Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:1999:AA3760

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-1999
Datum publicatie
08-09-2005
Zaaknummer
AKW 99/13/109
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Koppelingswet; art. 6, tweede lid AKW in bepaalde gevallen in strijd met art. 26 IVBPR.

Eiser is vanaf het derde kwartaal 1998 uitgesloten van het recht op kinderbijslag ingevolge de AKW omdat hij niet langer als verzekerde ingevolge die wet kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2000, 61

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

Uitspraak

reg.nr : AKW 99/13/109

Inzake :

A, geboren op […] 1956, wonende te B, eiser,

tegen

: het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen, verweerder.

1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT

Besluit van verweerder van 17 december 1998, nr. 144.611.589. ROBB.nr. 22086.

2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 30 september 1998 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij vanaf het derde kwartaal van 1998 geen recht meer heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) omdat hij niet langer als verzekerde ingevolge die wet kan worden aangemerkt.

Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar tegen het besluit van 30 september 1998 ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 29 december 1998 beroep ingesteld en op daartoe aangevoerde gronden verzocht het bestreden besluit te vernietigen.

Verweerder heeft op 8 april 1999 afschriften van op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden en een verweerschrift ingediend. Bij brief van 14 juni 1999 heeft verweerder een nader verweerschrift ingediend.

De zaak is, gevoegd met zes vergelijkbare zaken, behandeld ter openbare zitting van de rechtbank op 23 juni 1999 in een meervoudige kamer. Eiser is daar in persoon verschenen en verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.A.H. van Dalen - van Bekkum, mr. I. van der Helm en C.J. Siemerink, allen werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

3. MOTIVERING

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Daarbij gaat zij uit van de navolgende, uit de gedingstukken blijkende en tussen partijen niet in geschil zijnde feiten.

Eiser heeft, evenals zijn echtgenote, de Surinaamse nationaliteit. Verweerder heeft zijn besluit van 30 september 1997 gebaseerd op de overweging dat eiser vanwege zijn verblijfsstatus niet verzekerd is voor de AKW vanaf 1 juli 1998.

Eiser heeft op 1 oktober 1998 bezwaar gemaakt en aangevoerd dat hij ingezetene is van Nederland en uit dien hoofde verzekerd is. Het middelpunt van zijn maatschappelijk leven bevindt zich in Nederland en vanaf 1993 heeft hij een sterke economische band met Nederland opgebouwd.

Op 2 december 1998 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, bij welke gelegenheid eiser heeft medegedeeld dat zijn echtgenote evenals hij geen verblijfsvergunning heeft, dat zijn kinderen schoolgaand zijn, dat hij een voorlopige voorziening heeft gevraagd hangende bezwaar tegen de afwijzende beslissing op zijn verzoek om afgifte van een verblijfsver- gunning, en dat hij een bijstandsuitkering ontvangt.

Verweerder heeft vervolgens het thans bestreden besluit genomen en daarin overwogen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6, tweede lid, van de AKW omdat hij niet in Nederland rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw) en evenmin voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 9a en 9b van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (KB 164), omdat eiser nimmer in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning en ook geen arbeid verricht in loondienst in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen. Verweerder heeft voorts overwogen dat de AKW buiten de materiële werkingssfeer van het Europees verdrag inzake sociale en medische bijstand (EVSMB) valt.

Eiser heeft in beroep, onder verwijzing naar het vonnis van de president van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 oktober 1998, aangevoerd dat hij recht heeft op uitkering, omdat hij in Nederland mag blijven in afwachting van de beslissing op zijn verzoek om een verblijfsvergunning.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift onder meer medegedeeld dat het vonnis van de president van de rechtbank te 's-Gravenhage betrekking heeft op het EVSMB, uit welk verdrag een ruimer recht op bijstand voortvloeit voor vreemdelingen die een procedure hebben lopen in Nederland en op grond daarvan niet kunnen worden uitgezet. De AKW valt echter niet onder de materiële werkingssfeer van het EVSMB, aldus verweerder.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het bestreden besluit berust op de bepalingen van de zogenaamde Koppelingswet (Stb. 1998, 204), die met ingang van 1 juli 1998 in werking is getreden. Vanaf die datum luidt artikel 6 van de AKW als volgt:

"Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.

4. Bij een maatregel, als bedoeld in het derde lid, kan worden afgeweken van het tweede lid ten aanzien van: a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht; b. vreemdelingen die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf hebben aangevraagd, dan wel bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist."

Artikel 1b Vw luidt als volgt: "Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:

1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

2. op grond van een besluit tot voorwaardelijke toelating;

3. in afwachting op een beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;

4. binnen de termijn bedoeld in artikel 8, eerste lid, mits voldaan is aan de daar omschreven voorwaarden;

5. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan vastgesteld bij beschikking ingevolge deze wet."

De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde en vierde lid van artikel 6 AKW betrof ten tijde hier van belang KB 164. De artikel 9a en 9b van KB 164 luidden als volgt: " Art. 9a

- 1. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de in Nederland wonende vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet: a. voor de beëindiging van dat verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of 33c van de Vreemdelingenwet, of, buiten die termijn, in geval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van de toelating in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vreemdelingenwet.

2. De verzekering op grond van het eerste lid eindigt zodra: a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist, of b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Art. 9b -

1 Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de vreemdeling die rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 2, 3, 4 of 5, van de Vreemdelingenwet indien hij in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen arbeid in dienstbetrekking verricht uit hoofde waarvan hij aan de loonbelasting onderworpen is.

2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, blijft verzekerd op grond van de volksverzekeringen indien hij uit hoofde van het verrichten van arbeid als bedoeld in het eerste lid, recht heeft op betaling van loon als bedoeld in artikel 629, van Boek 7, van het Burgerlijk Wetboek, of recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Algemene Arbeidsongeschikt- heidswet, alsmede indien de arbeid, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk is onderbroken als gevolg van betaald verlof, staking of uitsluiting."

Aldus wordt in artikel 1b Vw een limitatieve opsomming gegeven van gevallen waarin van een vreemdeling kan worden gezegd dat hij rechtmatig in Nederland verblijft. Volgens artikel 6, tweede lid, AKW, is van de rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen alleen de vreemdeling als bedoeld in artikel 1b, sub 1 Vw rechtstreeks verzekerd. De categorieën van rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, genoemd sub 2 tot en met 5 van artikel 1b Vw, zijn, ingevolge KB 164, alleen onder nadere voorwaarden verzekerd. Aldus is een wettelijk systeem in het leven geroepen, waarin sommige categorieën vreemdelingen weliswaar rechtmatig in Nederland verblijf genieten (als bedoeld in artikel 1b Vw), doch nochtans niet verzekerd zijn ingevolge de AKW.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank gaat er vanuit, dat eiser ingevolge dit samenstel van Nederlandse nationale formele en materiële rechtsregels op de in dit geding relevante peildatum 1 juli 1998, niet verzekerd is ingevolge de AKW, aangezien hij in afwachting was van een beslissing op zijn eerste aanvraag om een vergunning tot verblijf, welke beslissing hij in Nederland mocht afwachten. De rechtmatigheid van zijn verblijf in Nederland was daarmee gebaseerd op artikel 1b, aanhef en onder 3 Vw, terwijl aan de voorwaarden van KB 164 niet was voldaan.

Eisers zaak is ter zitting gevoegd behandeld met zes andere zaken die betrekking hebben op de gevolgen van de Koppelingswet. In vrijwel al die zaken is een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burger rechten en politieke rechten (IVBPR), Trb 1969, 99. Ondanks het feit dat eiser zich niet expliciet heeft beroepen op die bepaling, acht de rechtbank het aangewezen ook in deze zaak te toetsen of de hierboven weergegeven bepalingen strijdig moeten worden geacht met het bepaalde in artikel 26 IVBPR.

Genoemde bepaling luidt als volgt: "Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status."

Aangevoerd is onder meer dat door de Koppelingswet direct onderscheid naar nationaliteit wordt gemaakt. Van de zijde van verweerder is dat bestreden. Volgens verweerder is er sprake van een onderscheid naar verblijfsstatus.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel, dat het hierboven weergegeven samenstel van bepalingen een direct onderscheid naar nationaliteit in het leven roept. Immers, door deze bepalingen kunnen uitsluitend vreemdelingen, dat wil zeggen niet-Nederlanders, worden getroffen. Niet-Nederlanders kunnen weliswaar ook verzekerd zijn voor de AKW, maar aan hen worden extra voorwaarden gesteld voor die verzekering. Onder directe discriminatie dient te worden verstaan het maken van openlijk onderscheid door verwijzing naar ras, geslacht, geloof, nationaliteit, etc., of onverbrekelijk daaraan verbonden kenmerken. Nu de voorwaarde van rechtmatig verblijf onverbrekelijk is verbonden aan het niet hebben van de Nederlandse nationaliteit, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat er in de hier aan de orde zijnde bepalingen sprake is van direct onderscheid naar nationaliteit. Het feit dat niet alle vreemdelingen worden getroffen, kan hieraan niet afdoen.

Het voorgaande betekent echter niet zonder meer dat het gemaakte onderscheid verboden is. Daarvan is eerst sprake indien voor het gemaakte onderscheid geen rechtvaardigingsgronden kunnen worden aangedragen. Dat direct onderscheid naar nationaliteit in het geheel niet zou kunnen worden gerechtvaardigd, acht de rechtbank niet aannemelijk. Zowel uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (o.a. HvJ EG 4 mei 1999 (Sürül), RSV-actueel 1999, nr. 6), als die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (o.a. het arrest van 16 september 1996 (Gaygusuz), RSV 1997/234) kan worden opgemaakt dat voor onderscheid dat uitsluitend is gebaseerd op nationaliteit, in beginsel rechtvaardigingsgronden kunnen worden aangevoerd. De rechtbank ziet geen reden waarom dit voor de toepassing van het hier aan de orde zijnde artikel 26 IVBPR anders zou zijn.

Volgens verweerder kan in het doel van de Koppelingswet voldoende rechtvaardiging worden gevonden voor het gemaakte onderscheid. Dit doel betreft enerzijds het voorkomen dat illegale vreemdelingen feitelijk hun wederrechtelijk verblijf in Nederland kunnen voortzetten doordat zij verstrekkingen en uitkeringen kunnen krijgen waarbij geen verblijfspositietoets wordt aangelegd, en anderzijds het voorkomen dat illegalen en nog niet toegelatenen een schijn van volkomen legaliteit kunnen verkrijgen. Met betrekking tot personen die nog niet zijn toegelaten gaat het er dan om dat zij in de loop van de procedure gaandeweg in staat blijken een zodanige rechtspositie op te bouwen dat zij na afloop van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken. Deze beleidsdoelen zijn naar het oordeel van verweerder legitiem en het middel dat daarvoor wordt gehanteerd, zoals in casu de weigering kinderbijslag te verstrekken, is een geschikt en genuanceerd middel.

De rechtbank merkt omtrent dit betoog van verweerder allereerst op, dat de Koppelingswet niet slechts "illegalen" en "wederrechtelijk in Nederland verblijvenden" (de rechtbank laat in het midden wat onder deze juridisch vage termen precies zou moeten worden verstaan) van de kinderbij- slagverzekering uitsluit, doch ook een aantal van de rechtmatig in Neder- land verblijvende vreemdelingen als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, 4 en 5 Vw. Ook ten aanzien van deze vreemdelingen wordt kennelijk beoogd te voorkomen dat zij recht op kinderbijslag opbouwen zolang niet vast staat dat zij een verblijfstitel zullen verkrijgen.

De stelling dat het onderscheid dat vanaf 1 juli 1998 in de kinderbijslagwetgeving gemaakt wordt tussen Nederlanders en niet- Nederlanders gerechtvaardigd wordt door de door verweerder aangegeven gronden, aanvaardt de rechtbank in beginsel, en met name voor nieuwe gevallen, als juist. In het algemeen is het per 1 juli 1998 ingevoerde samenstel van regels te beschouwen als een geschikt, genuanceerd en proportioneel middel om het aangegeven, geoorloofde beleidsdoel te verwezenlijken.

De rechtbank onderkent evenwel categorieën vreemdelingen, ten aanzien van wie door de volledige toepassing van genoemd samenstel van regels de grenzen van proportionaliteit worden overschreden. Daarbij gaat het om vreemdelingen die tot 1 juli 1998 verzekerd waren ingevolge de AKW, en van wie op die datum (nog) niet gezegd kon worden dat zij blijvend kwamen te behoren tot de groep vreemdelingen waarvan de Koppelingswet beoogt te voorkomen dat zij een recht op kinderbijslag opbouwen.

Deze groep vreemdelingen bestaat deels uit rechtmatig in Nederland verblijvenden als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3 Vw, en deels uit vreemdelingen die hun beroep en/of verzoek om een voorlopige voorziening tegen een afwijzende beslissing op hun verzoek om toelating op een of andere wijze in Nederland mogen afwachten.

Ten aanzien van de hier bedoelde vreemdelingen kan het beleidsdoel er niet zozeer toe strekken te voorkomen dat zij een rechtspositie opbouwen, doch wordt in feite een bestaande rechtspositie afgebouwd. De rechtbank acht een zodanig afbouwen eerst gerechtvaardigd vanaf het ogenblik waarop vast staat dat de vreemdeling inderdaad geen verblijfsstatus toekomt waaraan een kinderbijslagverzekering gekoppeld is.

Eisers verzoek om een vergunning tot verblijf was op 1 juli 1998 afgewezen; hij had de President van de rechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, om een voorlopige voorziening gevraagd. De beslissing op dit verzoek mocht hij in Nederland afwachten. Onder deze omstandigheden behoorde hij tot de categorie van vreemdelingen ten aanzien van wie de rechtbank in de hierboven staande overwegingen heeft vastgesteld, dat de volledige toepassing van het door de Koppelingswet geïntroduceerde stelsel van regels, in het licht van het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR, disproportioneel is.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat, in eisers geval, een zo ingrijpend middel als het beëindigen van de verzekering voor de AKW, en het als gevolg daarvan weigeren kinderbijslag te verstrekken met ingang van het derde kwartaal van 1998, als disproportioneel en ongeschikt moet worden aangemerkt. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van de AKW wegens strijd met het bepaalde in artikel 26 van het IVBPR ten aanzien van eiser buiten toepassing dient te blijven.

Nu het bestreden besluit op grond van het voorgaande reeds geen stand kan houden, behoeft hetgeen overigens in beroep is aangevoerd geen bespreking meer.

Het beroep zal gegrond worden verklaard. Voor toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank geen aanleiding gezien. Wel dient de SVB het door eiser gestorte griffierecht aan hem te vergoeden.

4. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op eisers bezwaar;

- bepaalt dat de SVB het door eiser gestorte griffierecht ad f 55,-- aan hem vergoedt.

Gewezen door mr. D. Allewijn, voorzitter, mrs. H.C. Naves en C.J. Polak, rechters,

in tegenwoordigheid van J.E. Jansen, als griffier,

en uitgesproken in het openbaar op: 4 augustus 1999 door mr. H.C. Naves, in tegenwoordigheid van de griffier.

De rechter, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op: gr