel 5 lid 1 van de Wet Maav -voorzover van belang- bepaalt:

1. Door Onze Minister aangewezen representatieve organisaties van verzekeraars en pensioenfondsen kunnen in gezamenlijke overeenstemming een vereveningsregeling vaststellen aan de hand waarvan wordt bepaald welk deel van het in artikel 3, tweede lid, bedoelde bedrag aan de krachtens artikel 2 aangewezen rechtspersoon op aanslag door elk afzonderlijke verzekeraar en elk afzonderlijk pensioenfonds als bedoeld in artikel 4, en de Minister van Defensie namens het Rijk, moet worden betaald, alsmede op welk tijdstip dit moet worden betaald.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde organisaties niet binnen acht weken na inwerkingtreding van deze wet in gezamenlijke overeenstemming een vereveningsregeling als bedoeld in het eerste lid vaststellen, stelt de Vereveningsinstantie een vereveningsregeling als bedoeld in het eerste lid vast.

Artikel 2 van de Regeling van 4 april 1996, houdende lastenverevening onderlinge waarborgmaatschappij ‘MAAV’ U.A. (hierna: Vereveningsregeling 1995) bepaalt:

De som van het OWM-tekort en de OWM-marge wordt op basis van een éénmalige aanslag verevend tussen de verzekeringsinstellingen naar rato van het per 31 december 1995 te bepalen aantal verzekerden met een positief WAO-hiaat per verzekeringsinstelling. Het OWM-tekort wordt bepaald op basis van de jaarrekening ultimo 1995, danwel op basis van een op een later tijdstip door een accountant, als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, gewaarmerkte vermogensopstelling.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep van eiseres niet is gericht tegen de onjuiste toepassing van de Vereveningsregeling 1995. Eiseres heeft de onverbindendheid van de Vereveningsregeling 1995 aan de orde gesteld in verband met het bepaalde in de Wet Maav. Daarover merkt de rechtbank het volgende op.

De Vereveningsregeling 1995 bepaalt in artikel 2, eerste lid, dat de som van het OWM-tekort en de OWM-marge op basis van een éénmalige aanslag wordt verevend tussen de verzekeringsinstellingen. De bevoegdheid, tevens verplichting, van de Vereveningsinstantie tot vaststelling van een vereveningsregeling, zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet Maav, strekt evenwel niet verder dan het bepaalde in artikel 3 van die wet, waarin uitdrukkelijk is voorgeschreven dat de omvang van de geleden schaden jaarlijks wordt vastgesteld. De rechtbank stelt derhalve vast dat de Vereveningsregeling 1995, door als uitgangspunt een eenmalige aanslag te nemen, op dit onderdeel onverbindend is en dat verweerder deze regeling ten aanzien van eiseres op dit onderdeel bij het bestreden besluit terecht buiten toepassing heeft gelaten.

De rechtbank dient thans de vraag te beantwoorden of de Vereveningsregeling in samenhang met het bepaalde in de Wet Maav overigens een wettelijke basis biedt voor verweerder voor het opleggen van de aanslag aan eiseres. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres, voor zover het is gericht tegen de eenmaligheid van de aanslag, gegrond verklaard en de Vereveningsregeling voor zover het de eenmaligheid van de op de te leggen aanslag betreft ten aanzien van eiseres buiten toepassing gelaten. Verweerder heeft daarbij tevens, onder overneming van de overwegingen van de hoorcommissie, het tekort van de OWM ‘MAAV’ per 31 december 1995 vastgesteld op f 20.986.809 en de aanslag naar vorengenoemd tekort vastgesteld op f 5,3692 per persoon. Verweerder is er daarbij van uitgegaan dat de Vereveningsregeling 1995 ook zonder het onverbindend te achten gedeelte, tezamen met de Wet Maav, een sluitend geheel vormt dat als basis kan dienen voor het opleggen van een aanslag ad f 837.595,20 aan eiseres ter dekking van de door hem - verweerder - geleden schaden, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Maav.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er daarbij evenwel ten onrechte aan voorbij gegaan dat uit het bepaalde in artikel 5, eerste lid, in onderlinge samenhang met artikel 3, tweede lid, van de Wet Maav volgt, dat de jaarlijks aan eiseres op te leggen aanslag, uitsluitend kan worden berekend en vastgesteld aan de hand van een vooraf vast te stellen Vereveningsregeling, welke regeling moet worden vastgesteld door door de Minister aangewezen representatieve organisaties van verzekeraars en pensioenfondsen, of door de Vereveningsinstantie. Onder de vaststelling van de totale omvang van de geleden schaden van de aangewezen rechtspersoon in een bepaald jaar, alsmede de vaststelling van het tekort van de rechtspersoon dient, volgens de tekst en de strekking van artikel 3 van de Wet Maav, te worden verstaan de -reeds- door de rechtspersoon geleden schaden vermeerderd met de kosten van de bedrijfsuitoefening en daarop in mindering gebracht de over dezelfde periode -reeds- verdiende premies. Uitgangspunt daarbij is dat het ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet Maav vast te stellen bedrag grotendeels achteraf, na afloop van een kalenderjaar, door de verzekeraars en pensioenfondsen betaald wordt (vide de memorie van toelichting bij deze bepaling, Bijl. Hand. II, 1993-1994, 23 427, nr. 3, p. 9).

Een dergelijke regeling, volgens welke jaarlijks de geleden schaden van de rechtspersoon worden vastgesteld en waarbij achteraf aan de verzekeringsinstellingen een aanslag wordt opgelegd, is door verweerder niet tot stand gebracht. Dit wordt door verweerder ook niet tegengesproken. Reeds hierom ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke wettelijke grondslag.

De Vereveningsregeling 1995, zonder het door verweerder onverbindend geachte gedeelte daarvan, vormt echter tezamen met de Wet Maav, anders dan verweerder meent, ook overigens geen sluitend geheel dat als basis kan dienen voor het opleggen van een aanslag aan eiseres. Immers, het in artikel 2 van de Vereveningsregeling 1995 vervatte omslagstelsel blijft ook zonder het bepaalde omtrent de eenmaligheid van de aanslag gericht op afhandeling van de omslag van verweerders tekort, naar rato van het per 31 december 1995 te bepalen aantal verzekerden met een positief WAO-hiaat per verzekeringsinstelling, in plaats van op een jaarlijkse vaststelling van het tekort zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Maav. Daaraan doet niet af dat verweerder in het bestreden besluit bij de vaststelling van het tekort van de rechtspersoon, het begrip 'jaarlijks door hem geleden schaden' als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Maav thans zó uitlegt dat hij daaronder niet alleen verstaat de in het betrokken jaar reeds gedane uitkeringen, maar mede begrijpt de toekomstige uitkeringen, zoals nader gespecificeerd in de Voorziening periodieke uitkeringen ultimo 1995 en de Voorziening nog niet gemelde schaden ultimo 1995. Die lezing is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het bepaalde in artikel 3 van de Wet Maav, welke bepaling uitgaat van een vaststelling per jaar van de in het betrokken jaar door de rechtspersoon geleden schaden en van een aanslag achteraf.

Naar het oordeel van de rechtbank moet de Vereveningsregeling 1995 wegens strijd met de letter en de strekking van de Wet Maav onverbindend worden geacht en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking, nu het een deugdelijke wettelijke grondslag ontbeert.

Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Verweerder zal een nieuwe beslissing dienen te nemen op het bezwaarschrift van eiseres, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.

De rechtbank ziet aanleiding voor vergoeding van griffiegeld, en van proceskosten in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

IV. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte kosten in de procedure tot een bedrag van f 1.420,- (zegge: veertienhonderd en twintig gulden) te betalen door de Onderlinge Waarborgmaatschappij 'MAAV' U.A. te Rotterdam aan eiseres;

- bepaalt dat de Onderlinge Waarborgmaatschappij 'MAAV' U.A. te Rotterdam het griffierecht ad f 420,- (zegge: vierhonderd en twintig gulden) aan eiseres vergoedt.

Gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter en mrs. M. van Mourik en M.F.J.M. de Werd, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Oosterhuis-Runia, griffier,

en uitgesproken op:

door mr. B.J. van Ettekoven, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B