Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:1998:AA1030

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
13/129340-97
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 13/129340-97

datum uitspraak: 25 februari 1998

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, vierde meervoudige kamer B, in de strafzaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1961,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoons-gegevens en feitelijk verblijvende op het adres:

[woonplaats], [adres] 41.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 30 oktober 1998, 11 januari 1999, 12 januari 1999, 13 januari 1999, 10 februari 1999 en 11 februari 1999.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting d.d. 11 januari 1999 nader omschreven.

Van de dagvaarding en de vordering nadere omschrijving telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht.

De nader omschreven telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

---

3. Waardering van het bewijs.

3.1.

De rechtbank acht niet wettig en overtui-gend bewezen, hetgeen onder 1 is telas-tegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.2.

Door de verdediging is aangevoerd dat het rapport van de door de rechtbank op 2 december 1998 benoemde deskundige J. Coevert niet mag meewerken aan het bewijs, nu deze deskundige voor de verdediging onvoldoende deskundig is, nu hij blijkens zijn verhoor ter terechtzitting van 14 januari 1999 niet afdoende antwoord gaf op hem gestelde vragen.

3.3.

De rechtbank verwerpt dit verweer, nu vaststaat dat de deskundige J. Coevert in zijn rapport, net als in de rappoprten van de andere in de onderhavige zaak benoemde deskundigen, alsmede ook in het door de verdediging overgelegde rapport van de deskundige Barth, volgens een logische en consistente redenering tot de conclusie is gekomen dat de waarde genoemd in de in de telastelegging voorkomende taxatierapporten ruim boven de reële waarde van de desbetreffende appartementsrechten lag. Slechts met betrekking tot dit aspect zal de rechtbank bij de waardering van het bewijs gebruikmaken van genoemd rapport.

3.4.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals is aangegeven op de aan dit vonnis als bijlagen 3 en 4 gehechte -gestreepte- kopie van de telastelegging. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

3.5.

Met betrekking tot het onder 2c primair telastegelegde feit leest de rechtbank na het op bladzijde 10 in de vijfde regel van de nadere omschrijving van de telastelegging vermelde "van drie, in elk geval een aantal," de woorden "valse geschriften", aangezien hier, gelet op de aard en de overige bewoording van de telastelegging sprake is van een kennelijke omissie. Door de verbetering van deze omissie wordt verdachte niet in de verdedig-ing geschaad.

3.6.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdediging.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaar-heid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook straf-baar.

7. Motivering van de straf.

7.1.

De verdediging heeft aangevoerd dat de banken en andere financiers die in de onderhavige strafzaken hypothecaire leningen hebben verstrekt, met name in de controle van de aanvragen, ernstig tekort zijn geschoten.

Zo hebben de financiers genoegen genomen met kopie-stukken, hebben zij niet nagegaan of de aanvrager nog andere hypothecaire verplichtingen had en hebben zij de juistheid van de gegevens in de taxatierapporten niet gecontroleerd, aldus enkele raadslieden.

Ook de rechtbank heeft moeten vaststellen dat de controle door de betrokken financiers summier is geweest; zij hebben in de meeste gevallen de hun verstrekte gegevens en de juistheid daarvan niet of nauwelijks geverifieerd.

Daar staat tegenover dat de financiers in beginsel moeten kunnen vertrouwen op de juistheid van de gegevens in de overgelegde (concept)akten, in de hypotheekaanvraag en in het taxatierapport.

De verantwoordelijkheid voor de betrouwbaarheid van de in die stukken vermelde gegevens berust naar het oordeel van de rechtbank primair bij de notaris, de hypotheekbemiddelaar en de taxateur; in de onderhavige strafzaken hebben met name die drie functionarissen de financiers misleid, terwijl juist zij bij uitstek zijn aangewezen om ervoor zorg te dragen dat een hypotheekaanvraag op juiste en betrouwbare gegevens berust.

Dat de financiers het de bedoelde drie functionarissen gemakkelijker hebben gemaakt om op basis van valse gegevens een hypothecaire lening te verstrekken, door de aanvragen gebrekkig te controleren, heeft de rechtbank dan ook niet als een strafverminderende factor laten wegen.

7.2.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank verwijt verdachte ten aanzien van de hypotheekfraude dat hij te gemakkelijk is ingegaan op voorstellen waarvan hij had moeten beseffen dat deze moreel en juridisch laakbaar waren. Verdachte heeft kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen zakelijke belangen en het inzicht op wat wel en wat niet geoorloofd is, heeft hem verwijtbaar ontbroken.

Ook is verdachte er niet voor teruggeschrokken om in het zicht van en tijdens zijn faillissement constructies te gebruiken en daarbij derden in te schakelen, om de beschikking te behouden over aanzienlijke geldsommen en goederen alsmede om opnieuw omvangrijke schulden aan te gaan, alles zonder de curator daarvan in kennis te stellen.

Anderzijds geldt ook voor verdachte dat moet worden aangenomen dat hij door de publiciteit van de strafzaak en door het verlies van zijn baan al schade heeft geleden, terwijl wegens droevige familie-omstandigheden tijdens het voorarrest klager daarvan meer leed zal hebben ondervonden dan doorgaans al het geval is.

Dit alles leidt tot de navolgende strafoplegging.

Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is van zodanige duur dat het aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid moet worden afgewezen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straf is gegrond op de arti-kelen 14a, 14b, 14c, 22a, 47, 57, 225 en 341 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing:

Verklaart het onder 1 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van de onder 2a primair, 2b primair en 2c primair telastegelegde feiten:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 4 telastegelegde feit:

medeplegen van bedriegelijke bankbreuk, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [..] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Beveelt dat een gedeelte, groot 5 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr M.J.L. Mastboom, voorzitter,

mrs E. Pennink en A. Wolfsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr R. van der Weijden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 februari 1998.