Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:1999:AA3764

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-08-1999
Datum publicatie
21-01-2003
Zaaknummer
AWB 97/12696 BESLU A 29 3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar 4, geldigheid: 1999-08-06
Wetboek van Strafvordering 142, geldigheid: 1999-08-06
Wetboek van Strafvordering 142, geldigheid: 1999-08-06
Wetboek van Strafvordering 142, geldigheid: 1999-08-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1999/255

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

reg.nr: AWB 97/12696 BESLU A 29 3

inzake:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, eiser sub 1

en A, B, C, D, E, F, G. H, allen werkzaam als boswacher bij het [...], eisers sub 2,

tegen:

de Minister van Justitie, verweerder.

I. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT

Besluit van verweerder van 9 oktober 1997, nr BOA/Aktenr. 101033 /0 t/m 10140 /0 Asd.

II. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 27 juni 1997 heeft verweerder aan acht boswachters werkzaam in het [...] de aanvullende bevoegdheid verleend tot het opsporen van de in het besluit genoemde strafbare feiten.

Tegen dit besluit heeft de dienst Amsterdam Beheer, namens eisers sub 1 en 2 op 31 juli 1997 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser sub 1 ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is namens eisers sub 1 en sub 2 door de dienst Amsterdam Beheer bij beroepschrift van 13 november 1997 beroep ingesteld.

Bij brief van 18 december 1997 hebben eisers sub 1 en 2 de gronden van het beroep ingediend en de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.

Verweerder heeft op 28 januari 1998 afschriften van op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en bij schrijven van 15 juli 1998 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 december 1998 zijn de gronden van het beroep nader aangevuld.

Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 21 april 1999, alwaar eiser sub 1 zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.S. Paanakker. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. R. Goldenbeld. Voorts zijn ter zitting verschenen de boswachters A, B, en C, alsmede de directeur dienst Amsterdam Beheer H.J. Groensmit, de commissaris van politie W.A. Berndsen en de medewerker bijzondere zaken bij het parket van de procureur- generaal te Amsterdam J.G.J. Tol.

Bij beslissing van 21 april 1999 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek heropent ten einde eiser sub 1 in de gelegenheid te stellen om binnen vier weken aan te tonen dat de dienst Amsterdam Beheer bevoegd is tot het voeren van de onderhavige procedure met betrekking tot uitbreiding van bevoegdheden van boswachters.

Bij brief van 19 mei 1999 heeft eiser sub 1 gereageerd.

III. MOTIVERING

Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Feiten

De Dienst Stedelijk Beheer te Amsterdam (rechtsvoorganger van de dienst Amsterdam Beheer) heeft bij schrijven van 27 maart 1995 aan de procureur-generaal te Amsterdam (hierna: de procureur-generaal) een aanvraag ingediend om benoeming tot buitengewoon opsporingsambtenaar van acht bij die dienst werkzame boswachters (eisers sub 2) en omzetting van de status van onbezoldigd ambtenaar van de gemeentepolitie naar die van buitengewoon opsporingsambtenaar. Tevens is met de aanvraag voor genoemde boswachters verzocht om algemene opsporingsbevoegdheid. Bij de aanvraag heeft de Dienst Stedelijk Beheer onder meer gemotiveerd aangegeven waarom de noodzaak bestaat om te beschikken over algemene opsporingsbevoegdheid en geweldsmiddelen.

De korpschef van de regio Amsterdam-Amstelland (hierna: de korpschef) heeft bij schrijven van 13 december 1995 op verzoek van de procureur-generaal aan de hoofdofficier van justitie van het arrondissement Amsterdam (hierna: de hoofdofficier van justitie) geadviseerd de boswachters overeenkomstig de toen geldende functielijst behorend bij de circulaire van 4 december 1995 de maximaal toe te kennen opsporingsbevoegdheid te verlenen. De hoofdofficier van justitie heeft vervolgens bij schrijven van 28 december 1995 gericht aan de procureur-generaal zich geconformeerd aan voornoemd advies.

Bij akten van 6 maart 1996 heeft de commissaris van politie namens de procureur-generaal aan de boswachters - de voor deze functie vastgestelde en naar landelijk beleid geldende (maximale) - bevoegdheden toegekend, als bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993 alsmede de bevoegdheid daarbij gebruik te maken van handboeien en/of een gecertificeerde diensthond. Tevens is aan de boswachters de bevoegdheid toegekend tot het voorhanden hebben van een korte wapenstok. Een en ander overeenkomstig de adviezen van de korpschef en de hoofdofficier van justitie.

Bij brief van 15 april 1996 heeft de Dienst Stedelijk Beheer namens eisers sub 1 en 2 een bezwaarschrift ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft er op initiatief van de procureur-generaal op 9 mei 1996 een overlegbijeenkomst plaatsgevonden tussen de Dienst Stedelijk Beheer, de korpschef en de hoofdofficier van justitie waarbij de uitbreiding van de opsporingsbevoegdheid van de boswachters aan de orde is gesteld. Bij schrijven van 10 mei 1996 heeft de commissaris van politie namens de procureur-generaal aan de Dienst Stedelijk Beheer onder meer melding gemaakt van het feit dat is besloten aan de boswachters de aanvullende bevoegdheid te verlenen ter zake artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Tevens is meegedeeld dat in verband met het verlenen van voornoemde aanvullende bevoegdheid, de brief geacht wordt een besluit te zijn, welk besluit deel uitmaakt van de eerder uitgevaardigde akten van 6 maart 1996.

Vervolgens heeft de commissaris van politie namens de procureur- generaal op 27 juni 1997 ten behoeve van de acht boswachters gewijzigde akten van opsporingsbevoegdheid vastgesteld. Ten opzichte van de eerder uitgereikte akten zijn aan de boswachters de aanvullende bevoegdheid verleend tot het opsporen van feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer (inclusief WED-bevoegdheid) en artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht. Tevens heeft de commissaris van de politie aangegeven dat deze uitbreiding van bevoegdheden dient te worden aangemerkt als een definitief besluit op het verzoek van de Dienst Stedelijk Beheer van 15 april 1996. Voorts is aangegeven dat de commissaris van de politie zich bij deze beslissing uitvoerig heeft laten adviseren door de hoofdofficier van justitie en de korpschef. Tevens is daarbij betrokken het besprokene tijdens de overlegbijeenkomst van 9 mei 1996, waarbij de Dienst Stedelijk Beheer ruimschoots in de gelegenheid werd gesteld een toelichting te geven op de functie-inhoud van de boswachters en de daaraan verbonden strikt noodzakelijke bevoegdheden. Ook is aangegeven dat de commissaris van de politie zich heeft geconformeerd aan de binnen het driehoeksoverleg ingenomen standpunten. Op grond van het voorgaande heeft de commissaris van de politie geen termen aanwezig geacht de thans geldende bevoegdheden op enigerlei wijze uit te breiden. De thans toegekende bevoegdheden worden door de commissaris van de politie toereikend geacht voor een behoorlijke vervulling van de functie van boswachter.

Bij schrijven van 31 juli 1997 is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 juni 1997. Op 25 september 1997 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, alwaar eisers sub 1 en 2 hun bezwaren nader hebben toegelicht.

Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit de bezwaren ongegrond verklaard en de akten van 27 juni 1997 gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder onder meer overwogen dat

a) het niet kunnen uitoefenen van bredere (algemene) opsporingsbevoegdheid, een goede vervulling van de onderhavige functie niet in de weg staat;

b) een belangrijk deel van de gevraagde bevoegdheden exclusief behoren tot het takenpakket van de reguliere politie, dan wel het primaat van de opsporingsbevoegdheid van de hier bedoelde feiten ook bij de reguliere politie ligt en het zelfs zeer ongewenst moet worden geacht, dat binnen het bewakingsgebied van de regio-politie Amsterdam-Amstelland een groep van boswachters min of meer solitair opereert, zoals in het verleden het geval is geweest;

c) er ook duidelijke afspraken omtrent taakafbakening zijn gemaakt en erop kan worden vertrouwd dat de uitvoering van de thans niet aan de boswachters toegekende bevoegdheden, al dan niet op afroep/door boswachters te vragen assistentie door de reguliere politie in noodzakelijke gevallen zal worden gehonoreerd, zowel op het onderhavig grondgebied als de daarbinnen gelegen wateren;

d) gelet op de gemaakte afspraken en de gegeven adviezen, het van de zijde van de politie/het Openbaar Ministerie niet wenselijk wordt geacht betrokkenen meer dan nu reeds verleende bevoegdheden te verlenen;

e) er aan de onderhavige boswachters reeds meer dan in de leidraad ter zake deze functie aangegeven (aanvullende) bevoegdheid is toegekend, aangezien de relevantie daarvan wel is gebleken en dit derhalve wel noodzakelijk werd geacht voor een goede vervulling van de functie;

f) gelet op het voorstaande het besluit van 27 juni 1997 geheel in overeenstemming is met het gestelde in artikel 4, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar. Voorts heeft verweerder gesteld dat uitgaande van het gelijkheidsbeginsel en afgaande op de aangevoerde argumenten feitelijk aan iedere buitengewoon opsporingsambtenaar algemene opsporingsbevoegdheid zou moeten worden toegekend. Het landelijk beleid is er juist op gericht een zoveel mogelijk op de betreffende functie toegespitste bevoegdheid toe te kennen. Mede daarom is het in de Leidraad buitengewoon opsporingsambtenaar opgenomen functie/bevoegdheden-overzicht tot stand gekomen.

Gronden van het beroep

Eisers sub 1 en 2 hebben aangevoerd dat de hoorcommissie tijdens de hoorzitting eiser sub 1 de gelegenheid heeft gegeven nadere gegevens te verstrekken als weerlegging van de stelling van verweerder dat de boswachters niet over voldoende deskundigheid beschikken. In het verslag van de hoorzitting is hierover niets opgenomen. Tijdens de hoorzitting is ook aangegeven dat de beslistermijn van verweerder met vier weken zou worden verlengd. De procureur-generaal heeft echter reeds dertien dagen na de hoorzitting het bestreden besluit genomen. De brief met informatie was pas op 14 oktober gereed, derhalve te laat. Voorts hebben eisers sub 1 en 2 met betrekking tot de overwegingen van verweerder in het bestreden besluit aangevoerd:

ad a. Eisers sub 1 en 2 hebben uitgebreid en gemotiveerd aangegeven dat in de praktijk wel degelijk is gebleken dat een gebrek aan opsporingsbevoegdheid een goede vervulling van de functie in de weg staat. Verweerder heeft zijn stelling niet gemotiveerd en is niet op de argumenten van eisers sub 1 en 2 ingegaan.

ad b. Weliswaar ligt het primaat van opsporingsbevoegdheid bij reguliere politie. Van exclusiviteit is daarbij echter geen sprake. Zo komen bijvoorbeeld sociaal rechercheurs in aanmerking voor algemene opsporingsbevoegdheid. Ook de - in vergelijkbare positie als de boswachters verkerende - duinwachters van het Drinkwaterbedrijf Zuid- Holland beschikken over uitgebreide opsporingsbevoegdheden. Van min of meer solitair optreden door de boswachters is nimmer sprake geweest.

ad c. Eisers sub 1 en 2 zijn niet bekend met duidelijke afspraken omtrent taakafbakening. Het door verweerder uitgesproken vertrouwen kunnen eisers sub 1 en 2 niet delen. In de praktijk is gebleken dat de politie haar prioriteiten vaak buiten het [...] heeft.

ad d. Welke afspraken zijn gemaakt zijn eisers sub 1 en 2 niet bekend. Het is eisers sub 1 en 2 dan ook nog steeds niet duidelijk waarom de algemene opsporingsbevoegdheid zoals die vroeger naar ieders tevredenheid door de boswachters werd uitgeoefend nu onwenselijk wordt beschouwd.

ad e. Verweerder heeft niet aangegeven op grond waarvan de relevantie van de aanvullende bevoegdheid ter zake van artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht is gebleken. Voorts is aangevoerd dat de noodzaak voor de algemene opsporingsbevoegdheid is gelegen in het feit dat de boswachters in feite voor de basispolitiezorg in het [...] zorgen. Door de ligging nabij de stad en het intensieve gebruik van het [...] gaat het daarbij niet zozeer om specifieke groene regelgeving, maar om de algemene regelgeving van stedelijke gebieden. Een ruime bevoegdheid is mede van belang omdat het meestal twintig minuten duurt voordat de reguliere politie ter plekke kan zijn. Terwijl andere opsporingsambtenaren in de stad snel kunnen terugvallen op de reguliere politie, blijkt dit door de ligging, de infrastructuur en de uitgestrektheid van het [...], waar bovendien weinig sociale controle is, veel minder vaak mogelijk. Ook is gewezen op het feit dat de opsporingstaak wordt beschreven in de functie-typering. Daar de lokale omstandigheden in het [...] van dien aard zijn dat de reguliere politie bepaalde strafbare feiten niet voldoende aandacht kan geven, vallen deze dus tot het taakgebied van de boswachters.

Verweer

Uitgangspunt bij de beoordeling van verzoeken tot algemene opsporingsbevoegdheid is dat er een directe relatie moet bestaan met de primaire taak/functie. Deswege is in artikel 4 van het Besluit Buitengewoon opsporingsambtenaar het noodzaakcriterium opgenomen. Bij de huidige taakuitoefening van boswachter in het [...] kunnen twee deeltaken worden onderscheiden:

1) een opsporingstaak: taken waaraan de politie niet of nauwelijks aandacht aan besteedt of kan besteden; 2) een toezichthoudende taak; het instandhouden van de zich in het [...] bevindende flora en fauna, en de deeltaak van jachtopzichter.

De opsporingstaak is een taak die in beginsel is voorbehouden aan de politie. In Bijlage III van de Leidraad buitengewoon opsporingsambtenaar wordt gesproken over een exclusieve kerntaak, die nimmer in aanmerking komt om te worden overgenomen in het takenpakket van de buitengewoon opsporingsambtenaar. Dit laat onverlet dat in het verleden de situatie gegroeid is dat de boswachters als onbezoldigd ambtenaar van de politie deze exclusieve kerntaak in aanvulling op de reguliere politie uitoefenden. Bij de uitoefening van opsporingsaktiviteiten werkten de boswachters als zelfstandige eenheid. De boswachters zochten juist de confrontatie op en niet de hulp van de politie. Uit het aangeleverde overzicht van processen-verbaal van 1989-1994 en het overzicht bij brief van 3 februari 1998 blijkt dat de handhaving van de Verkeerswetgeving het merendeel uitmaakt van de opsporingsaktiviteiten van de boswachters. Uit dit overzicht blijkt reeds dat de noodzaak tot het verlenen van algemene opsporingsbevoegdheid niet is aangetoond. Bovendien is sprake van een duidelijke daling van het aantal processen-verbaal. De opsporing van strafbare feiten waartoe de boswachters geen opsporingsbevoegdheid is verleend is een evidente taak van de reguliere politie. Bij signalering van een strafbaar feit, waartegen de boswachter niet mag optreden, kan, gelet op de moderne communicatiemiddelen, assistentie worden gevraagd. De beweerdelijke aanrijtijd van twintig minuten is onjuist. Na navraag bij de korpschef is gebleken dat de aanrijtijd bij meldingen met een hoge prioriteit (levensbedreigende situaties) ten hoogste enkele minuten bedraagt, althans niet meer dan bij andere noodhulpaanvragen. Meldingen van een lagere prioriteit zullen minder inspanning tot gevolg hebben en mogelijk een langere wachttijd vergen.

De primaire taak van de boswachter, te weten de taak van toezichthouder, en de deeltaak van jachtopzichter, dient te worden getoetst aan het noodzaakcriterium. De boswachter dient zich alleen te richten op het beperkte deel van opsporingswerk waarvoor hij bevoegd is en moet zich dus niet buiten zijn opsporingstaak begeven. Die taak is immers weggelegd voor de politie. Mede gelet op de adviezen van de korpschef en de hoofdofficier van justitie, is de noodzaak tot het verlenen van algemene opsporingsbevoegdheid aan de boswachters niet aangetoond. Dienover-eenkomstig is de boswachters opsporingsbevoegdheid verleend conform de functielijst van 4 december 1995.

Voorts heeft verweerder uiteengezet waarom de gemaakte afspraken bij eiser sub 1 bekend mogen worden verondersteld.

In de praktijk is gebleken, gelet op de aard van het opsporingsgebied, van de noodzaak tot verlening van de aanvullende opsporingsbevoegdheid ter zake van artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht. Eiser sub 1 was bekend met het feit dat tot verlening van die uitbreiding zou worden overgegaan. Bovendien is de verlening van deze aanvullende bevoegdheid een van de uitkomsten van de overlegbijeenkomst van 9 mei 1996 en is nadien tweemaal besproken in het driehoeksoverleg. De stelling dat het gebrek van bevoegdheden de persoonlijke veiligheid in gevaar brengt en bovendien de geloofwaardigheid van de boswachters heeft doen afnemen, zijn argumenten die niet relevant zijn voor de toetsing van het noodzaakcriterium. Tenslotte heeft verweerder gesteld dat de vergelijking van eiser sub 1 van de boswachters met de sociaal rechercheur niet opgaat. Bij laatstgenoemde bestaat de directe relatie met de primaire functie wel. De sociaal rechercheur wordt in het kader van zijn wettelijke taak -het opsporen van premie- en uitkeringsfraude- algemene opsporingsbevoegdheid verleend. Derhalve is geen sprake van vergelijkbare situaties. Verweerder heeft voorts gesteld dat de werkgever uiteraard een zelfstandige bevoegdheid heeft tot het opstellen van een functie- typering. Het kan echter niet zo zijn dat verweerder zich dient te conformeren aan een extern opgestelde functie-typering en analoog daaraan bevoegdheden moet verlenen.

Overwegingen

Ten aanzien van eisers sub 2

Gelet op het bepaalde in de artikel 8:1, eerste lid, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een belanghebbende het recht toegekend bezwaar te maken.

In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder een belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Blijkens het bepaalde in het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar kan uitsluitend de werkgever de aanvraag voor verkrijging van (aanvullende) opsporingsbevoegdheid indienen. In hoedanigheid van werknemer zijn eisers sub 2 dan ook niet rechtstreeks doch indirect in hun belang getroffen door de hier in geding zijnde akten van toekenning. Gelet hierop had verweerder eisers sub 2 dan ook niet-ontvankelijk in hun bezwaar dienen te verklaren. Nu dat niet bij het bestreden besluit is gebeurd, komt het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Aangezien er rechtens slechts een enkele beslissing op het bezwaarschrift mogelijk is, ziet de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd.

Ten aanzien van eiser sub 1

Allereerst merkt de rechtbank op voldoende overtuigd te zijn van een mondeling gegeven mandaat om namens eiser sub 1 bezwaar te maken en beroep in te stellen. Een bevestiging hiervan is gegeven bij brief van 19 mei 1999 en het daarbij behorende reparatiebesluit van 18 mei 1999.

Ingevolge artikel 142, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering zijn met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon opsporingsambtenaar belast de personen aan wie door Onze Minister van Justitie, onderscheidenlijk de procureur-generaal een akte van opsporingsbevoegdheid is verleend.

Ingevolge het tweede lid van artikel 142 strekt de opsporingsbevoegdheid zich uit tot de in de akte of aanwijzing aangeduide strafbare feiten; de akte of aanwijzing kan bepalen dat de opsporingsbevoegdheid alle strafbare feiten omvat.

Ingevolge het vierde lid van artikel 142 worden bij algemene maatregel van bestuur regels gegeven omtrent de verlening van de akte en het doen van de aanwijzing, het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt, de beëdiging en de instructie van de buitengewoon opsporingsambtenaar, het toezicht waaraan zij zijn onderworpen en de wijze waarop Onze Minister van Justitie de opsporingsbevoegdheid van afzonderlijke personen kan beëindigen. Voorts kunnen regels worden gegeven over de eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid waaraan zij moeten voldoen.

De regels ter uitvoering van artikel 142, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn neergelegd in het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (Stb. 1994, 825).

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar wordt een akte van opsporing verleend, een aanwijzing gedaan, dan wel een aanvullende opsporingsbevoegdheid toegekend, indien die opsporingsbevoegdheid noodzakelijk is voor de uitvoering van de functie van de desbetreffende persoon of de dienst waarbij hij werkzaam is, en een beroep op de politie voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden bezwaarlijk, niet mogelijk of niet wenselijk is. Blijkens de nota van toelichting bij dit Besluit is dit noodzaakcriterium opgenomen ter voorkoming van het ruimhartig vragen en toekennen van buitengewone opsporingsbevoegdheid.

In de Leidraad buitengewoon opsporingsambtenaar is als Bijlage III opgenomen de notitie noodzaakcriterium benoeming buitengewoon opsporingsambtenaar. In deze notitie is onder meer het volgende overwogen. Uit staatsrechtelijk oogpunt bezien doet zich bij de aanvraag van een overheidsdienst de vraag voor of deze zich wel met de gestelde taken behoort bezig te houden. Deze vooraf te stellen vraag dient positief te worden beantwoord om van noodzaak te kunnen spreken. Met de functie-omschrijving van de aanvrager in de hand zal vervolgens beoordeeld dienen te worden of wellicht niet volstaan kan worden met een toezichthoudende taak, desnoods in samenwerking met de reguliere politie, in plaats van een opsporende taak. Voorts zijn in de notitie een vijftal algemene criteria inzake de vaststelling van de noodzaakseis geformuleerd. Voor zover hier van belang luiden deze als volgt:

1. Taken die gerekend worden tot de exclusieve kerntaken van de reguliere politie kunnen nimmer in aanmerking komen om te worden opgenomen in het takenpakket van de buitengewone opsporingsambtenaren.

2. Bezien moet worden of de gevraagde opsporingsbevoegdheid ligt op een gebied waarvoor de betreffende overheidsinstantie wettelijk met taken is belast of dat deze logischerwijs nauw met deze taken verband houdt (adagium "schoenmaker blijf bij je leest").

3. Overigens kan als criterium ter versterking van de noodzaak gelden, dat de specifieke deskundigheid waarover men beschikt, niet of onvoldoende bij de reguliere politie aanwezig is.

Bij Circulaire met kenmerk 527888/595/NE van 1 december 1995 heeft verweerder richtlijnen bekend gemaakt voor het toekennen van opsporingsbevoegdheden, politiebevoegdheden en bewapening aan buitengewoon opsporingsambtenaren. Daarin staat onder meer aangegeven dat ten behoeve van een goede afstemming op landelijk niveau een overzicht is gemaakt van de te onderscheiden functies waarvoor opsporingsbevoegdheid noodzakelijk is. Per functie is aangegeven wat in beginsel de omvang en aard is van de bij die functie behorende opsporingsbevoegdheid. Voor de omvang van de opsporingsbevoegdheid is vooral gekeken naar de praktijk in het nabije verleden. De aangegeven omvang van de opsporingsbevoegdheid moet worden gezien als een richtsnoer waarvan slechts in bijzondere gevallen kan worden afgeweken. Niet alleen zal de aanvraag daartoe aanleiding moeten geven; het verzoek om verbreding van de opsporingsbevoegdheid zal zeer goed onderbouwd moeten zijn. Bij deze circulaire is als bijlage een functielijst gevoegd. Die bijlage beoogt het kader te geven voor het nemen van een beslissing op een aanvraag op basis van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar. Dit kader dient als richtsnoer en bevat in principe de maximaal toe te kennen opsporingsbevoegdheid, politiebevoegdheid, bewapening en uitrusting. Dit neemt, blijkens de circulaire, niet weg dat elk verzoek opnieuw op onder meer het noodzaakcriterium beoordeeld moet worden en dat rekening moet worden gehouden met lokale omstandigheden. De bijgevoegde functielijst is derhalve een hulpmiddel, zij het een belangrijk hulpmiddel, bij de beoordeling van de vraag of en zo ja in welke mate, opsporingsbevoegdheden, politiebevoegdheden en bewapening/uitrusting dienen te worden toegekend.

In voornoemde de functielijst staan de functies van jachtopzichter, boswachter, duinwachter, parkwachter en natuurwachter bijeen gegroepeerd. De hierbij behorende maximaal toe te kennen opsporingsbevoegdheid omvat feiten strafbaar gesteld bij of krachtens: de Jachtwet, de Wet Wapens en Munitie, de Visserijwet 1963, de Vogelwet, de Wet op de openluchtrecreatie, de Boswet (Kapverordening), de Ontgrondingswet, de Bestrijdingsmiddelenwet, de Plantenziektewet, de Veewet, de Natuurbeschermingswet/Natuurschoonwet 1928 (Flora- en Faunawet), de Wet bedreigde uitheemse planten- en diersoorten, de Gezondheids- en Welzijnswet Dieren, de Wet Milieuverontreiniging Oppervlaktewateren, de Destructiewet, de Grondwaterwet, de Wet Bodembescherming, de Wet Milieugevaarlijke Stoffen (afsteken vuurwerk buitengebied), de artikelen 5a t/m 8c van het Besluit Gebruik Dierlijke Meststoffen, artikel 53 Luchtvaartreglement 1980; Wegenverkeerswet 1994 en artikel 2, van de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen (i.v.m. met onverzekerd crossen); de artikelen 141, 157, 158, 161 t/m 163, 173a, 173b, 179, 180, 184, 239, 311 t/m 318, 350 t/m 352, 424 t/m 429, 435, onder ten vierde, en 458 t/m 461, van het Wetboek van Strafrecht; Verordeningen of Keuren voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegde orgaan is aangewezen. Deze opsomming eindigt met de opmerking dat de bevoegdheid mede omvat de Wet op de economische delicten, voor zover het economische delicten betreft waarvoor in de akte opsporingsbevoegdheid is verleend.

Bij Circulaire met kenmerk 671631/597/MG van 19 december 1997 is voornoemde functielijst herzien. Onder meer is de maximaal toe te kennen opsporingsbevoegdheid aan de jachtopzichter, boswachter, duinwachter, parkwachter en natuurwachter in zoverre uitgebreid dat hieronder nu ook valt artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts is in de circulaire van 19 december 1997 aangegeven hen tevens opsporingsbevoegdheid ter zake van artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht, te weten naaktrecreatie, toe te kennen.

De rechtbank stelt vast dat het door verweerder terzake gevoerde beleid in overeenstemming is met de wet en dat het niet onredelijk is. Vorenstaande brengt mee dat boswachters, die de beschikking hebben over de in de functielijst en circulaires genoemde bevoegdheden, in beginsel over voldoende bevoegdheden beschikken om die specifieke functie van boswachter uit te oefenen. De rechtbank stelt vast dat aan de boswachters bij het [...] niet minder bevoegdheden zijn toegekend dan genoemd in de functielijst en de circulaires.

In geschil is of aan de boswachters algemene opsporingsbevoegdheid moet worden verleend. De eerste vraag die in dit verband moet worden beantwoord is of deze gevraagde uitbreiding van de opsporingsbevoegdheid de toets aan het noodzaakcriterium doorstaat. De rechtbank beantwoordt deze vraag met verweerder ontkennend. Daartoe overweegt de rechtbank dat algemene opsporingsbevoegdheid een taak is die gerekend wordt tot de exclusieve kerntaken van de politie. Dit wordt niet anders doordat in de huidige door de gemeente opgestelde functie-typering staat beschreven dat een opsporingstaak, te weten: taken waaraan de politie niet of nauwelijks aandacht besteedt of kan besteden, deel uit maakt van het takenpakket van boswachter bij het [...]. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij zich niet behoeft te conformeren aan de door de gemeente opgestelde functie-typering.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat tot het takenpakket van boswachter bij het [...] primair een toezichthoudende taak, te weten: het instandhouden van de zich in het [...] bevindende flora en fauna, en de deeltaak van jachtopzichter behoort. Zoals hierboven reeds is overwogen moeten de in de functielijst en circulaires genoemde bevoegdheden in beginsel voldoende worden geacht om de functie van boswachter uit te oefenen.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de door eiser sub 1 overgelegde overzichten niet kan worden afgeleid dat de noodzaak bestaat tot beschikken over algemene opsporingsbevoegdheid. Voorts kan niet worden staande gehouden dat verweerder ten onrechte in de lokale omstandigheden, zoals ligging, infrastructuur en uitgestrektheid van het [...], geen aanleiding heeft gezien om geen algemene opsporingsbevoegdheid aan de acht boswachters toe te kennen. In dit verband tekent de rechtbank aan dat, zoal moet worden aangenomen dat de teveel tijd is gemoeid met de komst van politie na een melding, eerst zal moeten worden onderzocht of dit voor verbetering vatbaar is door een betere samenwerking tussen politie en boswachters.

De stelling van eiser sub 1 dat in het verleden, dat wil zeggen voor de wijziging van wet en regelgeving, de boswachters bij het [...] tot ieders tevredenheid de algemene opsporingsbevoegdheid hebben uitgeoefend, toont niet de noodzaak aan dat de boswachters moeten beschikken over algemene opsporingsbevoegdheid. Hetzelfde geldt voor hetgeen eiser sub 1 heeft betoogd omtrent gevaar voor eigen veiligheid en afname van geloofwaardigheid.

Met betrekking tot het beroep van eiser sub 1 op het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank met verweerder van oordeel dat in tegenstelling tot de boswachters bij de sociaal rechercheur en de spoorwegpolitie wel een directe relatie bestaat tussen de algemene opsporingsbevoegdheid en de functie. Voor wat betreft het grote aantal bevoegdheden die aan de duinwachters zijn toegekend heeft verweerder ter zitting opgemerkt dat dit een omissie betreft en dat dit zal worden rechtgezet. De rechtbank ziet vooralsnog geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van verweerders opmerking. Gelet hierop treft het beroep op het gelijkheidsbeginsel geen doel.

Tot slot wijst de rechtbank in het kader van de vraag of algemene opsporingsbevoegdheid noodzakelijk is naar de door de korpschef en de hoofdofficier van justitie uitgebrachte adviezen.

Ten aanzien van de stelling van eiser sub 1 dat tijdens de hoorzitting is toegezegd dat eiser sub 1 nog in de gelegenheid zou worden gesteld om nadere stukken over te leggen overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens de brief van 14 oktober 1997 gericht aan de hoorcommissie buitengewone opsporingsambtenaren zou aan eisers sub 1 en 2 de gelegenheid zijn geboden om bewijzen van het kennis van eisers sub 2 in te sturen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen gaat het hier niet om informatie die onontbeerlijk is om te komen tot een weloverwogen oordeel of voldaan is aan het noodzaakcriterium. Derhalve is er geen grond om te oordelen dat eiser sub 1 onevenredig in zijn belangen is geschaad doordat hij niet de gelegenheid heeft gehad om nog voor het nemen van het bestreden besluit de gevraagde informatie in te sturen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht de door eiser sub 1 gevraagde algemene opsporingsbevoegdheid heeft geweigerd. Verweerder heeft dan ook terecht bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser sub 1 ongegrond verklaard. Hetgeen eiser sub 1 overigens nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep van eiser sub 1 dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van eisers sub 1 en 2

Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken. Opgemerkt wordt dat slechts eenmaal griffierecht is geheven en wel van eiser sub 1.

IV. BESLISSING

De rechtbank,

-verklaart het beroep van eisers sub 2 gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij eisers sub 2 in hun bezwaar zijn ontvangen gericht tegen de akten van 27 juni 1997;

-verklaart het bezwaar van eisers sub 2 gericht tegen de akten van 27 juni 1997 niet-ontvankelijk;

-verklaart het beroep van eisers sub 1 ongegrond.

Gewezen door mr. L.H. Waller, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. Okko, griffier,

en uitgesproken in het openbaar op: 6 augustus 1999 door mr. L.H. Waller, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Coll: D:B