Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:1999:AA3717

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-1999
Datum publicatie
20-01-2003
Zaaknummer
Awb 99/9094 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 7
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Wijzigingswet Vreemdelingenwet en enige andere wetten (koppeling aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 1999, 180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

afdeling voorlopige voorzieningen

489

UITSPRAAK ALS BEDOELD IN

ARTIKEL 8:84 VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

reg.nr. : AWB 99/9094 NABW

inzake : A en B, wonende te C,

verzoekers

tegen : het college van burgemeester en wethouders van

de gemeente Amsterdam, verweerder.

1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT

Besluit van verweerder van 3 september 1999, nr. EST 1999/2829

(3538.469) A.

2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 29 juni 1999 heeft verweerder de aan verzoekers

toegekende uitkering ingevolge de Algemene bijstandsuitkering (Abw)

met ingang van 1 juli 1999 beëindigd, omdat zij niet rechtmatig in

Nederland verblijven.

Tegen dit besluit heeft mr. Th.P.M. Moons, advocaat te Amersfoort,

namens verzoekers op 19 juli 1999 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond

verklaard, doch het besluit van 29 juni 1999 herzien in die zin dat de

uitkering met ingang van 8 juli 1999 wordt beëindigd.

Tegen dit besluit heeft mr. N. Woudwijk, advocaat te Amersfoort, namens

verzoekers op 14 eptember 1999 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Bij brief van eveneens 14 september 1999 heeft mr. N. Woudwijk

voornoemd zich namens verzoekers tot de president van de rechtbank

gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft desgevraagd de op de zaak betrekking hebbende

stukken ter griffie ingezonden.

Het verzoek is op 1 oktober 1999 ter zitting behandeld. Verzoekers zijn

niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.

M. Diderich, werkzaam bij de gemeentelijke sociale dienst.

3. MOTIVERING

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te

worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen,

het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste

belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang

van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en

anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen

belang. Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt

gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een

voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de

bodemprocedure.

Feiten en omstandigheden

Verzoeker A, geboren op […] 1958 en van Marokkaanse

nationaliteit, is op 11 aart 1981 Nederland ingereisd, maar heeft zich

nimmer bij de Vreemdelingendienst gemeld. Verzoeker is verscheidene

malen uit Nederland verwijderd, laatstelijk op 27 ovember 1987.

Verzoeker is nimmer in het bezit geweest van een geldige vergunning tot

verblijf.

Op 30 januari 1995 heeft verzoeker bij de korpschef van de politieregio

Amsterdam-Amstelland een aanvraag om een vergunning tot verblijf

ingediend met als doel het verrichten van arbeid in loondienst. Bij besluit

van 18 juni 1996 heeft de Staatssecretaris van Justitie aan verzoeker

meegedeeld de aanvraag niet in te willigen. Tegen dit besluit heeft hij

bezwaar gemaakt, doch dit bezwaar is bij besluit van 26 juli 1996

ongegrond verklaard. De rechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats

Amsterdam, heeft het tegen dit besluit ingediende beroep bij uitspraak

van 20 anuari 1997 ongegrond verklaard.

Verzoekster B, geboren op […] 1970 en van Marokkaanse

nationaliteit, is op of omstreeks 30 mei 1990 Nederland ingereisd en heeft

op 23 juli 1997 bij de korpschef van de politieregio Amsterdam-

Amstelland een aanvraag om een vergunning tot verblijf met als doel

verblijf bij Marokkaanse echtgenoot A ingediend. Op deze aanvraag

is afwijzend beslist bij besluit van 3 oktober 1997. Bij brief van 14 oktober

1997 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om verlening van een

vergunning tot verblijf zonder beperking en is verzocht het doel te wijzigen

in klemmende redenen van humanitaire aard. Eerdergenoemde korpschef

heeft deze brief doorgestuurd in aanvulling op de aanvraag van 23 juli

1997 en het bezwaarschrift van 24 november 1997. Het bezwaar is bij

besluit van 17 ecember 1998 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1

september 1999 is het tegen dit afwijzende besluit ingestelde beroep

ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft op 13 november 1997 andermaal een aanvraag

ingediend om een vergunning tot verblijf, thans met als doel klemmende

redenen van humanitaire aard danwel medische redenen. Op deze

aanvraag is nog niet onherroepelijk beslist.

Sedert 1 december 1997 ontvingen verzoekers ter voorziening in de

noodzakelijke kosten van het bestaan een bijstandsuitkering naar de

norm voor een gezin.

In het kader van een onderzoek naar het recht op ongewijzigde continu

ering van de bijstandsuitkering heeft verweerder op 17 juli 1998 de

Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) geraadpleegd. Hierin is ten

aanzien van de verblijfsstatus van verzoekers opgenomen: 18. Bij besluit

van 12 augustus 1998 is aan verzoeker meegedeeld dat zijn uitkering met

ingang van 1 september 1998 wordt beëindigd, omdat hij niet rechtmatig

in Nederland verblijft. Namens verzoeker is tegen dit besluit bezwaar

gemaakt. Verweerder heeft bij besluit van 13 november 1998 het bezwaar

gegrond verklaard, nu uit nadere informatie van de Dienst

Vreemdelingenpolitie is gebleken dat verzoekers ingevolge artikel 1b,

onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw) rechtmatig in Nederland

verblijven.

Verweerder heeft op 16 juni 1999 opnieuw de GBA geraadpleegd. Ten

aanzien van de verblijfsstatus van verzoeker is hierin opgenomen:

'Verblijfsstatus : 18 GEMELD BIJ VD, GEEN VERZOEK TOELATING ALS

VLUCHTE- LING, GEEN UITZETTING

van 13nov1997 tot 17dec1998'.

Ten aanzien van de verblijfsstatus van verzoekster is opgenomen: 'GEEN

VERBLIJFSSTATUS BEKEND'. Uit op 16 juni 1999 opgevraagde

informatie van de Dienst Vreemdelingenpolitie is verweerder gebleken

dat verzoeker status 18 heeft en geen historie met betrekking tot de

verblijfstitel, alsmede dat verzoeker ingevolge artikel 1b, onder 3, van de

Vw rechtmatig in Nederland verblijft.

Vervolgens heeft verweerder het besluit van 29 juni 1999 genomen.

Tegen dit besluit is namens verzoekers bezwaar gemaakt bij bezwaar

schrift van 19 juli 1999. In bezwaar hebben verzoekers aangevoerd dat zij

rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 1b, onder 3, van

de Vw. Voorts hebben zij aangevoerd dat de beëindiging van de

bijstandsuitkering schending oplevert van artikel 26 van het Interna

tionaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR).

Verzoekers zijn op 17 augustus 1999 in de gelegenheid gesteld te

worden gehoord. Tijdens de hoorzitting hebben verzoekers nog aange

voerd dat zij gelijk dienen te worden gesteld aan Turkse onderdanen die

op grond van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische

bijstand (EVSMB) wel recht hebben op bijstand en voorts dat er inge

volge artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake Economische,

Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) recht bestaat op bijstand. Tevens

heeft verzoeker aangevoerd dat verzoekster zwanger is en onder

voortdurende medische controle staat in verband met haar suikerziekte.

Verzoeker dient in Nederland te blijven, omdat verzoekster niet kan

reizen.

Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

Standpunten van partijen

Verzoekers kunnen zich met dit besluit niet verenigen, en hebben in dat

verband herhaald hetgeen in bezwaar is aangevoerd. Voorts hebben

verzoekers blijkens de gedingstukken, samengevat, aangevoerd dat

verzoeker nog in afwachting is van een beslissing op een aanvraag om

toelating en dat uitzetting achterwege dient te blijven totdat op de

aanvraag is beslist. Tevens hebben verzoekers aangevoerd dat het

gevolg van de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 oktober

1998 is dat er in Nederland een situatie van rechtsongelijkheid is

ontstaan, doordat een Turk die in afwachting is van een beslissing op zijn

aanvraag tot toelating wel in aanmerking komt voor sociale

voorzieningen en een Marokkaan niet, omdat Marokko geen partij is bij

het EVSMB. Voorts is naar het oordeel van verzoekers met de uitspraak

van de rechtbank 's-Gravenhage de doelstelling van de Koppelingswet

achterhaald, nu immers een belangrijke groep vreemdelingen aan wie

met de inwerkingtreding van de Koppelingswet collectieve voorzieningen

waren ontzegd, hier nu toch recht op blijken te kunnen doen gelden.

Tenslotte hebben verzoekers aangevoerd dat er alles voor te zeggen is

om de wet opzij te zetten, nu het resultaat van de wetstoepassing

dermate onbillijk is dat dit resultaat niet door de wetgever kan zijn

gewenst.

Verzoekers vorderen thans als voorlopige voorziening dat verweerder

wordt opgedragen dat hen in afwachting van de beroepsprocedure bij

stand wordt verleend.

Verweerder stelt zich blijkens de gedingstukken, samengevat, op het

standpunt dat de bijstandsuitkering van verzoekers is beëindigd omdat zij

niet rechtmatig in Nederland verblijven. Met de inwerkingtreding van de

Koppelingswet is de Abw gewijzigd en is verlening van bijstand aan een

vreemdeling uitsluitend nog mogelijk aan degene die hier te lande

rechtmatig verblijft in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de

Vw. Ten aanzien van verzoekers staat vast dat geen sprake is van

rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw.

Primair kunnen zij dan ook niet gelijk worden gesteld met de in artikel 7,

tweede lid, van de Abw bedoelde vreemdeling terwijl zij voorts evenmin

gelijk kunnen worden gesteld met de in artikel 1 van het Besluit

gelijkstelling vreemdelingen Abw, Iow en Ioaz bedoelde vreemdeling.

Het in de Koppelingswet voorziene overgangsrecht is volgens verweerder

voorts ook niet van toepassing in de situatie van verzoekers. Verder is

verweerder van mening dat de stelling van verzoekers dat de weigering

van de bijstandsverlening in strijd is met bovengenoemde

internationaalrechtelijke bepalingen, niet opgaat.

Overwegingen

Verweerder heeft het bestreden besluit gegrond op de overweging dat de

aan verzoekers toegekende bijstandsuitkering met ingang van 8 juli 1999

is ingetrokken -kort samengevat- omdat zij niet rechtmatig in Nederland

verblijven.

Met de inwerkingtreding per 1 juli 1998 van de Koppelingswet (Stb. 1998,

nr. 203 en 204) zijn onder meer de aanspraken op bijstandsverlening van

hier te lande verblijvende vreemdelingen gewijzigd in die zin dat deze

zijn gekoppeld aan rechtmatig verblijf hier te lande.

Als gevolg van de Koppelingswet is per 1 juli 1998 in de Vw een nieuw

artikel 1b opgenomen. Voorzover van belang luidt dit artikel 1b als volgt:

"Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:

1 op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond

van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan

verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling

krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

2 (..);

3 in afwachting van de beslissing op een aanvraag om

toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge

deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of

op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager

achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;

4 (..);

5 (..)."

In artikel 7, eerste lid, van de Abw, zoals dit artikel vanaf 1 juli 1998 luidt,

is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige

omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de

middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te

voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. In het tweede lid

van dit wetsartikel is bepaald dat met de Nederlander, bedoeld in het

eerste lid, gelijk wordt gesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling

die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef,

en onder 1, van de Vw.

In artikel 8a, tweede lid, van de Vw is bepaald dat de minister aan de

vreemdeling, bedoeld in artikel 1b, onder 1, 2, 3 en 5, een document of

schriftelijke verklaring verschaft waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. In

de Regeling bescheiden rechtmatig verblijf van 4 juni 1998 van de

Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Regeling) zijn de bescheiden

vastgesteld waaruit dat rechtmatige verblijf blijkt.

In artikel 7, derde lid, van de Abw is bepaald dat bij algemene maatregel

van bestuur hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die

bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, voor de toepassing

van de wet met een Nederlander gelijk kunnen worden gesteld:

a ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een

volkenrechtelijke organisatie, of

b in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de

vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in

de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, tijdig toelating in

aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft

gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot

toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit gelijkstelling

vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: het Besluit).

Krachtens artikel 1, eerste lid, van het Besluit wordt met een

Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in

Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en

onder 1, van de Vw, voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag

heeft ingediend om voortgezette toelating, of tegen de intrekking van die

toelating binnen de daarvoor gestelde termijnen bezwaar heeft gemaakt

of beroep heeft ingesteld. Op grond van het tweede lid van artikel 1 van

het Besluit eindigt deze gelijkstelling zodra onherroepelijk op de

aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist of de uitzetting van de

vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vw of op grond

van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

In artikel 8b, eerste lid, van de Vw is tenslotte bepaald dat vreemdelingen

die niet het in artikel 1b van de Vw bedoelde rechtmatige verblijf genieten,

geen aanspraak kunnen maken op toekenning van verstrekkingen,

voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een

bestuursorgaan.

Bij de beantwoording van de in het onderhavige geschil voorliggende

vraag, ligt - zo blijkt uit de hiervoor opgesomde (in casu van belang

zijnde) wetsartikelen - primair de vraag voor of verzoekers rechtmatig in

de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw in Nederland

verblijven. In dat kader overweegt de president het volgende.

Verzoekers zijn geen gemeenschapsonderdanen; verzoekers zijn

derhalve niet uit dien hoofde in Nederland toegelaten.

Verder staat vast dat ten aanzien van verzoeker sinds zijn verblijf hier te

lande vanaf 11 aart 1981 nog nimmer een besluit tot

(onvoorwaardelijke) toelating is genomen, terwijl in het kader van de

door hem aanhangig gemaakte procedure ter verkrijging van een

vergunning tot verblijf nog geen onherroepelijk besluit is genomen.

Verzoeker verbleef en verblijft derhalve sedertdien niet op grond van

een besluit tot toelating in Nederland.

Ook ten aanzien van verzoekster staat vast dat sinds haar verblijf hier te

lande vanaf medio 1990 nog nimmer een besluit tot (onvoorwaardelijke)

toelating is genomen. Ook verzoekster verbleef en verblijft derhalve

sedertdien niet op grond van een besluit tot toelating in Nederland.

Waar verzoekers niet door middel van de bescheiden als bedoeld in

artikel 8a, tweede lid van de Vw en de Regeling hebben kunnen aantonen

dat zij rechtmatig -dat wil zeggen rechtmatig in de zin van artikel 1b,

aanhef en onder 1, van de Vw- in Nederland verblijven, moet het er

onder deze omstandigheden dan ook voor worden gehouden dat er ten

aanzien van verzoekers geen sprake is van rechtmatig verblijf hier te

lande in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw.

Gezien deze overwegingen moet dan ook worden geoordeeld dat

verzoekers als gevolg hiervan in het kader van de toepassing van de

Abw geen aanspraak kunnen ontlenen aan gelijkstelling met een

Nederlander als bedoeld in voornoemd artikel 7, tweede lid van die wet.

Verzoekers kunnen voorts een dergelijke gelijkstelling evenmin ontlenen

aan het bepaalde in het Besluit. De daaruit voortvloeiende gelijkstelling

geldt immers slechts voor de vreemdeling die, na rechtmatig in

Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef

en onder 1, van de Vw, voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag

heeft ingediend om voortgezette toelating, of tegen de intrekking van

die toelating binnen de daarvoor gestelde termijnen bezwaar heeft

gemaakt of beroep heeft ingesteld.

Waar verzoekers de rechtmatigheid van het eerdere verblijf niet hebben

kunnen aantonen, moet reeds hierom worden geoordeeld dat het

bepaalde in het besluit niet op hen van toepassing is.

Voorts wordt geoordeeld dat verzoekers geen aanspraken kunnen

ontlenen aan het in Artikel XXIII, tweede lid van de Koppelingswet

voorziene overgangsrecht. Voor zover verzoekers stellen dat aan

verzoekster die aanspraken toekomt omdat de in artikel 25 van de Vw

bedoelde situatie op haar van toepassing is, is deze status ten aanzien

van haar niet vastgesteld.

Voorts wordt door de president overwogen dat artikel 11, eerste lid, van

de Abw, gelet op het tweede lid van die bepaling, voor verzoekers

evenmin recht op uitkering doet ontstaan.

Ten aanzien van verzoeksters stelling dat de op de inwerkingtreding van

de Koppelingswet gebaseerde weigering van de bijstandsverlening

discriminatie naar nationaliteit teweeg brengt, hetgeen in strijd is met

artikel 26 van het IVBPR zij het volgende overwogen.

Genoemde bepaling luidt als volgt:

"Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak

op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet

discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en

doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals

ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging,

nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere

status."

De president is, gelijk deze rechtbank in haar uitspraken ingevolge de

Algemene Kinderbijslagwet van 4 augustus 1999 (onder andere AKW

99/11/109 99/13/109), van oordeel dat het hierboven weergegeven

samenstel van bepalingen een direct onderscheid naar nationaliteit in het

leven roept. Immers, door deze bepalingen kunnen uitsluitend

vreemdelingen, dat wil zeggen niet-Nederlanders, worden getroffen. Niet-

Nederlanders kunnen weliswaar ook aanspraak maken op bijstand, doch

onder bepaalde voorwaarden. Onder directe discriminatie dient te worden

verstaan het maken van openlijk onderscheid door verwijzing naar ras,

geslacht, geloof, nationaliteit, etc., of onverbrekelijk daaraan verbonden

kenmerken. Nu de voorwaarde van rechtmatig verblijf onverbrekelijk is

verbonden aan het niet hebben van de Nederlandse nationaliteit, kan

naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd

dan dat er in de hier aan de orde zijnde bepalingen sprake is van direct

onderscheid naar nationaliteit. Het feit dat niet alle vreemdelingen

worden getroffen, kan hieraan niet afdoen.

Het voorgaande betekent echter niet zonder meer dat het gemaakte

onderscheid verboden is. Daarvan is eerst sprake indien voor het

gemaakte onderscheid geen rechtvaardigingsgronden kunnen worden

aangedragen. Dat direct onderscheid naar nationaliteit in het geheel niet

zou kunnen worden gerechtvaardigd, acht de president niet aannemelijk.

Zowel uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (o.a. HvJ

EG 4 mei 1999 (Sürül), RSV-actueel 1999, nr. 6), als die van het

Europees Hof voor de Rechten van de Mens (o.a. het arrest van 16

september 1996 (Gaygusuz), RSV 1997/234) kan worden opgemaakt dat

voor onderscheid dat uitsluitend is gebaseerd op nationaliteit, in beginsel

rechtvaardigingsgronden kunnen worden aangevoerd. De president ziet

geen reden waarom dit voor de toepassing van het hier aan de orde

zijnde artikel 26 van het IVBPR anders zou zijn.

Volgens verweerder kan in het doel van de Koppelingswet voldoende

rechtvaardiging worden gevonden voor het gemaakte onderscheid. Uit de

toelichting van de wetgever blijkt dat met de wijzigingen die door middel

van de Koppelingswet in onder meer de Abw zijn aangebracht enerzijds

is beoogd te voorkomen dat illegale vreemdelingen feitelijk, doordat zij

verstrekkingen en uitkeringen kunnen krijgen waarbij geen verblijfstoets

wordt aangelegd, door de administratie in staat worden gesteld tot

voortzetting van hun wederrechtelijke verblijf, anderzijds te voorkomen

dat illegalen en nog niet toegelatenen een schijn van volkomen legaliteit

kunnen verkrijgen. Met betrekking tot personen die nog niet zijn

toegelaten gaat het er dan om dat zij in de loop van de procedure

gaandeweg in staat blijken een zodanige rechtspositie op te bouwen dat

zij na afloop van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken. (Tweede

Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 24233 nr.3).

Deze beleidsdoelen zijn naar het oordeel van verweerder legitiem en het

middel dat daarvoor wordt gehanteerd, zoals in casu de beëindiging van

de bijstandsuitkering, is een geschikt en genuanceerd middel.

De president merkt hieromtrent allereerst op, dat de Koppelingswet niet

slechts "illegalen" en "wederrechterlijk in Nederland verblijvenden" van

het recht op bijstand uitsluit, doch ook een aantal van de rechtmatig in

Nederland verblijvende vreemdelingen als bedoeld in artikel 1b, aanhef

en onder 3, 4 en 5, van de Vw. Ook ten aanzien van deze vreemdelingen

wordt kennelijk beoogd te voorkomen dat zij recht op bijstand krijgen

zolang niet vaststaat dat zij een verblijfstitel zullen verkrijgen.

De president is van oordeel dat gelet op het algemeen belang dat is

gediend met een effectief toelatingsbeleid ten aanzien van

vreemdelingen het door de wetgever nagestreefde doel in beginsel, en

met name voor nieuwe gevallen, als gerechtvaardigd moet worden

aangemerkt.

De president onderkent evenwel categorieën vreemdelingen ten aanzien

van wie door de volledige toepassing van genoemd samenstel van regels

de grenzen van proportionaliteit worden overschreden. Daarbij gaat het

met name om vreemdelingen die tot 1 juli 1998 recht hadden op een

bijstandsuitkering, en van wie op die datum (nog) niet gezegd kon worden

dat zij blijvend kwamen te behoren tot de groep vreemdelingen waarvan

de Koppelingswet beoogt te voorkomen dat zij recht krijgen op bijstand.

Deze groep vreemdelingen bestaat deels uit rechtmatig in Nederland

verblijvenden als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, en

deels uit vreemdelingen die hun beroep en/of verzoek om een voorlopige

voorziening tegen een afwijzende beslissing op hun verzoek om toelating

op een of andere wijze in Nederland mogen afwachten.

Ten aanzien van de hier bedoelde vreemdelingen kan het beleidsdoel er

niet zozeer toe strekken te voorkomen dat zij een rechtspositie

opbouwen, doch wordt in feite een bestaande rechtspositie afgebouwd.

De president acht een zodanig afbouwen eerst gerechtvaardigd vanaf het

ogenblik waarop vast staat dat de vreemdeling inderdaad geen

verblijfsstatus toekomt waaraan een bijstandsuitkering is gekoppeld.

Het verzoek van verzoekster om een vergunning tot verblijf was op 3

oktober 1997 afgewezen; nadat het bezwaar bij besluit van 17 december

1998 ongegrond was verklaard, heeft zij hiertegen beroep ingesteld bij de

rechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam. De beslissing op

haar beroepschrift mocht zij in Nederland afwachten. Verzoekster was

derhalve, op de datum van beëindiging van de bijstandsuitkering, 8 juli

1999, in afwachting van een onherroepelijke beslissing op haar eerste

aanvraag om een vergunning tot verblijf.

Onder deze omstandigheden behoorde zij tot de categorie van

vreemdelingen ten aanzien van wie de president in de hierboven staande

overwegingen heeft vastgesteld, dat de volledige toepassing van het door

de Koppelingswet geïntroduceerde stelsel van regels, in het licht van het

discriminatieverbod van artikel 26 van het IVBPR disproportioneel is.

Verzoeker is thans voor de tweede maal in procedure ten aanzien van

een afwijzende beschikking op zijn aanvraag om een vergunning tot

verblijf. Reeds hierom is het vorenoverwogene omtrent genoemde

disproportionaliteit niet op hem van toepassing. Verzoeker behoeft

immers geen rechtspositie af te bouwen, nu reeds eerder is vastgesteld

dat aan hem geen verblijfsstatus toekomt.

Het voorgaande brengt de president tot het oordeel dat het bestreden

besluit ten aanzien van het recht van verzoekster op bijstand naar

verwachting in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden. Deze

conclusie leidt echter niet tot toewijzing van het onderhavige verzoek om

voorlopige voorziening. Ten tijde van het instellen van dit verzoek, te

weten op 14 eptember 1999, was er door de rechtbank 's-Gravenhage,

zittingsplaats Amsterdam, reeds uitspraak gedaan op het namens

verzoekster ingestelde beroep. Bedoeld beroep is bij uitspraak van 1

september 1999 ongegrond verklaard. Met ingang van laatstgenoemde

datum staat derhalve vast dat aan verzoekster geen verblijfsstatus

toekomt waaraan een bijstandsuitkering is gekoppeld.

In hetgeen overigens nog is aangevoerd zijn evenmin aanknopingspunten

gevonden voor toewijzing van het onderhavige verzoek.

De president ziet geen aanleiding gebruik te maken van de hem in artikel

8:86, eerste lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om onmiddellijk

uitspraak te doen in de hoofdzaak. In deze kwestie zijn namelijk

rechtsvragen aan de orde die zich bij uitstek lenen voor beantwoording

door een meervoudige kamer. Naar verwachting zal een meervoudige

kamer van deze rechtbank zich op afzienbare termijn buigen over de

relatie tussen Koppelingswet en Abw.

Tenslotte wordt geen aanleiding gevonden om gebruik te maken van de

bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is een grond

aanwezig om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

4. BESLISSING

De president,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Gewezen door mr. H.C. Naves, fungerend president,

in tegenwoordigheid van mr. A. de Visser, griffier

en uitgesproken in het openbaar op:

door mr. H.C. Naves, in tegenwoordigheid van de griffier.

de griffier, de president,

Afschrift verzonden op:

Coll.:A

D:B