Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:1999:AA1031

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-1999
Datum publicatie
15-07-2003
Zaaknummer
13/129.190.97
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 13/129.190.97, ontnemingsvordering.

datum uitspraak: 1 april 1999.

Verkort vonnis

op tegenspraak

van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, meervoudige economische kamer, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het wetboek van strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/129.190.97, tegen:

[VERDACHTE], ,

geboren te [plaats] op [datum] 1960,

ingeschreven in de gemeente-lijke basisadministratie persoons-gegevens op het adres en feitelijke verblijfplaats:

[woonadres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzittingen van 25 februari 1999 en 18 maart 1999.

1. De vordering.

De vordering van de officier van justitie d.d. 25 februari 1999 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [VERDACHTE] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van

ƒ 107.000,--.

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft de feiten waarvoor [VERDACHTE] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

2. Voorvragen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft ter terechtzitting d.d. 18 maart 1999 aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien het de beginselen van behoorlijke procesorde heeft geschonden.

Hij heeft daartoe aangevoerd, zakelijk weergegeven:

Er zijn twee pijlers waarop het beroep op niet-ontvankelijk-heid steunt:

1. De vervolgingsbeslissing.

Het OM heeft niet op de te verlangen zorgvuldige wijze een beoordeling gemaakt of deze zaak wel voor de rechtbank moest worden gebracht. Een zorgvuldig handelend OM had deze zaak in een eerdere fase van dit strafproces reeds moeten seponeren op grond van het feit dat te weinig bewijs voorhanden is. Het OM had in een vroegtijdig stadium moeten inzien dat deze zaak

-zelfs met de vederlichte bewijslast op haar schouders als in voorkenniszaken gebruikelijk- onhaalbaar was.

2. De verstreken tijdsduur.

Het gerechtshof te Amsterdam heeft op 12 februari 1999 in een persverklaring over zijn uitspraak betreffende één der verdachten in de Bols-Wessanen-zaak bevestigd dat een verdachte belang heeft bij en recht op een behoorlijke strafprocesorde. In de onderhavige zaak lijken die beginselen wel degelijk te zijn geschonden en moet worden geoordeeld dat onzorgvuldig en disproportioneel is gehandeld. Uit het dossier blijkt dat gedurende lange tijd is 'stilgezeten', althans niet de voortvarendheid in acht is genomen die verlangd had mogen worden.

Het summiere tijdschema luidt:

- 29 november 1995 datum feit

- 8 december 1995 onderzoek controlebureau VvE

- 20 maart 1996 nader onderzoek controlebureau

- 30 juli 1996 overdacht dossier aan STE

- 7 mei 1997 aangifte STE

- 23 juli 1997 onderzoek ECD bij ING-Bank

- 10 september 1997 onderzoek ECD bij Nedlloyd

- 21 april 1998 aanhouding [verdachte]

Een tijdspanne van tweeënhalf jaar (de rechtbank leest: 28 maanden en 3 weken) dient in samenstel met de aanhouding en inverzekeringstelling te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het OM.

Ik wijs op een aantal te onderscheiden elementen:

a) het OM heeft niet de vereiste zorgvuldigheid in acht geno-men tijdens de aanhouding en inverzekeringstelling van [verdachte], aangezien [verdachte] is aangehouden en inverzekering gesteld op verdenking van overtreding van het bepaalde in artikel 46 Wte 1995 (!). Na bijna 30 maanden mag van het OM worden verlangd dat zij bekend is met het feit dat het artikel

uit de Wte 1991 en niet de Wte 1995 van toepassing is.

b) het OM heeft disproportioneel gehandeld door na een periode van slechts een beperkt aantal activiteiten en met slechts gebrekkig bewijs voorhanden, [verdachte] op 21 april 1998 om 6.00 uur 's ochtends ten overstaan van vrouw en kind op te brengen voor verhoor.

c) het OM heeft disproportioneel, onzorgvuldig en wellicht zelfs met een onzuiver oogmerk gehandeld door [verdachte] 29 maanden na dato aan te houden voor verhoor en in verzekering te stellen met het bewijs dat toen voorhanden was. Dit laatste -meest verstrekkende beroep op de niet-ontvankelijkheid van het OM- behoeft de navolgende toelichting.

Uit het dossier komt naar voren dat het Controlebureau van de Vereniging voor de Effectenhandel is gealarmeerd door de constatering van een relatief groot aantal transacties in de periode vanaf 17 november tot en met 29 november 1995. De grote aantallen verkopen zouden hebben geleid tot belangrijk lagere koersen. Het betreft een routine-onderzoek.

Op 30 november 1995 is sprake geweest van een spectaculaire omloop van aandelen Nedlloyd -Het Financieele Dagblad maakt op 1 december 1995 melding van een verachtvoudiging van de omloop in aandelen. Daarmee is nog niets gezegd over de optiemarkt, een aan aandelen gelieerde, doch afzonderlijke markt. Aan dat gegeven is in de eerste fase van het onderzoek door het Controlebureau voorbij gegaan.

Per brief d.d. 7 mei 1997, een jaar en vier maanden na dato, doet de STE aangifte. Van belang is dat de aangifte en daarmee de verdenking die wordt geuit jegens [verdachte] (en [verdachte 2]) zeer dun is. Uit de informatie verkregen van ING zou zijn gebleken dat door deze twee natuurlijke personen transacties zijn verricht die qua timing, omvang en woonplaats opmerkelijk zouden zijn. In de conclusie bij de aangifte vat de STE om het zo te noemen 'het vermoeden van schuld' als volgt samen:

"Een aantal transacties is echter als opvallend te kenschetsen door het hoge rendement dat de opdrachtgevers in zeer korte tijd hiermee hebben behaald en door het feit dat betrokkenen woonachtig zijn in Rotterdam, de hoofdvestigingsplaats van Nedlloyd."

Van belang is dat sedert de aangifte in mei 1997 alleen nogmaals een runcheck heeft plaatsgevonden bij ING en Nedlloyd, waarbij amper nieuwe informatie is vergaard ten opzichte van de informatie die de STE al had. In die zin is er gewoon tien maanden lang stil gezeten.

Van het OM mag in voorkenniszaken een actieve opstelling worden verwacht. Het geeft geen pas om in dit soort zaken, die -nota bene- worden gedragen door zogenoemd 'circumstantial evidence', waarbij het aan komt op wat zich tussen de oren van verdachte heeft afgespeeld, bijna 30 maanden te wachten alvorens verdachte op te brengen voor verhoor en hem te horen over diens handelwijze, diens gedachten bij het aangaan van de transactie, diens visie op een bepaald aandeel binnen een schichtige effectenmarkt die per jaar zo verschillend is.

Juist gezien het broze karakter van het benodigde bewijs -meer circumstantial evidence dan direct bewijs- mag van het OM worden verwacht dat het in de opsporingsfase een gedrag aan de dag legt dat zich verre houdt van een handelwijze die bij-draagt aan het vormen van circumstantial evidence op niet materiële gronden, simpelweg door stilzitten, dan wel niet voortvarend handelen, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt omtrent het gevoerde verweer als volgt:

ad 1. De vervolgingsbeslissing.

De stelling van verdachte en diens raadsman miskent de wijze van besluitvorming met betrekking tot het resultaat van het opsporingsonderzoek. Volgens het opportuniteitsbeginsel komt de beoordeling om tot vervolging over te gaan in beginsel uitsluitend toe aan het OM.

Ten aanzien van het verwijt dat het OM ten onrechte de onder-havige zaak niet heeft geseponeerd overweegt de rechtbank dat het OM daarbij de belangen van verdachten en de belangen van de gemeenschap tegen elkaar dient af te wegen. Een goede organisatie van de Nederlandse kapitaal-markt is van groot belang voor het functioneren van de economie en voor het aanzien van deze markt in de financiële wereld binnen en buiten onze grenzen. Vertrouwen van beleggers in de effecten-handel is hiertoe van groot gewicht. Het belang van verdachte staat hier -in aanmerking genomen de proportionaliteit en de subsidiairiteit- bij de hantering van die bevoegdheid ten achter. Evenmin is aannemelijk geworden dat de op de aanhouding volgende inverzekeringstelling van verdachte heeft plaats gevonden zonder redelijk doel of met overschrijding van de toegekende bevoegdheid ter zake.

Voorts is niet aannemelijk geworden dat het OM ten tijde van het nemen van de vervolgingsbeslissing ten onrechte niet tot de opvatting is gekomen dat het hoogst-aannemelijk is dat de strafrechter op basis van het aanwezige bewijsmateriaal geheel tot een vrijspraak zal komen.

Dat verdachte krap 29 maanden na de beweerdelijk gepleegde transactie is aangehouden, is, gelet op de aard van de materie en de omvang van het onderzoek, evenmin een omstan-dig-heid die schending van een goede procesorde zou meebrengen.

Verdachte is eerst op 21 april 1998 bekend geworden met het feit dat de door hem verrichte transacties onderwerp waren van een strafrechtelijk onderzoek.

ad 2. De verstreken tijdsduur.

Gelet op de tijdtabel, vermeld in de pleitnotities, die hierboven is overgenomen, waaruit blijkt dat de raadsman die tijdsduur bepaalt op 28 maanden en 3 weken, te rekenen vanaf 29 november 1995 tot 21 april 1998, in casu de dag van aanhouding van verdachte, houdt het betoog kennelijk in dat het recht om tot aanhouding over te gaan, is verjaard. Dit betoog stuit af op het bepaalde in artikel 70, lid 1 onder 2? van het Wetboek van Strafrecht, waarin is bepaald dat voor misdrijven waarop gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld, het recht tot strafvordering vervalt in zes jaren.

Samenvattend komt de rechtbank tot de slotsom dat geen regels van goede procesorde zijn geschonden die zouden moeten leiden tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

3. Grondslag van de vordering.

[VERDACHTE] is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam d.d. 1 april 1999 veroordeeld terzake van de navolgende strafbare feiten:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 31a van de Wet toezicht effectenverkeer, meermalen gepleegd,

en tot de navolgende straf:

Veroordeelt verdachte, in plaats van tot een gevangenisstraf van zes maanden, tot het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte in het kader van een project van de Reclassering Nederland, ressort Amsterdam (onderhouds- en verzorgingswerk of huishoudelijke werkzaamheden en keukenwerk of administratief werk), te voltooien binnen een termijn van 12 maanden, die aanvangt binnen een termijn van drie maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van deze straf in mindering zal worden gebracht volgens de maatstaf van 2 uur per dag.

Veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIE MAANDEN.

Beveelt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van vast TWEE JAREN.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

4. Het wederrechtelijk verkregen voordeel.

4.1. Door de raadsman is het navolgende verweer gevoerd:

Voor een ontnemingsvordering is geen plaats, gezien de aanzienlijke termijn die sedert het verrichten van de transacties en thans de berechting is verstreken.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat nu verdachte eerst op 21 april 1998 bekend is geworden met het feit dat de door hem verrichte transacties onderwerp waren van een strafrechtelijk onderzoek, een berechting op 1 april 1999 -na onderzoek ter terechtzittingen d.d. 17 december 1998, 25 februari 1999 en 18 maart 1999- uitsluit dat sprake zou kunnen zijn van schending

van de redelijke termijn.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

4.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [VERDACHTE] uit de baten van voornoemde strafbare feiten voordeel verkregen dat de rechtbank schat op een bedrag van ƒ 107.000,-- bruto.

De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De verplichting tot betaling.

5.1. De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op ƒ 96.775,-

welk bedrag als volgt is samengesteld:

Verkocht op 30-11-1995:

Put option NDL jan 96 35,00

close sell 100 contracts at 4,10 ƒ 41.000,00

minus provisie " 1.050,00

netto opbrengst ------- ƒ 39.950,00

Put option NLD jan 96 35,00

close sell 200 contracts at 5,20 ƒ 104.000,00

minus provisie " 2.050,00

netto opbrengst ------------ "101.950,00

Put option NDL jan 96 35,00

close sell 100 contracts at 4,20 ƒ 42.000,00

minus provisie " 1.050,00

netto opbrengst ------------ " 40.950,00

------------

ƒ 182.850,00

Gekocht op 29-11-1995:

Put option NDL jan 96 35,00

open buy 400 contracts at 2,00 ƒ 80.000,00

plus provisie " 6.075,00

totale aankoopprijs ------------ " 86.075,00

------------

Netto winst: ƒ 96.775,00

============

6. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 24d en 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

7. Beslissing:

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van ƒ 96.775,--.

Legt op aan [VERDACHTE] de verplichting tot betaling van ƒ 96.775,-- (ZESENNEGENTIGDUIZENDZEVENHONDERD-VIJFENZEVENTIG GULDEN) aan de Staat, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 360 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr T.G. van der Schroeff, voorzitter,

mrs A. Wolfsen en J. van Baars, rechters,

in tegenwoordigheid van mr R. Born-de Rijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 april 1999.