Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:1999:AA1034

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
13/129261-98; 13/129328-97
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummers: 13/129261-98 (zaak A)

13/129328-97 (zaak B)

datum uitspraak: 2 maart 1999

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, vierde meervoudige kamer extra, in de strafzaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1961,

wonende te [woonplaats], [adres]62,

gedetineerd in het Huis van Bewaring 'De Compagnie en Zwaag' te Zwaag.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 februari 1999.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is in zaak A bij ter terechtzitting nader omschreven telaste-legging telastegelegd hetgeen staat omschreven in de vordering tot nadere omschrijving der feiten, waarvan een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht.

Aan verdachte is in zaak B voorts telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage 2 aan dit vonnis is gehecht.

De in die vordering tot nadere omschrijving der feiten in zaak A en dagvaarding in zaak B vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

geldigheid van de dagvaarding

2.1. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de dagvaarding in zaak B voor wat betreft het primair telastegelegde nietig dient te worden verklaard aangezien uit de feitelijke omschrijving niet duidelijk blijkt op welke transactie de telastelegging doelt; die tussen [N] en [DJ] of die tussen [DJ] en [K].

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

De aard van het in zaak B primair telastegelegde vereist niet een meer specifieke aanduiding van het feit, alsmede van de tijd waarop en de plaats waar dit feit zou zijn begaan.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het opsporingsonderzoek zich heeft toegespitst op een grote partij XTC-tabletten en dat uit het dossier niet blijkt van meerdere partijen betreffende een dergelijke hoeveelheid. Voorts kan verkoop als bedoeld in de Opiumwet meerdere feitelijke overdrachten omvatten, zodat het telastegelegde -zonder daar melding van te maken- beide door de raadsvrouw genoemde overdrachten kan omvatten, zonder daarbij aan specificiteit ten aanzien van de telastegelegde verkoop te verliezen.

Het voornoemde in acht nemend is de rechtbank van oordeel dat het aan verdachte in zaak B primair verwetene voldoende nauwkeurig is omschreven.

Nu de dagvaarding in zaak B ten aanzien van het primair telastegelegde ook overigens aan de bij de wet gestelde eisen voldoet kan deze fungeren als grondslag voor het onderzoek ter terechtzitting.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw strekkende tot nietigheid van het in zaak B primair telastegelegde.

2.2. De rechtbank constateert dat aan verdachte in zaak A onder 3 een feitencomplex is telastegelegd dat gepleegd zou zijn in of omstreeks de periode van 6 september 1998 tot en met 7 september 1998.

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het medeplegen van vrijheidsberoving en/of mishandeling en/of bedreiging.

Als eerste wordt verdachte cumulatief/alternatief verweten dat hij in vereniging anderen van hun vrijheid heeft beroofd en/of heeft mishandeld en/of heeft bedreigd.

De rechtbank is van oordeel dat de omschrijving van dit feit voorzover deze betreft het gedeelte "en/of bedreigd" in regel 5 en 6, onvoldoende feitelijk is weergegeven. Er valt uit de feitelijke uitwerking van de bedreiging in dit gedeelte van de telastelegging geenszins op te maken waaruit deze zou hebben bestaan.

Derhalve dient de dagvaarding in zaak A voor wat betreft het onderhavige gedeelte "en/of bedreigd" nietig te worden verklaard.

Nu de dagvaarding in zaak A overigens wel aan de bij de wet gestelde eisen voldoet kan deze voor het overige fungeren als grondslag voor het onderzoek ter terechtzitting.

3. Waardering van het bewijs.

nadere bewijsoverweging ten aanzien van zaak A, feit 1

3.1. Verdachte wordt in zaak A onder 1. verweten dat hij -zakelijk weergegeven- met anderen een hoeveelheid van 20 kilogram heroïne buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Bij de toetsing van dit verwijt aan de inhoud van het dossier en het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting rijst bovenal de vraag of er al dan niet sprake is geweest van heroïne of van een overig middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I.

Bij de stukken bevindt zich immers geen deskundigenrapport betreffende een chemische analyse van de drugs, noch een verklaring bevattende eventuele bevindingen hieromtrent van een ervaren gebruiker.

Medeverdachte [1] heeft bij de politie verklaard dat hij enkele maanden voorafgaande aan de verweten gedraging intensief contact heeft gehad met verdachte [..], van wie hij wist dat deze zich bezig hield met de handel in harddrugs. [Medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat hij had vernomen dat het om 20 kilogram heroïne zou gaan. Ook medeverdachte [2] heeft bij de politie verklaard, hoewel hij daar later op terugkomt, dat hem door verdachte [..] en [medeverdachte 1] was medegedeeld dat het transport om heroïne zou gaan. Tenslotte heeft de getuige/medeverdachte [3] bij de politie verklaard dat hij van [medeverdachte 4] had gehoord dat deze naar Birmingham was om daar te zien dat de harddrugs zouden worden afgeleverd.

Er zijn aldus sterke aanwijzingen van betrokkenheid met een circuit waarin harddrugs verhandeld werden.

Voorts wijst de gewelddadige vrijheidsberoving van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], die op het zoekraken van een partij van 20 kilogram drugs volgde, uit dat er sprake moet zijn geweest van een serieus financieel verlies. De ernstige bedreigingen die in verband hiermee zijn geuit naar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en het enorme geldbedrag dat door hen, deels als boete, betaald diende te worden, duiden erop dat kennelijk een partij harddrugs verloren was gegaan.

Medeverdachte [5], de vervoerder in België, heeft bij de politie verklaard dat hij, toen de partij drugs in zijn auto was gezet, heeft gezien dat het geen softdrugs waren.

De rechtbank is van oordeel - na het voornoemde in samenhang in acht te hebben genomen - dat zonder twijfel kan worden vastgesteld dat er ten aanzien van het aan verdachte telastegelegde sprake is geweest van een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

ten aanzien van zaak A onder 1.

in de periode van 25 augustus 1998 tot en met 3 september 1998 te Amsterdam en elders in Nederland en te België tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (met als eindbestemming Engeland), als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 20 kilogram van een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I;

ten aanzien van zaak A onder 3.

in de periode van 6 september 1998 tot en met 7 september 1998 te Badhoevedorp (gemeente Haarlemmermeer) en Amsterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk personen, genaamd [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden en mishandeld, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2] gedwongen naar de woning van die [medeverdachte 2] te rijden en in die auto een pistool op die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2] gericht en meermalen met dat wapen op het hoofd van die [medeverdachte 2] geslagen;

hij in de periode van 6 september 1998 tot en met 7 september 1998 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend een pistool op die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2] gericht en gericht gehouden en daarbij dezen onder meer dreigend de woorden toegevoegd: "Ik schiet je meteen dood' en "Geef je hand eens hier, dan schiet ik er door heen" en "Ik maak je af, klootzak" en "Jij komt na [medeverdachte 2] aan de beurt";

ten aanzien van zaak B

omstreeks 4 juli 1997 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft verkocht een grote hoeveelheid tabletten bevattende MDMA (XTC).

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdediging.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrij-heidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het navolgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich meermalen -al dan niet als tussenpersoon- op organiserend niveau bezig gehouden met grootschalige handel in en verspreiding van harddrugs. Hierdoor blijft de productie van voor de volksgezondheid gevaarlijke stoffen in stand en wordt er een bijdrage geleverd aan mogelijke verdere verspreiding ervan in de Europese samenleving.

Verdachte heeft voorts na het mislopen van een internationaal transport harddrugs samen met zijn mededader twee voor het transport verantwoordelijke personen voorin een personenauto laten plaatsnemen en hen vanaf de achterbank op gewelddadige wijze onder druk gezet door hen daarbij te dreigen met een vuurwapen en geweld op hen uit te oefenen. Hierdoor waren deze twee personen niet vrij te gaan en staan waar ze wilden en vreesden zij voor hun leven en het welzijn van hun familieleden.

Blijkens het uittreksel uit het algemeen documentatieregister is verdachte eerder terzake van misdrijven veroordeeld.

Voornoemde omstandigheden rechtvaardigen de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 56, 57, 282, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing:

Verklaart de dagvaarding in zaak A onder 3 ten aanzien van het in de 5e en 6e regel genoemde onderdeel "en/of bedreigd' nietig.

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt ver-dachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van zaak A, feit 1

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van zaak A, feit 3

Medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden

en

Medeplegen van mishandeling

en

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

ten aanzien van zaak B

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [..] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals genoemd op de als bijlage 3 aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr J.A.C. Bartels, voorzitter,

mrs G.P.C. Janssen en M.C. Oostendorp, rechters,

in tegenwoordigheid van R.J. Hoefnagel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 maart 1999.