Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:1998:AA3738

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/5102 96/5108 96/5109 97/732 97/748 97/749
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak Reg.nrs. : AWB 96/5102, 96/5108, 96/5109, 97/732, 97/748 en 97/749,

inzake:

1. Ahold Vastgoed B.V. en Albert Heijn B.V., gevestigd te Zaandam, hierna gezamenlijk: Ahold (reg.nrs. 96/5102, 96/5108, 96/5109 en 97/748),

2. Woningbouwvereniging De Dageraad, gevestigd te Amsterdam, hierna: De Dageraad (reg.nr. 97/732),

3. B en 28 anderen, allen wonende te Amsterdam, hierna: de omwonenden (reg.nr. 97/749), gezamenlijk eisers,

tegen: het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord te Amsterdam, verweerder.

1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUITEN

Besluit 1. fictieve weigering van verweerder om te beslissen op een door Ahold op 11 december 1995 ingediend bezwaarschrift gericht tegen een brief van verweerder aan Dirk van den Broek Supermarkten B.V. (hierna: Dirk van den Broek) van 20 november 1995 (96/5102);

Besluit 2. fictieve weigering van verweerder om te beslissen op een door Ahold op 15 december 1995 ingediend bezwaarschrift gericht tegen een brief van verweerder aan Woningstichting Patrimonium (hierna: Patrimonium) van 23 maart 1995 (96/5108);

Besluit 3. fictieve weigering van verweerder om te beslissen op een door Ahold op 18 januari 1996 ingediend bezwaarschrift gericht tegen een mogelijke fictieve bouwvergunningverlening aan Patrimonium naar aanleiding van een aanvraag van Patrimonium van 14 februari 1995 (96/5109);

Besluit 4. besluit van verweerder van 17 december 1996 (97/732, 97/748 en 97/749).

2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 14 juli 1994 heeft verweerder aan Patrimonium bouwvergunning verleend voor het oprichten van een gebouwencomplex op het terrein aan de [....] en het [....] met bestemming daarvan tot tien woningen met bijbehorende bergruimte en verhuurbare winkelruimten.

Bij brief van 14 februari 1995 heeft Patrimonium verweerder verzocht deze bouwvergunning te wijzigen.

Bij brief van 23 maart 1995 heeft de secretaris van het stadsdeel Amsterdam-Noord Patrimonium meegedeeld dat tegen de gevraagde wijziging in principe geen bezwaar bestaat.

Bij brief van 20 november 1995 heeft een medewerker van de afdeling Bouwen en Wonen van het stadsdeel Amsterdam-Noord aan Dirk van den Broek meegedeeld dat voor het door Dirk van den Broek op 18 oktober 1995 ingediende bouwplan geen bouwvergunning is vereist.

Namens Ahold heeft mr. C.A.T.M. van den Broek, werkzaam bij de afdeling juridische zaken van Ahold Vastgoed B.V., op 11 december 1995 een bezwaarschrift ingediend tegen voornoemde brief van 20 november 1995.

Bij brieven van 15 december 1995 en 18 januari 1996 heeft mr. Van den Broek voornoemd namens Ahold bezwaar gemaakt tegen voornoemde brief van 23 maart 1995, respectievelijk tegen de fictieve bouwvergunningverlening door verweerder aan Patrimonium naar aanleiding van bovengenoemd verzoek tot wijziging van 14 februari 1995.

Bij de brief van 18 januari 1996 is verweerder namens Ahold eveneens verzocht door middel van bestuursdwang handhavend op te treden.

Namens Ahold heeft mr. Van den Broek voornoemd bij brief van 29 mei 1996 beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de fictieve weigeringen van verweerder (bestreden besluiten 1., 2. en 3.) om te beslissen op de door haar ingediende bezwaarschriften van 11 en 15 december 1995 en 18 januari 1996.

Bij besluit van 21 mei 1996 heeft verweerder het verzoek van Ahold tot het toepassen van bestuursdwang afgewezen.

Tegen dit besluit hebben mr. Van den Broek voornoemd namens Ahold, mr. G.C. Koelman, advocaat te Amsterdam, namens (de rechtsvoorgangster van) De Dageraad en mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam, namens de omwonenden bij brieven van 2 juli 1996 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit 4. van 17 december 1996 heeft verweerder (onder meer) besloten:

- de bezwaarschriften, ingediend namens De Dageraad, Ahold en de omwonenden voor zover gericht tegen het besluit van 21 mei 1996 ongegrond te verklaren voor zover de bezwaren ten doel hebben dat thans tot aanzegging van bestuursdwang wordt overgegaan en gegrond te verklaren omdat het besluit van 21 mei 1996 niet in stand kan blijven;

- de bezwaarschriften namens Ahold, gericht tegen de besluiten van 23 maart 1995 en 20 november 1995 gegrond te verklaren en het bezwaarschrift namens de omwonenden tegen het besluit van 20 november 1995 gegrond te verklaren;

- het besluit van 21 mei 1996 te herroepen;

- de aanvraag tot wijziging van de bouwvergunning van 14 februari 1995 van Patrimonium alsnog in behandeling te nemen;

- de aanvraag van Dirk van den Broek van 18 oktober 1995 alsnog in behandeling te nemen en te koppelen aan de aanvraag van 14 februari 1995;

- de besluitvorming omtrent het verzoek tot toepassing van bestuursdwang op te schorten totdat bovenstaande procedures zijn afgerond.

Bij schrijven van 24 januari 1997 heeft mr. J.V. van Ophem, advocaat te Amsterdam, namens De Dageraad beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het bestreden besluit 4..

Namens de omwonenden heeft mr. Sarolea voornoemd op 27 januari 1997 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 4..

Bij brief van 28 januari 1997 heeft mr. J. Hoekstra, advocaat te Amsterdam, namens Ahold tegen het bestreden besluit 4. beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en verweerschriften ingediend.

Namens Patrimonium heeft haar gemachtigde A.E.F. Diemer bij brief van 3 februari 1998 het standpunt van Patrimonium ingezonden.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank op 24 april 1998,

alwaar Ahold is verschenen bij gemachtigde mr. H.P.E. Has, werkzaam bij Ahold Vastgoed B.V., bijgestaan door mr. Hoekstra voornoemd.

De Dageraad is verschenen bij gemachtigde mr. Van Ophem voornoemd.

Enkele omwonenden, waaronder B voornoemd, zijn verschenen, bijgestaan door mr. Sarolea voornoemd.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M. van Velsen en ing. C.A.M. Vis, werkzaam bij het stadsdeel Amsterdam-Noord.

Voorts is Patrimonium als belanghebbende verschenen bij gemachtigde H.P. van Leeuwen, werkzaam bij Patrimonium, bijgestaan door F.A. de Lange, werkzaam bij De Bedrijfsjuristen te Almere.

Dirk van den Broek is, hoewel door de rechtbank uitgenodigd als partij aan het geding deel te nemen, niet ter zitting verschenen.

3. MOTIVERING

Bij de beantwoording van de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Feiten

Op 6 september 1993 heeft Patrimonium bij verweerder een bouwvergunning aangevraagd voor het oprichten van een gebouwencomplex op het terrein aan de [....] en het [....] te Amsterdam-Noord met bestemming daarvan tot tien woningen met bijbehorende bergruimte en verhuurbare winkelruimten.

In het betreffende gebied geldt het bestemmingsplan "[....]f" en het bijbehorende uitwerkingsplan "[....]" (hierna gezamenlijk: het bestemmingsplan). Volgens het bestemmingsplan is ter plaatse maximaal 600 m2 gereserveerd voor winkelruimte en 400 m2 voor horecaruimte.

Bij besluit van 14 juli 1994 heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning verleend. Uit de bijbehorende bouwtekening blijkt dat het complex uit onder meer een verhuurbare unit van 610 m2 en een verhuurbare unit van 376 m2 bestaat.

Op 29 juli 1994 is het betreffende terrein in erfpacht uitgegeven aan Patrimonium. Daarbij is aangegeven dat 651 m2 voor winkelruimte is bestemd en 421 m2 voor horecaruimte.

Bij brief van 14 februari 1995 heeft Patrimonium toestemming gevraagd tot wijziging van de eerder verleende bouwvergunning. Daarbij is aangegeven dat is gebleken dat het niet mogelijk is een exploitabele winkelruimte te ontwikkelen binnen het eerder ingediende bouwvolume. De gevraagde wijziging hield een verruiming van het winkelvloeroppervlak naar ongeveer 1025 m2 in.

Bij brief van 23 maart 1995 heeft de secretaris van het stadsdeel Amsterdam-Noord Patrimonium meegedeeld dat in principe geen bezwaar bestaat tegen de gevraagde wijziging van de bouwvergunning en dat het thans is toegestaan de winkel te vergroten conform het bij de aanvraag van 14 februari 1995 ingediende bouwplan.

Op 18 oktober 1995 heeft Dirk van den Broek, huurder van de winkelruimte, bij verweerder een bouwvergunning aangevraagd voor het inrichten van de winkelruimte.

Bij brief van 20 november 1995 heeft een medewerker van de afdeling Bouwen en Wonen Noord van het stadsdeel Amsterdam-Noord Dirk van den Broek meegedeeld dat uit het ingezonden bouwplan blijkt dat het gaat om het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard aan het bouwwerk en geen uitbreiding van het bebouwde oppervlak plaatsvindt, zodat op grond van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder e van de Woningwet geen bouwvergunning is vereist.

Op 22 november 1995 heeft Dirk van den Broek een supermarkt in de onderhavige winkelruimte geopend. Bij brief van 11 december 1995 is namens Ahold bezwaar gemaakt tegen voornoemde brief van 20 november 1995.

Bij brief van 15 december 1995 is namens Ahold aan verweerder meegedeeld dat Ahold op 12 december 1995 werd geïnformeerd over de aanvraag van de gewijzigde bouwvergunning van Patrimonium (van 14 februari 1995). Daarbij is aangegeven dat Ahold bezwaar maakt tegen de goedkeuring van dit wijzigingsvoorstel.

Bij brief van 18 januari 1996 is namens Ahold aan verweerder meegedeeld dat Ahold bezwaar maakt tegen de van rechtswege verleende bouwvergunning naar aanleiding van de aanvraag van Patrimonium van 14 februari 1995, zoals verwoord in de bovengenoemde brief van 23 maart 1995. Voorts heeft Ahold in die brief verweerder verzocht middels een handhavingsbesluit op te treden wegens strijd met het bestemmingsplan.

Namens Ahold heeft mr. Van den Broek voornoemd bij brief van 29 mei 1996 beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de fictieve weigeringen van verweerder om te beslissen op de genoemde bezwaarschriften van 11 en 15 december 1995 en 18 januari 1996.

Bij besluit van 21 mei 1996 heeft verweerder geweigerd Dirk van den Broek bestuursdwang aan te zeggen teneinde te bewerkstelligen dat de oppervlakte van de onderhavige supermarkt zal worden teruggebracht tot 600 m2.

Tegen dit besluit hebben eisers op 2 juli 1996 bezwaarschriften ingediend. De daarin vervatte bezwaren luidden (samengevat) dat verweerder geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt bij de beantwoording van de vraag of er al dan niet handhavend tegen Dirk van den Broek diende te worden opgetreden.

Naar aanleiding van de bezwaarschriften en een op 3 september 1996 gehouden hoorzitting, heeft de commissie beroep- en bezwaarschriften op 3 december 1996 schriftelijk advies aan verweerder uitgebracht. In dit advies is overwogen dat het verzoek van Patrimonium van 14 februari 1995 had moeten worden opgevat als een verzoek tot wijziging van de bouwvergunning van 14 juli 1994. De daarop volgende brief van 23 maart 1995 moet worden beschouwd als een besluit, zij het dat dit onbevoegd is genomen. De aanvraag van 14 februari 1995 moet dan ook alsnog volledig in behandeling worden genomen door verweerder.

De meergenoemde brief van 20 november 1995 dient eveneens beschouwd te worden als een besluit op de door Dirk van den Broek op 18 oktober 1995 ingediende aanvraag. Ook dit besluit is onbevoegd genomen en dient derhalve alsnog in behandeling te worden genomen door verweerder.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de weigering om bestuursdwang aan te zeggen te voorbarig is geweest. Alvorens over een bestuurlijke maatregel te beslissen had verweerder moeten nagaan hoe de relevante feiten precies liggen en welke belangen betrokken zijn.

Daarnaast is niet onderzocht of de huidige, met het bestemmingsplan strijdige, situatie kan worden gelegaliseerd.

Verder dient te worden onderzocht of de aanschrijving aan Dirk van den Broek of aan Patrimonium, dan wel aan beide moet zijn gericht. Pas indien duidelijk is dat geen mogelijkheid bestaat tot legalisatie zal verweerder een besluit dienen te nemen over het wel of niet uitoefenen van bestuursdwang.

Ten slotte is geadviseerd om in de tussenliggende periode afdoende maatregelen te treffen om de overlast tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.

Vervolgens heeft verweerder, in navolging van dit advies, het bestreden besluit 4. genomen.

Gronden van het beroep

Ahold heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit 4. is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De bezwaren tegen de besluiten van 23 maart 1995, 20 november 1995 en 21 mei 1996 zijn gegrond verklaard. De besluiten van 23 maart en 20 november 1995 zijn echter niet herroepen, zodat deze nog onverkort gelden. Het besluit van 21 mei 1996 is weliswaar herroepen, maar verweerder heeft daar geen ander besluit voor in de plaats gesteld.

Het opschorten van de beslissing omtrent het toepassen van bestuursdwang is opgeschort en er is derhalve geen nieuw besluit. Voorts is legalisatie niet mogelijk, althans niet binnen afzienbare tijd na de datum van het bestreden besluit 4. (17 december 1996). Dit heeft volgens Ahold tot gevolg dat zij in beginsel aanspraak heeft op handhaving door verweerder. In dit verband heeft Ahold gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 30 juli 1996 (JG 1997, 9).

Naast hetgeen Ahold heeft aangevoerd, heeft De Dageraad gesteld dat verweerder geen (juiste) belangenafweging heeft gemaakt. Immers, de relatief kleine financiële belangen van Dirk van den Broek en Patrimonium bij het terugbrengen van het winkelvloeroppervlak naar 600 m2 , mede gelet op het feit dat de illegale situatie al drie jaar voortduurt, wegen niet op tegen de belangen van buurtbewoners en daarmee van De Dageraad, van wie de omwonenden hun woning huren, bij terugdringing van de enorme overlast die een supermarkt van dergelijk formaat meebrengt.

Voorts hebben de omwonenden aangevoerd dat zij sinds de opening van de supermarkt worden geconfronteerd met zeer ernstige overlast, onder meer bestaande uit parkeeroverlast, zwerfvuil, geluidsoverlast, stank van uitlaatgassen en gevaarlijke verkeerssituaties. Verweerder heeft onvoldoende aandacht besteed aan de belangen van de omwonenden en de tot op heden uitgevoerde maatregelen hebben geen of nauwelijks effect gehad op die overlast. Ten slotte hebben de omwonenden de rechtbank verzocht een termijn te stellen waarbinnen verweerder een nieuw besluit zal moeten nemen.

Verweer

Verweerder heeft, mede onder verwijzing naar de aan het bestreden besluit 4. ten grondslag liggende motivering, gesteld dat legalisatie tot de mogelijkheden behoort. De bouwaanvragen van 14 februari en 18 oktober 1995 zijn nog in behandeling en zullen worden aangehouden totdat zij ingevolge het nieuwe bestemmingsplan verleend kunnen worden. Er is geen zogenaamde anticipatieprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de ruimtelijke ordening opgestart, aangezien de vereiste urgentie van het reeds gerealiseerde bouwplan ontbreekt. Er is voor gekozen om de huidige, thans nog illegale, situatie op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan. Verder heeft verweerder aangevoerd dat in overleg met de buurtbewoners is besloten een aantal maatregelen te nemen om overlast te beperken, maar dat er te weinig financiÙle middelen zijn om de door de buurtbewoners voorgestane maatregelen te treffen. Verweerder heeft in dit verband erop gewezen dat ook bij een supermarkt van 600 m2 overlast voor de buurtbewoners zou ontstaan.

Standpunt Patrimonium

Patrimonium heeft (samengevat) zich primair op het standpunt gesteld dat de huidige situatie niet in strijd is met het vigerende bestemmingsplan; subsidiair dat de situatie kan worden gelegaliseerd en meer subsidiair dat verweerder heeft kunnen besluiten de huidige situatie (tijdelijk) te gedogen.

Overwegingen

Ten aanzien van de bestreden besluiten 1., 2. en 3.:

Ingevolge artikel 7:10, eerste lid Awb beslist een bestuursorgaan binnen zes weken of - indien een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

Artikel 6:2, aanhef en onder b. Awb bepaalt dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld: het niet tijdig nemen van een besluit.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid Awb kan een beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

Het derde lid van dit artikel bepaalt voorts dat het beroep niet- ontvankelijk wordt verklaard indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

Ahold heeft drie bezwaarschriften ingediend: 1. op 11 december 1995, gericht tegen de brief van 20 november 1995; 2. op 15 december 1995, gericht tegen de (impliciete) goedkeuring van de aanvraag van Patrimonium van 14 februari 1995 tot wijziging van de verleende bouwvergunning; 3. op 18 januari 1997, gericht tegen de goedkeuring van voornoemd wijzigingsvoorstel van Patrimonium, als verwoord in de brief van 23 maart 1995.

Ahold heeft op 29 mei 1996 tegen het uitblijven van beslissingen op de drie bezwaarschriften beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank constateert dat ten tijde van het indienen van de beroepschriften door Ahold, op 29 mei 1996, de in artikel 7:10 Awb genoemde beslistermijnen voor verweerder waren verstreken, zodat reeds om die reden sprake is van het niet tijdig nemen van besluiten als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b. Awb. Niet gezegd kan worden dat Ahold de beroepschriften onredelijk laat heeft ingediend.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in bestreden besluit 4. een beslissing heeft genomen ten aanzien van de ingediende bezwaren tegen de verleende toestemming om te (ver)bouwen. Om die reden dient de vraag te worden beantwoord of Ahold nog belang heeft bij vernietiging van besluiten 1., 2. en 3.. Gelet op het hierna overwogene ten aanzien van besluit 4. is de rechtbank van oordeel dat die vraag, gezien de jurisprudentie van de ABRS ter zake, ontkennend dient te worden beantwoord.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de beroepen van Ahold tegen de bestreden besluiten 1., 2. en 3. niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

De rechtbank acht ten aanzien van de onderhavige beroepen van Ahold geen termen aanwezig om toepassing te geven aan de artikelen 8:74 en 8:75 Awb.

Ten aanzien van het bestreden besluit 4.:

De rechtbank is van oordeel dat in besluit 4. zowel is beslist op de bezwaarschriften tegen de verleende toestemming tot (ver)bouwen als op de bezwaarschriften tegen de geweigerde bestuursdwang.

Artikel 7:11 Awb luidt:

1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

De strekking van het bestreden besluit 4. is dat de aanvraag van Patrimonium van 14 februari 1995 tot wijziging van de op 14 juli 1994 verleende bouwvergunning en de bouwvergunningaanvraag van Dirk van den Broek van 18 oktober 1995 alsnog in behandeling te nemen en derhalve het verzoek om toepassing van bestuursdwang op te schorten tot op die aanvragen is beslist.

Met eisers is de rechtbank van oordeel dat dit besluit in strijd met het bepaalde in artikel 7:11 Awb is genomen. Zoals ook de ABRS bij uitspraak van 6 juni 1995 (AB 1995, 416) heeft geoordeeld, vloeit uit het karakter van de bezwaarschriftenprocedure voort dat indien het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het aangevochten besluit niet in stand kan blijven, dit orgaan niet kan volstaan met (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het bezwaarschrift. In dat geval dient, behoudens het zich hier niet voordoende geval waarin enkele herroeping van dat besluit voldoende is, voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats te worden gesteld. Het opschorten van het nemen van een nieuw besluit met betrekking tot de aanvragen om bouwvergunningen en omtrent het al dan niet toepassen van bestuursdwang kan niet als een nieuw besluit worden aangemerkt.

Het voorgaande brengt mee dat het bestreden besluit 4. reeds wegens strijd met artikel 7:11 Awb geen stand kan houden. Verweerder zal opnieuw op de ingediende bezwaarschriften een besluit dienen te nemen en daarbij zowel ten aanzien van de toestemming om te (ver)bouwen als de weigering bestuursdwang toe te passen dienen te beslissen.

Naar aanleiding van hetgeen ter zitting uitvoerig is besproken merkt de rechtbank ten overvloede op dat nu verweerder heeft erkend dat de gerealiseerde uitbreiding van de supermarkt in strijd met het vigerende bestemmingsplan is, verweerder bij beantwoording van de vraag of de gerealiseerde (ver)bouw kan worden gelegaliseerd - zodat er geen toepassing kan worden gegeven aan de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen - zal dienen te bezien of die legalisering niet bij voorbaat kansloos is te achten en of daaraan naar redelijke verwachting binnen afzienbare tijd gestalte kan worden gegeven, gelet op de vaste jurisprudentie van de ABRS (ABRS 29 mei 1995, nr. R03.93.6384 en ABRS 15 mei 1997, AB 1997, 398).

De rechtbank ziet aanleiding verweerder een termijn van twaalf weken na verzending van deze uitspraak te stellen voor het nemen van een nieuw besluit.

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken, welke onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor elk van eisers forfaitair zijn vastgesteld op f 1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb, stelt de rechtbank vast dat het door eisers gestorte griffierecht door de gemeente Amsterdam dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

4. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart de beroepen ingediend tegen bestreden besluiten 1., 2. en 3. niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen ingediend tegen bestreden besluit 4. gegrond;

- vernietigt bestreden besluit 4.;

- bepaalt dat verweerder binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op de bezwaarschriften ingediend tegen de verleende toestemming om te(ver)bouwen en de weigering om bestuursdwang toe te passen;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door Ahold en De Dageraad betaalde griffierecht ad. f 400,-- (zegge: vierhonderd gulden) en door de omwonenden ad. f 200,-- (zegge: tweehonderd gulden) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van elk van eisers begroot op f 1.420,-- (zegge: veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de gemeente Amsterdam aan eisers.

Gewezen door mr. H. Troostwijk, rechter,

in tegenwoordigheid van E. Hoekman, griffier,

en uitgesproken in het openbaar op: 27 mei 1998

door mr. H. Troostwijk, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op: Coll.: D: